Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Enige elementen van bezinning binnen het Deputaatschap

Aanleiding voor bezinning

Er zijn in onze tijd heel veel zaken in discussie en ontwikkeling rond de ontmoeting Kerk en Israël, zoals: In welke gezindheid moet het gesprek met Joden worden gezocht en gehouden? Wat moet de inhoud van dit gesprek uitmaken? Wat is de doelstelling van de dialoog in eigen land en in het heilige land? Welke uitwerking kan deze ontmoeting met Israël op legitieme wijze ontvangen naar eigen kerk en werk toe? Hoe is in de gereformeerde traditie over de verhouding van Kerk en Israël nagedacht? Wat licht werpt de Bijbel hierop? Zo zouden nog een aantal vragen meer geformuleerd en uit het werkveld van de werkelijke gesprekken met Joden op tafel gelegd kunnen worden?

Het moeilijke ligt daarbij nu niet zozeer in al deze vragen - waarbij er zijn, die ook vroeger aan de orde waren! -, maar in het vinden en formuleren van de antwoorden daarop!

We zijn echter niet de eerste die daarmee geconfronteerd worden, reeds vóór ons is men daarmee bezig geweest, ook in ons deputaatschap. Er ligt een behoor­lijke schat van bezinningsmateriaal in de archieven van ons deputaatschap van de periode van na de Tweede Wereldoorlog tot heden. Het is een zeer goede gedachte binnen ons deputaatschap geweest om dat alles eens in kaart te brengen. Enkele elementen van deze bezinning in voorgaande jaren wil ik hier doorgeven en die onderbrengen in een aantal kernzaken.

De naam van ons deputaatschap

Op de Generale Synode van de Afgescheiden Kerken in 1875 komt in het kader van de bespreking van de ‘Binnenlandse Zending’ (= evangelisatie) de vraag naar voren “of het niet wenschelijk is de Zending onder Israël te behartigen.” Heeft men toen beseft, dat Israël binnen de aandachtssfeer van de kerk hoort, maar dan niet onder evangelisatie, als bij hen die van het Evangelie vervreemd zijn, en dat er daarom een apart deputaatschap voor moet komen? De ‘Handelingen van de Synode’ ver­melden het niet. Wel is er nog enige discussie geweest “over de bezwaren en geestelijke voordelen, aan de Zending onder Israël verbonden, bovenal over onze verplichting en roeping jegens Gods oude volk”.

De Synode roept dan een commissie onder de naam “Zending onder Israël” in het leven en benoemt daarin de predikanten E. Kropveld, H. Beuker en D.K. Wielenga. Deze commissie krijgt vooralsnog een beperkte taak, “daar zij allereerst zal moeten afwachten of die zaak genoegzamen bijval en geldelijke ondersteuning vindt, en dan zal moeten omzien naar de beste middelen om tot het doel te komen, Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias.” Zo is er dus de naam ontstaan: Zending onder Israël.


Na de Vereniging in 1892 duurt het 40 jaar, eer de zaak van Israël weer door de Chr. Geref. Kerk wordt opgepakt en opnieuw geregeld.

Op de synode van 1931 is er opeens een instructie van de Particuliere Synode van het Zuiden, die er de aandacht op vestigt “dat de Kerk ook eene roeping heeft, om te arbeiden onder de Joden.” Ook deze instructie komt ter sprake bij het werk van de ‘Inwendige Zending’. Gewezen wordt “op de roeping der Kerk, om ook Israël, het oude Volk Gods, de stem van het Evangelie te doen hooren.” De Synode te Rotterdam bijeen besluit dan “voorlopig Deputaten voor de Zending onder de Joden te benoemen, tot de Part. Synodes vergaderen.” Benoemd worden ds. W. Kremer, ds. N. Brandsma en ds.J. Reesink. Hier valt dan de naam: Zending onder de Joden der Chr. Geref. Kerken in Nederland.


Pas 20 jaar later, op de Synode van 1953, komt de zaak van de naam van het deputaatschap opnieuw aan de orde. Deputaten hebben zich intern intensief op deze naam beraden. Een drietal bezwaren tegen de bestaande naam worden ingebracht,

  1. De dubbelzinnige plaatsing van de woorden ‘der Chr. Geref. Kerken in Neder­land’ achter ‘Joden’. Bedoeld is: Zending der Chr. Geref. Kerken onder de Joden. De huidige naam maakt een andere uitleg mogelijk nl. de zending onder de Joden van de Chr. Geref. Kerken,
  2. De naam ‘Joden’ is tamelijk belast en minder gangbaar. Omstreeks 1892 werd de naam Israël aan de Joden ontzegd en werd de naam Israël aan de kerk toe­gewezen (“het nieuwe Israël”),
  3. c. Het woord ‘Zending’ roept de belangrijkste moeite op. “Hoezeer ook overtuigd van de juistheid als zodanig van dit betekenisvolle woord, toch menen Deputaten, dat met de bezwaren hiertegen ernstig rekening moet worden gehouden. De naam ‘zending’ is voor de Joden historisch zwaar belast, daar de Kerk in vroeger eeuwen zeer vaak op gewelddadige wijze onder hen ‘zending dreef’. Voorts impliceert deze benaming voor de Jood de Evangelie-prediking onder primitieve volkeren in een doorgaans naar hun aanvoelen nederbuigende, zelfbewuste houding. Het gebruik van deze benaming werpt daardoor reeds van te voren onnodig een struikelblok op de weg der Evangelie-prediking, daar de Joden uiterst gevoelig zijn op dit punt en van ‘zending’ niets willen weten. Tenslotte heeft van de zijde van de Kerk deze benaming de min of meer uitsluitende betekenis gekregen van een missionaire activiteit der Kerken, die zich richt tot volkeren en personen, die zonderde bijzondere Openbaring Gods leven, wat men van het oude Bondsvolk niet kan zeggen, hoezeer zij ook de openbaring Gods in de Messias verwerpen.”


Na breedvoerig intern beraad spreken Deputaten de voorkeur uit voor de benaming: Deputaten der Chr. Geref. Kerken in Nederland voor Contact met Israël. “Het woord ‘Contact’ toch is onbelast voor hen, tot wie de Kerken gezonden worden om het Evangelie van de Messias te prediken. Tevens is dit woord niet onbekend in de kerkelijke taal, waar de Kerken ‘contact’ begeren met ‘Gereformeerde belijders’, en tenslotte belijdt de Kerk hierin, dat zij het ook voor haar onontbeerlijke contact met Israël al te zeer heeft losgelaten en daarom naar de eis van Gods Woord, door de Apostel Paulus onuitwisbaar geformuleerd, begeert terug te keren tot de oude paden: eerst de Jood en ook de Griek, naar hernieuwde aanraking met Israël door het Evangelie van Jezus Christus.” Op grond van dit alles pleiten deputaten voor de naam: Contact met Israël.


De commissie van rapport is verdeeld over deze naam. Zij kan zich wel indenken, waarom het woord zending door deputaten graag wordt vervangen, maar vindt niet alle argumenten daarvoor even sterk. De meerderheid van de commissie zou het woord ‘contact’ willen aanvaarden; de minderheid heeft er bezwaren tegen.

De synode zelf komt er in eerste instantie niet uit, maar besluit in een volgende zitting de naam te doen luiden: Deputaten der Chr. Geref. Kerken in Nederland voorde Evangelieverkondiging onder Israël. Er wordt geen enkele argumentatie gegeven door deze keuze. Men heeft wel gesproken over een ge- (of vèr-)legen­heids­oplossing van de synode. Wel is de gedachte van ‘missie’, ‘zending’, met heel de inhoud en gevoelswaarde die er ten aanzien van Israël in de loop der eeuwen aan gegeven zijn, ondubbelzinnig afgewezen. Daarvan distantieerden de kerken zich in 1953 duidelijk.


Ook rond de nieuwe naam is hernieuwde bezinning vereist. In ‘verkondiging’ kan mogelijk onbewust en ongewild een toon van superioriteit, van arrogantie door­klinken, die de ontmoeting met de ander blokkeert. En ook de uitdrukking ‘onder’ Israël is niet erg duidelijk. Is er geen taak tegenover Israël? Wordt alleen gekeken naar de Joden in het land Israël? Hebben we in de huidige naam het unieke verwoord van de verhouding van Kerk en Israël? De bezinning duurt voort. Er wordt toch weer gedacht aan de naam ‘Deputaten voor Contact met Israël’ of heel eenvoudig ‘Israël-deputaten van de Chr. Geref. Kerken in Nederland’.

Plaats van Israël in het heilshandelen van God

In 1956 is een uiterst intensieve bezinning gestart binnen het deputaatschap over de plaats van Israël in Gods heilshandelen naarde Schriften.

Als uitgangspunt diende een lezing van prof. dr. B. J. Oosterhoff hierover. We kunnen niet om Israël heen, want Christus gaf opdracht het evangelie te verkondi­gen, te beginnen bij Jeruzalem. De apostelen hebben immers steeds eerst de Jood gezocht en daarna ook de Griek. Wij mogen Israël vergeten noch verstoten. Maar juist dit gegeven plaatst ons voor heel wat vragen. Welke houding moet de kerk, in het brengen van het evangelie, dan innemen tegenover Israël? Welke plaats moet Israël innemen in de theologie? Welke bijzondere relatie en bedoelingen heeft God nog met dit volk? Ontvangt Israël van God nog eens weer een heilshistorische taak voor de volkeren? Het (voort-) bestaan van Israël door de eeuwen, dat wel ‘het raadsel der geschiedenis’ is genoemd, stelt voor vragen. Wat is de diepste reden van dit voortbestaan?

In het licht van de Schrift luidt het antwoord: God doet het Joodse volk voortbestaan! Maar waarom? Het opnieuw opbruisen van het antisemitisme én de vestiging van de staat Israël hebben deze vragen verhevigd. Laat de Bijbel een speciale toekomst voor Israël open? Is de staat Israël in 1948 daarvan een zekere vervulling of zijn de beloften van het O.T. overgegaan op de Christelijke Kerk? Heeft de Kerk de taak van Israël definitief overgenomen of is haar gestalte van tijdelijke aard?

In een achttal stellingen is er in het deputaatschap over deze vragen doorgesproken en gepoogd antwoorden van de Schrift te vinden:

  1. het is voor geen tegenspraak vatbaar, dat met name in het N.T. nog beloften voor het volk Israël liggen (zie o.a. Rom. 11:11v en 25v). Paulus zegt hier dat toen de Joden de Messias Jezus verwierpen (hun val en tekort), dat evangelie tot de heidenen is gegaan en wij door Gods genade mochten komen tot het geloof. Zo betekent Israëls tekort (falen) rijkdom voor de heidenen, hoeveel temeer dan zijn rijkdom (plèroma). Het Joodse volk zal eens in rijke mate delen in het heil van Christus, die het dan als zijn Messias zal erkennen en dat zal een nog grotere zegen voor de heidenen betekenen dan toen Israël het evangelie van zijn Messias verwierp. Terecht zegt Calvijn, dat niets nuttiger is om der heidenen zaligheid te bevorderen dan dat de genade Gods zo heerlijk mogelijk bij de Joden groeie en bloeie.
    Door het behoud der heidenen zal Israël tot jaloersheid worden gebracht. Het zal ook zelf de Messias zoeken. Zo zal gans Israël zalig worden. Israël is hier niet de gemeente uit Joden en heidenen, maar Israël als volk. Vroeger kwamen er énkelen uit Israël tot de Messias (de Messiasbelijdende Joden) doch nu komt Israël als geheel tot gelovige aanvaarding van Gods evangelie in de Here Christus. Deze toekomst wacht nog. Dit is wat anders dan herstel van de Joodse natie. Het gaat Paulus niet om nationaal, maar om geestelijk heil. Over deze toekomst van Israël gaat het ook in Matt. 23:29, 24:34; Luc. 21:24; Hand. 1:6v, 3:19vv.
  2. Wat het O.T. betreft staan twee meningen tegenover elkaar. De ene zegt, dat de beloften van God voor Israël in het O.T. of reeds vervuld zijn of hun vervulling ontvangen in de christelijke kerk (o.a. G.Ch. Aalders). De andere vindt nog onvervulde beloften in het O.T. en op grond daarvan kunnen we nog een herstel van het volk Israël verwachten (Isaac Da Costa, David Baron, Adolp Saphir, J.A. Nederbragt, C.W.M. du Toit, A.M. Berkhoff e.a.). De bezinning van deputaten zoekt een tussenpositie. Welke is deze?
  3. Het herstel van Israël als natie kan evenmin op grond van het O.T. als van het N.T. aanvaard worden. De beloften omtrent het herstel van Israël als volk hebben hun vervulling ontvangen in de terugkeer uit de babylonische ballingschap. Wie op grond van de O.T.se profetieën nog een nationaal herstel van Israël verwacht, zal ook moeten verwachten de herbouw van de tempel, herstel van de priesterdienst (Ezech. 40vv), het tronen van Christus te Jeruzalem als aards koning (Jer. 30:21; Hosea 3:5). Dan draait men de klok van Gods heilsgeschiedenis terug. Men vervalt ook in een aardse opvatting van het Koninkrijk Gods, wat wel ligt in de gedachtengang van de oude Joden, maar niet in die van Christus. Dan zit men ook met het probleem of het O.T. nog wel betekenis heeft voor de christelijke kerk.
  4. De beloften van God aan Israël zijn blijkens het N.T. overgegaan op de christelijke Kerk. Dit wordt door velen bestreden zoals dr. H. Berkhof, die dit een dwaalleer noemt, een stuk heidens-christelijke zelfverheffing; men leest dan het O.T. abstract, onhistorisch, vergeestelijkend en allegoriserend. Maar het N.T. gaat ons erin voor om de beloften, die voor Israël gelden voorde Kerk te laten gelden. Zie: Hand. 15:14vv, waar Jacobus zegt dat God er van meet aan op bedacht is geweest een volk (Hebr. Am = Bondsvolk) voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. De heidenen zijn Gods volk geworden. Bij Christus’ komst is ook de vervallen hut van David opgericht en dat zal niet weer gebeuren. Volgens Rom. 9:25vv delen de heidenen nu in de belofte Gods aan Israël. Vergelijk ook 2 Cor. 6:16,18; Gal. 3:14,29; Hebr. 8:16vv; 1 Petr. 2:9; Openb. 3:9, 7:1vv; 21:3,7. De uitspraak dat de beloften Gods aan Israël in de gemeente van het N.T. hun vervulling vinden, is dus op het N.T. gegrond.
  5. Het is echter onjuist te zeggen dat de christelijke Kerk in de plaats van het volk Israël is gekomen. De N.T.se Kerk is echter in Israël ingelijfd (Ps. 87; Rom. 11:17) en heeft zó deel aan de beloften. Die beloften gelden nu Israël én geroepenen uit de heidenen.
  6. God heeft zijn belofte en verkiezing omtrent Israël dus niet teniet gedaan. Israël blijft volk van Gods belofte (vgl. Rom. 11: 29). Zo zijn er ook nog beloften Gods voor Israël uit het O.T.! Gods verkiezing van dat volk blijft bestaan, gelijk Th.C. Vriezen terecht stelt. Met name de woorden die spreken over bekering en geestelijk heil voor het volk Israël wachten nog hun vervulling.
  7. Het is onjuist te spreken over een tijdelijke gestalte van de kerk als interim­toestand, zoals J. H. Grolle doet. God handelt thans met Israël én de volken gelijktijdig.
  8. Wanneer Israël tot aanvaarding van Messias Jezus komt, zal het niet een christelijke synagoge naast de kerk vormen, maar zal het deel hebben aan de kerk van Jezus Christus, die kerk zal zijn uit joden en heidenen samen! De bezinning op al deze genoemde punten uit 1956 is doorgegaan.


Op de synode van 1971 is er weer een uitgebreid stuk van bezinning gepresenteerd, waarvoor de synode grote dankbaarheid uitspreekt en de commissie van rapport vindt het een positief stuk van waaruit deputaten hun werk binnen en buiten Israël kunnen verrichten. De volgende punten komen in dit bezinnings-rapport aan de orde:

  1. Israël is door God nimmer afgeschreven. Men kan Israëls geschiedenis met de verwerping van de Messias, althans heilshistorisch, niet laten aflopen zonder perspectief voor de toekomst. Dat het evangelie tot de heidenen is gekomen wegens Israëls afwijzen ervan, is niet het laatste wat gezegd moet worden. Nu moeten de heidenen de Joden tot jaloersheid verwekken nl. hen het evangelie zo laten zien en brengen, dat ook zij begerig worden naar dit heil. Uit gedrag en houding van de christelijke gemeente moet de liefde van Christus stralen, die dringt tot behoud. Verwezen wordt naar Rom. 9-11.
  2. Bij de relatie met Israël mag de kerk bedenken dat hier iets anders aan de orde is dan bij de zendingsarbeid. Zij heeft met Israël het Woord van God gemeen­schappelijk nl. het O.T. De Here God kan het deksel op het hart van Israël wegnemen. Hij wil dat doen door het samen lezen van de Schriften, zoals Jezus bij de Emmausgangers deed.
  3. Mag in de teruggave van het eigen land aan het volk Israël een teken gezien worden van Gods trouw aan dit volk? Voorzichtigheid is hier geboden. Men moet oppassen voor voorbarige conclusies. Uit de feitelijkheid van de geschiedenis kan niet direct en onmiddellijk Gods handelen afgelezen worden, ook niet uit de geschiedenis van het joodse volk van vandaag . De terugkeer kan gezien worden als een nieuwe mogelijkheid om werkelijk als volk van God te leven, zoals Hij dat wil. Voor het geloof is de terugkeer een teken dat God nog met het joodse volk bezig is.
  4. Er is voor jood en heiden geen heil buiten Christus (zie: Ef. 2:14, Gal. 3:29). Daar gaat het ten diepste om: Hem te leren kennen uit de Verbondsschriften. Het gaat bij de arbeid onder Israël om een gemeenschappelijk horen, luisteren, vragen, onderzoeken; om het gaan van Gods wegen, het doen van zijn waar­heid, het ontvangen van zijn leven. En wie Jesaja 53 leert verstaan en in de Christus der Schriften leert geloven, mag zijn weg reizen met blijdschap.

Dit is het rijke perspectief: we verwachten geen ander Koninkrijk dan waar we mogen aanzitten met Abraham, Izak en Jacob; in eschatologisch perspectief: als de éne gemeente uit Israël en de volkeren die zingt het lied van Mozes en van het Lam.


In 1983 komt de bezinning nog een keer naar voren. Dezelfde zaken als in ’56 en ’71 komen ook nu aan de orde. Het gaat in de ontmoeting met Israël om de verkondi­ging van het evangelie van Jezus Christus, maar niet in het kader van zending, want er is bij de Joden kennis van God, van zijn Woord, van zijn verbond. Dat is de verbondenheid van Kerk en Israël.

Israël mag daarom niet zomaar op één lijn gesteld worden met de andere volken. Het is en blijft het oude bondsvolk en dat kan voor nu en voor de toekomst niet niets betekenen. Dit heeft consequenties voor de ontmoeting van kerk en Israël. We zien ook bij Paulus altijd een groot onderscheid in de benadering met het evangelie van Joden en heidenen. Bij de ontmoeting met de Joden gaat altijd de bijbel open en onderwijst hij zijn volksgenoten uit de Schriften dat Jezus de Christus is (Hand. 17:2).

Wij kunnen het joodse volk niet benaderen met evangelisatietoespraakjes of tractaatjes, met geluidswagens en zanggroepjes. De Jood voelt zich daardoor beledigd en onteerd alsof zij mensen zonder God en zonder bijbel zijn. Men moet bij hen met steviger kost aankomen. Het gaat bij de Jood om gesprek, zoals Jezus en Paulus deden en dat kost tijd en geduld.

Daarbij heeft de christelijke kerk in het verleden niet altijd zo’n beste houding tegenover de Joden getoond. Dat spreekt ook mee.

In het gesprek echter mag de boodschap dat Jezus de Christus is, nooit verzwegen of verduisterd worden. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Het gaat voor Joden en heidenen om die ene weg. Er zijn geen twee wegen: een weg voor de Jood via de Tora en een weg voor de heidenen via Jezus Christus. Er is één weg. Het gaat om één Herder en één kudde, uit Joden en heidenen samen!


We kunnen dit stuk van bezinning van groot belang achten voor het werk van deputaten. De eigenlijke uitgangspunten zijn erin aangegeven. Dat wil niet zeggen, dat we er daarmee zijn. Maar er kan wel op voortgebouwd worden!

Geen twee wegen

Over de vraag naar de ene weg of de meerdere wegen is ook binnen onze kringen het één en ander naar voren gebracht. In 1965 wordt door deputaten gerapporteerd, dat er door enkele leidinggevende figuren omtrent Nes Ammim werd verklaard, dat joden-christenen niet toegelaten zouden worden tot de nederzetting en dat men geen ‘missionaire’ activiteiten zou ontwikkelen. Ook werd er beweerd, dat er ‘twee wegen’ zijn: Jezus Christus de weg voor de heidenen en het Jodendom een weg voor de Joden.

Dr. M. Boertien heeft daartegen toen scherp partij gekozen. Naar zijn over­tuiging betekende dit verkrachting van de boodschap van het Evangelie, miskenning van het wezen van de kerk, de principiële eenheid tussen heidenen en Joden, en tevens verraad van de Joden-christenen en een dolksteek in de rug van hen die in Israël arbeiden. Het zou een discriminatie van de Joden-christenen inhouden.

In november 1964 wordt door het internationaal bestuur van Nes Ammim uit­gesproken dat de theorie van de ‘twee wegen’ onvoorwaardelijk wordt afgewezen en dat van discriminatie van Joden-christenen geen sprake mag zijn.

Deputaten staan geheel achter deze visie van dr. Boertien.


In 1971 wordt door deputaten een overdruk gemaakt van artikelen van prof. W. Kremer uit De Wekker en als brochure voor de kerken beschikbaar gesteld. Deze brochure draagt de titel Twee Wegen?

Prof. Kremer zet uiteen, dat de voorstelling dat er twee wegen voor de mens zijn, waarop te gaan beslissend is voor zijn leven nu en de toekomst, volkomen schriftuurlijk is. Daar is de weg ten leven en de weg ten dode, de weg van de rechtvaardige en de weg van de goddeloze, de brede en de smalle weg. De Bijbel stelt het zó, dat de beide wegen een absolute tegenstelling vormen. De Schrift kent niet de gedachte dat er twee wegen zijn die tot hetzelfde doel leiden. Dat is een duidelijke dwaling. Soms sprak men van drieërlei weg: de weg der natuur, de weg van Mozes en de weg van Christus als de drie mogelijkheden tot het ware leven. De Bijbel kent dit niet.

Het is van belang om nader in te gaan op de verhouding van het Jodendom tot het Christendom. De vraag naar de weg ligt hier heel scherp. Immers, Israël is het volk van bijzondere positie, van God zelf ontvangen. Dit volk heeft een deel van de bijzondere openbaring Gods en heeft deze door de eeuwen trouw bewaard, iets waarvoor de christenen wel dankbaar mogen zijn. Nu heeft men de verhouding wel op korte formule willen brengen en wel op vijf manieren:

  1. Christenen en Joden staan tegenóver elkaar. De kerk is nu Israël, Gods volk, en de Joden zijn de gevloekten. Bij sommigen is deze visie nog levendig. Alleen de individuele bekering van de Jood tot Christus kan deze verhouding doorbreken.
  2. Joden en Christenen staan náást elkaar en ieder gaat een eigen weg in respect voor elkaar.
  3. Joden en Christenen komen ná elkaar op de weg van het heil. Het is nu de tijd voor kerk en christendom, straks komen de Joden nog eens aan de beurt.
  4. Anderen zien de noodzaak dat Christenen en Joden náár elkaar komen. Men zoekt toenadering van synagoge en ecclesia. Ook de Jood hoort bij de oecumene.
  5. Tenslotte is er de gedachte, dat Joden en Christenen mét elkaar de ene weg gaan van het als zondaar behouden worden door de genade in Jezus Christus.
    In deze laatste richting denkt W. Kremer. Er is maar één weg: de weg van Gods genade.


Zo leert ons het Nieuwe, maar ook het Oude Testament. Dat is de eenheid in beide. We gaan niet de weg op van Marcion, die leerde dat de God van het O.T. een andere zou zijn dan de Vader van Jezus Christus en het O.T. een andere Godsverering kent dan het N.T.

Franz Rosenzweig (1886-1929) is de joodse theoloog en wijsgeer, die ook twee wegen stelt: voor de Jood, die al bij de Vader is, is het de roeping bij Hem te blijven, zijn wet te bewaren en deze als een hoge ethische norm zelf te beleven en anderen voor te leven. De Christenen hebben hun weg in Jezus om bij die Vader te kómen. Voor hen is wedergeboorte nodig, verandering, bekering.

Kremer stelt duidelijk dat er buiten de openbaring Gods in Jezus Christus geen weg tot gemeenschap tussen God en mens is. In het O.T. is het deze zelfde weg, die God in zijn spreken tot Israël voorhoudt, daarbij wijzend op de Messias die komen zou. In het N.T. wijst God deze ene weg aan voor de heidenen vanuit het gekomen zijn van de Messias in Jezus van Nazareth. Zo moeten we én het O.T. én het N.T. lezen en verstaan!

Jezus Christus is de Messias ook voor Israël, zie: Rom. 1:1; Hebr. 1:1vv. Dit is het evangelie dat God tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften. Alleen het geloof brengt in gemeenschap met God. Denk aan Abraham, die God geloofde en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend. Het geloof in de belovende God en zijn beloften, die in Jezus Christus ‘ja’ en ‘amen’ zijn, is de enige weg tot het heil voor Jood en heiden.


In 1983 wordt door de toenmalige voorzitter van deputaten, drs. J. Kruis, ter synode dezelfde zaak naar voren gebracht. De commissie van rapport en de synode hebben zich achter zijn woorden gesteld. Daarom is het goed bij dit deel van de bezinning aandacht te geven aan zijn woorden.

Hij schetst ook de inzet van de zgn. twee-wegen-leer. Het joodse volk ís al volk van God en heeft daarom geen Messias nodig om in een goede verhouding tot God te komen. Heidenen daarentegen moeten door middel van Jezus tot het heil gebracht worden. Dan hebben we elkaar ook niets meer te zeggen. Dan valt alle grond voor dialoog, voor een werkelijk gesprek, voor evangelieverkondiging weg. Dan is er alleen maar overleg, christelijke presentie in alle vrijblijvendheid mogelijk. Jezus’ appèl op de Joden is dan niets anders dan een binnen-joodse polemiek zoals vele andere in diezelfde tijd.

Israël heeft inderdaad een bijzondere positie van God gekregen. Dat blijkt zowel in het O.T. als in het N.T. Die handhaaft God ook door alle tijden heen. God heeft met hen een verbond gesloten. Dat verbond is wel vernieuwd, maar nooit door God vernietigd. Doch deze bijzondere positie ontheft de Joden niet van gehoorzaamheid aan de eis van het Woord van God dat er alleen door het geloof gerechtigheid en leven is. Dit nu stelt de verbondenheid van Israël en Kerk.

We horen bij dezelfde God, we horen hetzelfde evangelie, we moeten samen dezelfde weg gaan. Christus is ook allereerst bedoeld voor zijn volk, dat is: voor Israël. Maar dan óók voor de heidenen, zoals in het O.T, is voorzegd! Over dit alles mag en moet met Joden gesproken worden, samen lezend de Schriften.


Nog is dit de weg voor het werk van deputaten. Een weg die veel bereidheid, geduld en vertrouwen wederzijds vraagt, maar het is een dialoog onder de regenboog van Gods trouw en belofte.

Het werk in Israël zelf

Het is binnen het deputaatschap van het begin af de intentie geweest om een werker te hebben in Israël zelf. Maar wat zou zijn positie en taak daar moeten zijn? Daar is nogal wat bezining over geweest en nog aan de gang. We willen ook dit stuk bezinning opnemen.


In 1953 start deze bezinning bij het aantrekken van Boertien voor het werk onder de Joden. Het is een fascinerende gedachte als Kerk van Jezus Christus verwaardigd te worden iets van de schuld der Kerk t.a.v. het oude Bondsvoik te mogen afdoen, met name wanneer dat zou geschieden in het land, waar de Koning van zijn duurgekochte Kerk zijn voetstappen zette, met zijn bloed haar kocht; het land waarheen in onze dagen de duizenden van het oude vo!k terugkeren, helaas voor het merendeel in een verwereldlijkt en vermaterialiseerd messiaans besef.

Wanneer het mogelijk zou zijn, dat het waarachtige geloof in Jezus de Messias door de prediking van het Evangelie, ook namens de Chr. Geref. Kerken in Nederland, in de harten dier duizenden gewekt zou worden, pleitende op Gods belofte, dat Hij machtig is hen weer in te enten, indien zij bij hun ongeloof niet blijven (Rom. 11:23), dan zouden de kerken deze mogelijkheid ongetwijfeld met grote vreugde en dank aangrijpen. In dit groots perspectief zetten deputaten het werk in Israël zelf.

Wel hebben de Joden veel onder de christenvolken geleden. Dit moet met diepe zelfbe-schuldiging beleden worden. Hier ligt ook de reden van de Jezus-haat van vele Joden. Dit kan en moet de Kerken benauwen. En wel verre van de schuld ervan van zich af te schuiven, mogen de Kerken zich schuldenaars weten t.a.v. het volk der Joden.

Er voltrekt zich ook een kentering binnen Israël zelf. Men leest er het N.T. In plaats van verachting komt verering van de figuur van Jezus van Nazareth, die men gaat beschouwen als een der grootste zonen uit Israël. We staan voor het wonder der historie, dat de Jood bezig is de Jood te leren, wie Jezus was.


Nu wordt de Kerk geroepen het volle Evangelie de Joden te prediken. Want Israël is nog niet tot de Christus gekomen. Het zondebesef is in het Jodendom ontstellend verzwakt. Men construeert ook een diametraal verschil tussen Paulus en Jezus: Paulus heeft Jezus, de allergrootste profeet der Joden, aan de Grieken, aan het heidendom verraden, terwijl Paulus toch juist de grootste propagandist voor zijn volk Israël genoemd kan worden.


Overigens demonstreren de kerken hun gebrokenheid nergens meer dan juist in Israël. Sedert ongeveer een eeuw is door verschillende zendingscorporaties in Israël gewerkt. Maar elke zending heeft gelovigen om zich heen verzameld en kerkjes gevormd, zodat ook daar een staalkaart van kerken, secten en kringen rond op zichzelf staande arbeiders is ontstaan. Dat doet ons huiverig staan een apart, eigen arbeidsveld in Israël te zoeken. Daarom mogen we wel bidden, dat Christus daar zijn kerk plante, de kerk van Jezus de Messias in Israël, niet gebroken naar de denominaties van ons die uit de heidenen zijn, maar gesteund met de gaven die de kerken uit de heidenen ontvangen hebben ten dienste der broederen in Judea (vgl, Hand. 11:29; Rom. 15:25vv, 1 Cor. 16:1vv; 2 Cor. 9:1vv).


In 1959 komt deze zaak opnieuw aan de orde. De bedoeling is in Israël iets blijvends op te bouwen. Er werken echter in Israël een 200 zendelingen, waarvan slechts weinigen verantwoord werk verrichten. De aanpak van vele werkers daar leidt meer tot vervreemding tussen Christenen en Joden dan tot toenadering. Men maakt de Christenen tot een corpus alienum (vreemd geval) binnen het joodse volk. Men berooft er de mensen van hun bewustzijn Jood te zijn. Men moet ook niet proberen Israël te assimileren, maar als Israël te respecteren. De meeste in Israël werkende zendelingen zouden diep in hun hart antisemieten zijn, zo meent een vooraanstaande Israël-kenner.

Deputaten vinden dan ook dat bij werk in Israël zelf de vraag van de nood­zakelijke en onvermijdelijke samenwerking zwaar moet wegen. Identificatie met het tot dusver bestaande moet evenzeer vermeden worden als algehele isolatie van het bestaande.

Zo ziet men een belangrijke positie van Boertien als full-time secretaris van de United Christian Council in Israël in de lijn liggen van het beleid van deputaten. In deze organisatie wordt juist een samenwerking gezocht van verschillende protes­tantse kerken en zendingsorganisaties. In dit kader vindt dan ook de uitzending van ds. M. Boertien naar Israël plaats.


In 1962 wordt ter synode door deputaten gezegd, dat de kleine en zeer zwakke christelijke kerken in Israël een grote, niet altijd voldoende besefte verantwoorde­lijkheid dragen in de confrontatie van het joodse volk met het Evangelie. In de huidige situatie hebben de talloze kerken en zendingsorganisaties in Israël zo goed als niets te zeggen. Voor ds. Boertien is het een zware maar uiterst belangrijke taak deze kerken te leiden en te steunen in de bezinning op en in de beleving van deze verantwoordelijkheid, zodat zij beter berekend zijn op hun roeping het Evangelie weer hoorbaar en verstaanbaar te maken voor Israël in plaats van elkaar beconcurrerend eigen machteloze wegen te gaan, waarvan Israël zich niet veel aantrekt.

Een massale benadering van Israël is niet mogelijk, de principiële benadering is wenselijk zonder dat ogenblikkelijk resultaat mag en kan verwacht worden. Na alles wat er eeuwenlang en met name in deze eeuw is gepasseerd tussen Joden en Christenen, heeft de huidige generatie reden noch recht om ongeduldig te zijn. Tastend en zoekend moet de weg gegaan worden bij de verschillende activiteiten.

Kerk en jodendom leven te ver uit elkaar door de eeuwenlange verwijdering waaraan de kerk niet het minst schuldig staat, dan dat Israël zonder meer bereid is te luisteren naar het woord dat de kerk, de christenheid spreekt. Het gaat om het opbouwen van een vertrouwenspositie.

De christenen leven nogal geïsoleerd van hun joodse omgeving, zo niet in een sterke antithese ten opzichte van die omgeving, in een soort spiritueel ghetto.


Er zal ontzaglijk veel geduld en wijsheid nodig zijn om de ‘akker’ te bereiden voor het zaad van het Evangelie. Die akker ligt vol stenen die geruimd moeten worden. Van belang is dat de bijbelse visie op de verhouding van kerk en Israël tot de kerken daar doordringt.

Veel weerstanden worden in Israël wakker geroepen tegen vooral chiliastische en ‘pentecostal’-kringen. Het gevaar van identificatie met deze kringen is niet denkbeeldig. Het gaat bij het werk in Israël om het bereiden van de weg des Heren met dit volk.


In 1968/69 wordt aan het bovenstaande nog toegevoegd, dat een latent anti­semitisme in kerken en groepen in Israël diep doorwerkt en dat er onder het joodse volk grote weerstand bestaat tegen joden-christenen. De aanwezige, inheemse kerken zijn vaak versteend en in vele opzichten niet bij machte enige bijdrage te leveren voor het elkaar beter verstaan.

Ook nu wordt onderstreept dat samenwerking geboden is, opdat de werkers der kerken in Israël niet langs elkaar heen kunnen en mogen werken. Daarom is beraad en overleg nodig. De Nederlandse zendende kerken (Herv., Geref. en Chr. Geref.) zullen niemand uitzenden naar Israël als één van hen principieel bezwaar daartegen maakt. Ook zullen de instructies t.a.v. het werk gezamenlijk worden vastgesteld en op elkaar afgestemd.


In het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords voor de Evangelie­verkondiging onder Israël, dat door de Synode van 1974 wordt vastgesteld, wordt als taak van de uitgezondene tot dienst in Israël omschreven: “mee te werken aan de opbouw van de gemeente des Heren uit Israël en de volkeren door de verkondiging van het heilig Evangelie, het bevorderen van de ontmoeting van christenen en joden en de bezinning op de verhouding van kerk en Israël.”


Er blijkt in de staat Israël nieuwe belangstelling te ontstaan voor Jezus, een soort herontdekking van Jezus als Jood. Het vraagt van de werker in Israël volle inzet en blijvende toerusting iets te laten zien van de Here Jezus zoals Hij werkelijk is, opdat Israël Hem lere kennen en de kracht van zijn opstanding, aldus het deputaten­rapport uit 1977.

Hierover schreef ook ds. P. op den Velde diep doordachte artikelen in De Wekker. Bij het werken in Israël zelf komen dus de Schriften aan de orde, de wijze van zelf kerk van de Messias te zijn en het bijbels getuigenis over Jezus.

Hierop zal de bezinning zich in de toekomst verder moeten en kunnen toespitsen.

Besluit

Zo hebben we enige elementen van de bezinning binnen het deputaatschap vermeld uit de jaren na de Tweede Wereld Oorlog. Nog is deze bezinning niet klaar. Ze zal steeds weer nieuwe vragen voorgelegd krijgen. Het huiswerk moet soms overgedaan worden, naar dat de situaties zich wijzigen en God de verhoudingen doet ontwik­kelen. Toch liggen er in de reeds verrichte bezinning lijnen en uitgangspunten voor de toekomst. Want tijdens deze bezinningen gingen bij deputaten de Schriften open en hoorden zij wat deze Schriften ons leerden. In het licht van deze Schrift gaan we zoekend en tastend, soms ontdekkend en ons verwonderend de weg in de verhouding van kerk en Israël.