Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Kremer en Israël


Dit jaar is het zestig jaar geleden dat de generale synode van onze kerken besloot een deputaatschap in te stellen voor de ‘Zending onder Israël’. De “oprichting van dit deputaatschap”1 is mede van - toen ds. - W. Kremer uitgegaan. Achttien jaar was hij daar lid van (1931-1949), waarvan bijna heel die tijd als penningmeester. “Met grote toewijding heeft hij zich gegeven aan de Zending onder Israël en heeft hij met warme liefde geijverd voor de zaak der Jodenzending onzer Kerken.”2

Visie

Kremer (01.08.1896-09.08.1985, predikant in Kornhorn (1926), Leeuwarden (1932) en Apeldoorn (1946), hoogleraar aan de Theol. (Hoge) School van 1954 tot 1969) was “een man met brede visie op Israël.”3

Als samenvatting van deze visie mogen zijn eigen woorden dienen: “De uit­eindelijke bestemming van het Woord wordt bereikt door de formatie van een bizondere ontvanger en drager van de heilsopenbaring Gods, namelijk Israël, maar in Israël zullen alle volken gezegend worden. Dit volk is niet het eindpunt van Gods werken; het is een schakel in Gods werken. Het mag het Woord ontvangen, dit leren verstaan en er uit leven, maar het moet dit Woord Gods ook doorgeven en getuige ervan zijn.”4

Als pastor en als theoloog, in zijn exegetische en homiletische arbeid, zocht Kremer naar de samenhang van héél de Schrift en probeerde hij vooral de heils­historische lijnen te laten zien en de betekenis daarvan door te trekken naar het leven van de kerk.5

Het is boeiend om na te gaan hoe Kremer zélf in de loop van de jaren van zijn betrokkenheid bij het Israël-werk van onze kerken zijn visie heeft ontwikkeld en daarmee ook ongetwijfeld dat Israël-werk zélf zal hebben beïnvloed. Daartoe heb ik zijn publikaties (artikelen) gelezen en getracht daarin een konstante lijn te vinden en met name zijn theologische fundering.

Bronnen

De visie van Kremer op Israël is vooral in zijn artikelen te vinden. Deze verschenen tussen 1937 en 1977 in Luctor et emergo (het ‘Orgaan van den Bond van Chr. Geref. Jongelingsvereenigingen in Nederland’, 1937-aangeduid als L. & E.), in Malak Sjaloom (1939-1942, aangeduid als MS), in Vrede over Israël (1955-1959, aangeduid als VoI) en in De Wekker (1971, 1973, 1975, 1976, aangeduid als DW) - een visie over een periode van veertig (!) jaar.

Ieder weet hoe bewogen dat tijdperk is geweest en welke invloed de gebeur­tenissen die daarin plaatsvonden, hebben gehad en nog hebben.

Politiek en internationaal gesproken tussen het begin van de nationaal-socialistische vloedgolf en de versteviging van de inmiddels ontstane staat Israël.

Kerkelijk gezien is van belang dat - mede onder invloed van Kremer - in 1953 de naam van ons deputaatschap veranderde van ‘Zending onder de Joden’ in ‘Evangelie­verkondiging onder Israël’.

Theologisch stelde deze tijd ook nieuwe vragen - al was het alleen al over de plaats en de betekenis van Israël.

Luctor et Emergo

L. & E. publiceerde in 1937/38 onder het kopje ‘Geestelijke stroomingen’ een achttal artikelen van Kremer over Israël/de Joden (de opschriften gebruiken nu eens ‘Israël’, dan weer ‘Joden’).

Kremer begint met twee konstateringen: “De wereldgeschiedenis is zonder de Joden niet te denken”; en: “Wie ... bij het licht der openbaring wenscht te wachten, weet zijn aandacht nog des te meer geboeid door Abrahams nakroost. ... De Heere eischt dat we op hen letten ... We mogen van dit volk niet onkundig zijn - ook niet van het hedendaagse jodendom - juist omdat het eens wàs (curs. van mij, B.) het volk der openbaring.”6

Opvallend: het wàs... Er is namelijk een breekpunt gekomen: “In Israëls gang over de wereld heeft zich een oordeel voltrokken dat ingezet is met den val van Jeruzalem. De Jood heeft zijn Messias verworpen. Hij heeft de wraak Gods aanvaard voor de ontkenning van den gekruisigden Koning en die wraak is bitter. Toch heeft God in zijn toorn des ontfermens ook hen gedacht. De Jood staat nog tot op dezen dag.” Maar - na een intermezzo over de raskenmerken van de Joden en hun gevoel voor handel7 - “de Jood is anti-evangelisch.”

Bij de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 vielen tempel, eredienst en offers weg, maar “de wet bleef over”. Die wet en de onderhouding daarvan noemt Kremer een “schans tot zelfbehoud” - naar twee kanten: “armoede” der Joden, want de (werken der) wet zijn ontoereikend om met God in het reine te komen, én de “kracht” der Joden omdat zij hierdoor in hun verhouding tot de volken iets van hun eigenheid hebben behouden.


Het laatste - en langste - artikel gaat over hun toekomst.8

Er is een drietal toekomstbeelden: chiliastisch, individueel en afzonderlijk als volk van christen-joden. De beloften in het OT van een rijke toekomst schijnen generaal (algemeen) te zijn (“voor héél het volk in al zijn geledingen”) én locaal (“geteekend in kleuren en met beelden aan de bestaande en bekende toestand ontleend”), maar het is duidelijk dat de gegeven toezeggingen “niet aan het geheele volk zullen worden vervuld, maar aan een klein deel uit (cursivering van Kremer) dat volk”; er wordt “onderscheid gemaakt tusschen het nationale zaad en de geestelijke kinderen van Abraham. Dit noopt ons tot groote voorzichtigheid bij het lezen der profetie aangaande de toekomst der Joden.”

Vanuit het ontbreken van duidelijke (positieve) uitspraken in het NT konkludeert Kremer: “Heel nadrukkelijk komt in het NT vast te staan dat de Joden niet als volk zullen deelen in de zegeningen des N. Testaments.” Zij hebben immers het evangelie verworpen, zijn tegen Christus en de prediking van de apostelen in gegaan, zowel in Juda en Jeruzalem als daarbuiten in de synagogen. “De schuld der Joden komt zoo uitdrukkelijk vast te staan.” In verband met Rom. 9-11 schrijft Kremer: “De beloften Gods worden alleen in het ‘overblijfsel’ volle werkelijkheid.” Daar zorgt de verkiezing Gods voor: “Zoo is wat Israël als volk zoekt en toegezegd scheen (!, B.), den uitverkorenen ten deel geworden (11:7). Losgelaten als volk blijven zij echter toch beminden aangaande de verkiezing, 11:28b.”

Nu “vaststaat dat er geen bijzondere bevoorrechting als volk te verwachten is” en de vraag zich opdringt of er “misschien nog hoop is dat er een tijd zal aanbreken dat Gods heil in den weg van verkiezing bijzonder tot de Joden zal uitvloeien”, zegt Kremer: “Het is zeer wel mogelijk dat de Heere de Joden tot heden spaarde onder de volken en schudde in zijn zeef, om straks zich bijzonder in de toebrenging van velen uit hen te verheerlijken”, maar wij hebben over een bijzondere toebrenging niet te beslissen. “Wel blijft er sterk de roeping voor de Kerk om den Joden het Evangelie te prediken... En in deze Kerk, die ook Israëls ‘overblijfsel’ in zich opneemt (!, B.), worden de beloften Gods vervuld.” Kremer staaft dit door er op te wijzen dat Paulus de belofte uit Ezech. 36:26,27 toepast “op de Kerk des Nieuwen Testaments” in 2 Cor. 6:16.

Al is er in de openbaring van Christus’ kerk niet veel dat de Jood tot jaloersheid verwekken kan, toch “ligt de toekomst voor den Jood in de Kerk van Christus, waar hij door het Evangelie den Zone Gods als zijn Zaligmaker zal leeren kennen. Dan wordt hij van Abrahams zaad, kind van Abraham.”

Malak Sjaloom

Deze voorloper van ‘Vrede van Israël’ bevat een negental artikelen9 van sterk meditatief karakter, geënt op bijbelse en historische achtergronden van de besproken joodse feesten en gebruiken, samenhangend met de joodse kalender én ze ademen heel sterk de ernst van de tijd: de dreiging en de werkelijkheid van de oorlog. Illustratief kan daartoe zijn wat geschreven wordt naar aanleiding van ‘Poerim’: nu geen blijvende vreugde over verlossing, maar drukkende dreiging van vele zijden: Haman leeft nog. Esther 3:13 heeft nog dezelfde strekking, al is de vorm gemoderniseerd. “Nu nemen Haman's taak over zij, die zeggen Gods open­baring te kennen en zich naar Christus noemen. Haman... wordt overtroffen.”10

In alle artikelen ligt de ernstige ondertoon van de noodzaak van veroot­moediging: Poerim wekt op tot ernstig zelfonderzoek, Schaboeôth vraagt om zuiverheid des harten, de klank van de Sjofaar roept op tot ernstig gedenken, achter Chanoeka ligt een bangheid, die nu door velen weer wordt doorleefd, in de gebeurtenissen der laatste weken komt een ernstige roepstem tot ons, het licht van de Menorah wil u, Israël, in deze donkere tijden leren vragen naar Gods licht en ook ons, de open deur voor Elia roept joden en christenen beide tot zelfonderzoek, nieuwjaar zegt ons dat er bij alle onzekerheid alleen licht is in de Eeuwige en de les van de pottenbakker is dat God ons niet loslaat - ook Israël niet.

Naast deze donkere ondertoon valt ook op de sterk messiaanse geladenheid. “Messias ben David” is het antwoord op al onze vragen, de Verlosser, Die gerechtig­heid en leven geeft, Die het jaar van het welbehagen des Heeren uitroept, Die in de open deur verschijnt en de waarlijk nieuwe tijd doet aanbreken. Het enige dat als min of meer uitgesproken theologische Israël-visie in deze serie naar voren komt, staat in het eerste artikel: “Om den Messias leden de Joden in Perzië den druk... Nu echter de Messias is gekomen, wordt Israël niet meer bewaard om hem voort te brengen ... Hij bewaart het nog om tot Messias te kunnen komen.”11

Vrede over Israël

Bijna 20 jaar na de publikaties in L. & E. en ruim 10 jaar na die in MS verschijnt het ‘proefnummer’ van VoI - okt. 1955. Vanaf dat nr. schrijft Kremer een reeks van 19 artikelen (tot juni 1959) over ‘Israël in het Nieuwe Testament’; het achtste en acht­tiende heten ‘De Joden in het NT’, het negentiende ‘De Joden en het NT’.


Enkele lijnen mogen dienen als samenvatting:

1) de betekenis van het NT

“Wij kunnen niet doen alsof dit deel van de openbaring Gods rechtstreeks gericht is aan de christelijke kerk, met uitschakeling van Abrahams zaad. Ook het Nieuwe Testament is openbaring Gods allereerst aan Israël”. Hierin worstelt God de Heere met Israël “om het zijn ‘nieuwe’ openbaring te doen verstaan.” Dat nieuwe is niet iets geheel onbekends, maar “rijker, rechtskrachtiger” openbaring van wat God reeds aan Israël gaf.

Nu wordt het “dramatische in het NT juist dat Israël zelf zich vastbijt in de oude vorm der openbaring of wat het daarvoor houdt (!, B.), tegenover het ‘nieuwe’ Gods. En het resultaat van deze gigantische worsteling is dat de kerk van Jezus Christus én Israël straks tegenover elkaar komen te staan. Daarom vallen in het NT beslissingen, die bepalend zijn voor Israëls toekomst.

Dit is de tragiek van het NT. En daarom draagt de Nieuw-Testamentische kerk onder het witte kleed van haar heil een bloedende wonde in het hart over Israël.”12

In de prediking en het werk van Christus, allereerst gericht op Israël, wordt dit volk een nieuwe maatstaf aangelegd: “de maatstaf des geloofs” en daarmee wordt de toekomst van Israël “in de handen van Israël zelf gelegd.” Helaas heeft Israël negatief gereageerd: “Zij hebben Gods Hoeksteen verworpen. En zonder deze kan er na pasen niet iets blijvends gebouwd worden. Ook de Joodse staat kan niet blijvend bestaan als de staat van de Joden ten aanzien van de Opgestane geen andere wordt.”13

2) scheiding tussen joden en christenen.

“Wij kunnen zeggen dat de doop het grenswater is tussen Jodendom en wordende kerk”, want de doop in de Naam van de Here Jezus is kern en openbaring van de bekering van de Jood: “hij belijdt zijn verkeerde houding ten aanzien van Hem en maakt zich los van zijn volk dat Jezus kruisigde en miskende.” Dat is voor de Jood een moeilijke gang: “Het gaat in de doop om totaal andere dingen dan hij als Jood gewend is te zoeken. Zijn religie wordt hier een totaal andere. Dat komt omdat de joodse religie een wetsreligie is en haar kracht zoekt in het doen; de doop daaren­tegen is het radicale oordeel over eigen gerechtigheid voor God.”14

Met deze eis van de doop komt de kerk vandaag nog tot Israël. Wordt daarmee de Jood ‘ont-Joodst’? Integendeel - hij wordt het nu pas goed, “in volle zin Abrahams zaad.”15

3) wie zijn de Joden?

Hebben wij daarvoor héél het joodse volk te houden? is het een zaak van afstam­ming of van religie? Nu op dit moment (in 1958) deze vraag ook in Israël aktueel is, geeft dit aan “dat men eigenlijk geestelijk niet uitgekomen is boven de grondfout van het Israël van Jezus en Paulus’ dagen.” Toen beriep men zich op Abraham (Joh. 8): “Het visitekaartje van de afstamming gaf entree in het komende rijk. Jood te zijn was een kwestie van biologie geworden.” En in de dagen van Paulus was het een kwestie van wettisch-religieuse vormen.16

Rom. 2:28-29 vegen echter “én afstamming én uiterlijke levensstijl, als beslissende factor, van de kaart. In Gods kaartregister staan alleen zij als Jood aangegeven die het werk van de Heilige Geest in hun hart dragen en daaruit leven... Jood zijn in echte zin is God prijzen.” Nader gezegd: wie aanbidden wat God deed “en deswege in Christus Jezus roemen, zijn echte Joden”17 (en dan merkt Kremer op dat Paulus volgens de maatstaf van de huidige Israëli’s daar niet meer voor in aanmerking komt).

4) Hoe dan?

Zijn nu de voorrechten van dit volk op anderen overgegaan? Niet letterlijk, maar wel duidelijk wordt deze vraag in het NT beantwoord. “Nergens lezen wij dat de christe­nen nu de eigenlijke Joden zijn... Op een geheel andere wijze en met andere woor­den wordt gezegd, dat zij die in de gemeenschap der genade van Christus delen, daarmede voorrechten en titels van de Joden hebben verworven, waaruit blijkt dat zij nu het volk des Heeren geworden zijn.” Kremer wijst dan op teksten als Gal. 6:16; Fil. 3:2; Rom. 4:16 en Gal. 3:29.

Weliswaar noemt de n.t.-ische kerk zich nergens met de nationalistisch klinkende naam ‘Joden’, maar “wel verstaat zij dat, door de genade Gods, zij de trekken vertoont die het volk Gods stempelen. Hier ligt een ontzaglijke pretentie achter, een pretentie die niet roemt in prestatie maar in gratie. Tegelijk ligt hier de nooit los te maken band van de kerk aan het volk van Abraham. En waar deze gezien wordt, is grond en motief gevonden voor de verkondiging van het evangelie aan Israël door het ‘Israël Gods’.”18

5) De ergernis van de Jood

is dat hij struikelde en nog struikelt over het feit dat Christus met zijn prediking van het koninkrijk Gods het schema van de joodse traditie en theologie doorbreekt; we lezen dat met name in het evangelie naar Johannes.

Dat wordt al zichtbaar in Joh. 1, als we daar “in plaats van het Woord telkens de tora of de wet lezen.”19 Overigens wordt de pósitieve betekenis van de wet door Jakobus - “ Jood onder de apostelen - belicht: vanuit Christus ten volle ‘tora’, de wet die tegelijk de weg des Heeren is... naar de belofte van het nieuwe verbond geschreven in de harten... Het is juist deze weg van Jakobus, de rechtvaardige, die de kerk ziet als de weg ten leven voor de Jood in alle tijden. Hij heeft de wet, maar hij moet haar hervinden van Christus uit.”20

6) Wat de toekomst van Israël betreft

- het weinig zeggende van het NT daarover is “zeer welsprekend”. Waar het evangelie overwint, is geen aparte plaats voor Joden-christenen. Er is ook geen bijzonder joods geloof in Christus. Want “Er is in Christus geen apartheid.” Daarbij wijst Kremer op het slot van Eph. 2: Gods kathedraal wordt gebouwd uit joden en heidenen, gegrond in het bloed van Christus. Zo ontstaat een nieuwe eenheid; daar is de Jood “met zijn medebroeder heiden alleen maar huisgenoot Gods.”21

7) Geen venster

In het laatste artikel in deze reeks noemt Kremer het boek van rabbijn J. Soetendorp ‘De symboliek der Joodse religie’ - een als deskundig en grondig geprezen boek - “een huis zonder venster”. Met name als gesproken wordt over levenseinde en gebruiken bij ziekte en sterven, mist Kremer het licht; vooral omdat het NT dicht­gebleven is en “niet erkend wordt als de waarheid.”22

Israël-Jeruzalem

Zeer aktueel is het artikel in DW van vrijdag 7 juli 196723, de dag waarop “via de radio (is) medegedeeld dat de regering van Israël dat deel van Jeruzalem, dat in de jongste botsing op de Jordaniërs veroverd werd, heeft verenigd met dat deel van de stad hetwelk onder Israëlisch bestuur was.” Dat dit gebeurd is, kan “alleen verklaard worden uit de zeer bijzondere plaats die Jeruzalem als het centrum van het Joden­dom altijd heeft gehad.”

Nadenkend over de betekenis van deze gebeurtenis stelt Kremer dat rondom de plaats van Israël onder de volken altijd andere dan alleen nationale en politieke factoren een rol spelen. Met instemming las hij het N.I.W. van 16 juni 1967 dat ook op een “bovennatuurlijke factor” wijst: Israël “wordt telkens weer herinnerd aan het ‘wonder’ van zijn bestaan.”

Beschouwingen daarover (christelijk-emotioneel of rechtstreekse verbindingen aanbrengen met o.t.ische beloften) moeten kritisch worden bekeken. ‘Terecht heeft een duitse rabbijn gewaarschuwd dat men niet zonder meer de Israëli’s met Gods volk vereenzelvigen mag. Dé diepte van het wonder zal vooral zijn dat Jeruzalem / Israël zich door de Here Jezus laten vergaderen. Want “Hij alleen waarborgt Jeruzalems toekomst... Dan is er meer vreugde over Jeruzalem. Jakobs God en de Koning, die Hij over Sion zalfde staan dan centraal.”

De Wekker

I. Twee wegen?24

Duidelijk spreekt Gods Woord over twee wegen - één is de juiste weg: de weg die naar het Woord is, waarop ten diepste alleen van genade geleefd wordt en waarop beslissend is “de kennis van het heil dat in Christus Jezus is.”

In de verhouding tussen kerk en Israël gaat het ook om deze ene weg. Of - heeft Israël dat een deel van de bijzondere openbaring Gods (het OT) heeft en dat door Gods verkiezing een bijzondere positie (plaats en taak) tussen de volken heeft gekregen een ‘eigen weg’ tot God en de toekomst?

Naast de verhouding kerk en Israël raakt deze vraag ook wezenlijke zaken als: het lezen en verstaan van het OT én de manier waarop de mens deel krijgt aan het heil.

F. Rosenzweig en M. Buber hebben deze gedachte van een aparte weg van de Joden tot God sterk gepropageerd. Volgens Rosenzweig is een christen van oor­sprong heiden: hij heeft niets. Maar een Jood behoort bij een volk, dat bijzondere voorrechten geniet: “hij staat in directe relatie tot God als zijn Vader, die het in zijn verbond bij de Sinaï als zijn volk heeft aangenomen.”25 Hierom is de Jood “alle volken en ook het christendom vooruit in religieus opzicht.”26 Daarom gaat een Jood die christen wordt eigenlijk een stap terug.

Buber heeft grote achting voor Jezus (‘zijn oudste broeder’), maar ziet Hem niet “als de Zoon van God Wiens werk een beslissende betekenis heeft gehad voor de heilshistorie.”27 Dat hebben de christenen (Johannes en Paulus) van Hem gemaakt, maar zo bedoelde Jezus niet te zijn, want dat zou in strijd zijn met de eenheid Gods en met Zijn zelfopenbaring in de naam JHWH. Omdat de Jood bevoorrecht is met een rechtstreekse relatie tot God heeft hij “de bemiddeling van een feit of persoon niet nodig.”28 Buber ziet de kern van de geschiedenis niét liggen in verlossing of verzoening van mensen, maar van de schepping en God heeft allereerst de Jood tot zijn partner aan deze verlossing der wereld gemaakt. “Hier komt - zo konkludeert Kremer - de messiaanse taak van de mens en zijn geloof daarin te staan in de plaats van de persoon en het werk van Christus.”29

Tegen de achtergrond van de eeuwenlange miskenning van de Joden - o.a. gebleken in de beschuldiging van Godsmoord en in het feit dat de kerk zichzelf zag in de plaats van Israël - is historisch gezien de gedachtengang van Rosenzweig en Buber te begrijpen; ongetwijfeld is daardoor ook het joodse zelfbewustzijn versterkt. Maar dat maakt het ook bijzonder moeilijk om bij de Joden met het evangelie van de genade Gods in Jezus Christus aan te komen!

Theologisch gezien liggen de bezwaren van Kremer op heilshistorisch (als het gaat om de lijn van de openbaring Gods) en op heilsordelijk (als het erom gaat hoe de mens deel krijgt aan het heil) vlak. Hier moet het gezag van Gods openbaring zélf beslissen en dan gaat het om de verhouding tussen OT en NT. Afgedacht nog van de kritiek van profeten, van Johannes de Doper, van de Here Jezus en van Paulus op de ‘jodentrots’, is het vooral de vraag of het mogelijk is “een eigen religieuse weg te gaan met alleen erkenning van het OT” - oftewel: “de openbaring Gods onder het NT af te wijzen.”30

Kremer stelt dat het NT niet met iets anders komt dan het OT. “Integendeel, het zegt juist dat wat onder het OT gegeven, gezegd, beloofd is, een veel vollere zin ontvangen heeft in de komst en het werk van Jezus Christus.” In de prediking van Johannes de Doper, van Jezus en van de apostelen wordt Israël niet geroepen tot iets geheel nieuws, maar tot het wezenlijke van de verhouding tussen de Here en zijn volk, zoals Abraham dat reeds kende en toonde.

De verbinding tussen het heilshistorische en het heilsordelijke ziet Kremer duidelijk bij Paulus: in Rom. 1 fundeert Paulus zijn verkondiging in de lijn van het spreken Gods tot Israël. Het evangelie is “wat God beloofd heeft in heel het bestaan van en in het spreken tot Israël van ouds af.”31 Er zijn wel nieuwe záken (opstanding, Gods Zoon) wegens nieuwe feiten, maar ook die waren al beloofd. Heilshistorie is voortgang van wat God gaf. Wat het heilsordelijke betreft, verwijst Kremer naar Rom. 4 en Gal. 3: als het gaat om de manier van het persoonlijk deelhebben aan het verkondigde heil, wijst Paulus op Abraham op wie de Joden zich zo graag beroepen: het geheim van zijn leven was zijn gelovig vertrouwen op de beloften Gods; en die beloften zijn in Christus vervuld.

Dát geloof in de belovende God en zijn belofte - en niet de wet - is de weg tot het heil. Tot deze éne weg moeten allen - jood en heiden - bekeerd worden. Zó is het door de Here gesteld. “Wie nu Jood is, roemt op God, zijn spreken erkent en aanvaardt en zich tegen dit evangelie keert, is in strijd met zijn eigen geschiedenis en de woorden Gods die hij bewaart en leest.”32

II. Israël en zijn land

Schrift, historie en heden dwingen ons na te denken over de vraag: heeft Israël een onvervreemdbaar recht op zijn land gekregen en geldt dat recht dus nog; en is de stichting van de joodse staat (en de terugkeer tot op vandaag) te duiden als een rechtstreeks ingrijpen Gods? - hoe we dit moeten zien, is de inzet van een twaalftal artikelen.33

Omdat alleen de Schrift - OT én NT - ons hierover kan inlichten, begint Kremer met de vraag naar “de betekenis van de belofte aan Abraham en zijn zaad met betrekking tot het land. Behoort de toezegging in betrekking tot het land tot de wezenlijke inhoud van de belofte, en blijft zij dus altijd gelden, of kan men de eigenlijke inhoud van de belofte ook nog anders zien en de toezegging van het land als bijkomstig en kan deze dus tijdelijk zijn,...”34 Ook is het van belang na te gaan op welke wijze en met welke betekenis de naam ‘Israël’ in de H. Schrift voorkomt. Van de uit vijf elementen bestaande belofte aan Abraham (Gen. 12, 15, 17) is het fundament de verhouding waarin de Here Zelf Zich stelt tot Abraham en zijn nageslacht.

Kremer noemt dit het ‘kern-element’, in het licht waarvan alle andere elementen hun betekenis en waarde ontvangen - dus ook die van het land. De belofte is allereerst een geestelijke zaak - de relatie tot God Zelf. De andere - zichtbare elementen “zijn bij de belofte gegeven om meer daarop gericht te zijn en daaruit te leven.”35 Bijkomend, niet bijkomstig. Tussen de uitersten (dat het in de belofte alleen om geestelijke weldaden gaat én de gedachte dat 1948/1967 hét teken van dé vervulling waren), meent Kremer dat er in de Schrift aanwijzingen zijn om te stellen: “De toezegging van het land, als woonplaats voor Israël, heeft een bepaalde betekenis, zij functioneert op een bijzondere manier, met een bijzonder doel, tot een bepaalde tijd. De toezegging van het land aan Abraham vormt niet een wezenlijk element in de beloften Gods.”36

Er was aanvankelijk een innerlijke noodzaak dat Israël een land ontving: wegens het risico van vermenging met andere volken, omdat het centrale heiligdom een eigen plaats vereiste, evenals een eigen gebied nodig was voor wetsonderhouding én als profetie: “Men kan het land een prototype, een voorafbeelding noemen van wat uiteindelijk in totale verlossing en vernieuwing te zien zal zijn. Het heil Gods wil een aards coloriet.”37 Ook Abraham heeft dat land niet als eindpunt gezien: hij ver­wachtte de stad; en Hebr. 4 wijst ook een ándere rustplaats aan. Zo gezien kan men ook beter in het land spreken als ‘woonplaats’ dan als ‘bezit’. Een onvervreemdbaar recht op het land heeft Israël niét gekregen - zie b.v. de voorwaarden in Deut. “Men kan daarom niet stellen dat het bezit van het land voor Israël even vast is als de verkiezing van en de belofte aan Israël.”38

Het NT bevestigt en ontvouwt de belofte dieper, geconcentreerd in Christus Jezus, verkregen door wedergeboorte en geloof en met het nieuwe perspektief van de gemeente, die wereldwijd wordt.

Ondanks het feit dat er in die tijd van bezetting wel aanleiding tot spreken over het land kon bestaan, duidt Kremer het opvallende zwijgen van het NT daarover als “de zeer bijzondere insnijding, die God zelf in de heilshistorie, en daarin ook in de geschiedenis gemaakt heeft, door Jezus Christus als de centrale openbaring, waardoor geheel nieuwe facetten van het verbond naar voren traden.”39 “Er komt een ander niveau, om zo te zeggen: bovenlandelijk, waarop de beloften vervuld worden, juist naar hun diepste betekenis. Het koninkrijk Gods en zijn burgers komt hier in het zicht”. “Sinds de heilshistorische wending die God zelf bracht naar zijn beloften, is er een heilsordelijke manier van deelgenootschap aan de beloften Gods door het geloof, waarbij de belofte van het land niet (meer) in zicht komt. En dit geldt ook voor Israël, tenzij men aanneemt dat er een aparte weg voor de Jood is, waarbij het land wel ingeschakeld blijft en er een apartheid voor Israël bestaat.”40

Inzake de betekenis van de naam ‘Israël’ verwijst Kremer naar de studie van prof. dr. A.R. Hulst uit 1962. Het grondkarakter van die naam is de begenadiging (Gen. 32) om een gemeenschap met een Gode-gewijd karakter te zijn en als zodanig een teken in deze wereld. “Het ware eigene van Israël, als volk van Jahweh, is dan ook geen bloedzuiverheid, ook niet gebondenheid aan een bepaald land, maar gebondenheid aan en gerichtheid op de HERE.”41 In de beleving daarvan heeft Israël gefaald. Bij de profeten gaat het allereerst niét om land, stad of staat, maar om de gemeenschap met zijn God.

Men moet ook niet te gemakkelijk van de gedachte uitgaan dat het in het OT gezegde over de verhouding van Israël tot het land zonder meer voor de Joden van nu geldt. Daar is een groot onderscheid tussen. Tot Christus is de geschiedenis van Israël heilsgeschiedenis en heeft het land daar een funktie in. Nu klemt de vraag of wat Israël heet waarlijk Israël is.

Ook de Joden zelf zien de betekenis van de band aan het land van hun geschie­denis verschillend. Tot binnen Israël toe is er verschil van mening over de (geoor­loofdheid van het bestaan van de) staat Israël en de inrichting daarvan.

Kremer voegt daar aan toe dat “Het staat-zijn in de geschiedenis van Israël nimmer een vruchtbare zaak (is) gebleken.”42

Wél acht Kremer dat op grond van de aparte positie van de Joden in de ge­schiedenis, voortvloeiend uit een beschikking Gods - ‘beminden om der vaderen wil’ - er nog wat voor Israël verwacht mag worden. Maar wat en hóe? Hij waarschuwt voor het gevaar voor Israël een soort christelijke herhaling van het OT te ver­wachten: een geestelijk centrum voor de wereld. Dat zou betekenen dat de openbaring Gods dan op haar schreden terugkeert. De wereld hééft vanuit Jeruzalem reeds kennis gekregen van het heil. De belofte aan Abraham van zegen voor de volken heeft de Here reeds op wonderlijke wijze tot werkelijkheid gemaakt. “En Hij doet dit nog.”43

III. Komt de Messias?

Volledigheidshalve zij hier vermeld dat Kremer in het kerstnr. 1974 van DW44 een interview met een tweetal rabbijnen weergeeft over de vraag hoe zij deze tijd en de huidige situatie van Israël zagen in verband met de komst van de Messias. Hij ver­wijst daarbij naar een bij dat interview geplaatst citaat uit de Misjna (toelichting bij de H. Schrift), waaruit blijkt dat Israël niet triomfantelijk zijn toekomst tegemoet gaat, maar door de sombere diepte heen. “Zo kan er ook bij Israël plaats komen voor de realisering van het slot van de adventspsalm bij uitstek (Ps. 130): dat geldt voor Israël en de kerk beide.”

IV. Aandacht voor Israël

In de ‘aandacht voor Israël’45 is een grote verschuiving opgetreden: sprak de kerk vroeger vaak voornamelijk óver de Joden, en zelfs tégen hen - zichzelf verdedigend en de Joden veroordelend - nu is het ‘gesprek’ met Israël op gang gekomen. Tegen de achtergrond van de (‘droeve’) geschiedenis van uiteengaan én tegenover elkaar komen staan van synagoge en kerk is dat een hoopgevende zaak.

De Roomse kerk heeft daar nog grote moeite mee, al zijn daar tekenen van verandering. Deze kerk, die als exponent van de westerse kerk “met alle beschikbare middelen de jodenhaat gekweekt en bedreven”46 heeft vanuit haar zelfbeschouwing als alleen-zaligmakende kerk, past een schulderkenning.

Maar ook in reformatorische kerken is de positieve aandacht voor Israël pas laat op gang gekomen. Geschiedenis en gedrag van de kerken zouden anders verlopen zijn, als van meet af de drie paulinische zaken goed waren verstaan:

“a) De Joden-christenen moeten verstaan dat zij door de God van Israël tot een andere orde waren gebracht, die in een nieuw (beter) verbond eigenlijk de orde van Abraham was. b) De christenen uit de heidenen hadden een bijzonder voorrecht, n.l. te delen in wat Paulus ‘verborgenheid’, die nu geopenbaard is noemt, n.l. dat ook zij, door het geloof, kinderen van Abraham en daarin kinderen Gods geworden waren. c) Heeft God nu de Joden losgelaten? Neen ... Het geheim van Israëls geschiedenis was immers dat de trouw van Gods verbond altijd in staat was de dwaling van Israël op te vangen. Rom. 10:21.”47

In de aandacht voor Israël, waarin het om meer dan contact en sympathie gaat, moet men goed oog hebben voor wat de Here in het verleden met Israël heeft gedaan; daardoor hebben zij veel - de openbaring Gods, de voorrechten en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden - dat de heidenen niet hebben.

Principieel kan men daarom niet van ‘zending’ spreken. Kremer ziet het gesprek met Israël als verkennende, verhelderende en verdiepende ‘voorarbeid’, dienend om te komen tot het wezenlijke. “Dat is wat het geheim was van de arbeid van de apostel Paulus. Bij zijn contacten met de Joden opende hij de Schriften, het Oude Testament voorop... Vrucht daarvan verwachtte hij door Jezus Christus die door Zijn Geest overtuigt van de waarheid die in Jezus is.”48

Wellicht heeft Kremer deze serie geschreven naar aanleiding van de verschijning van het boek van Hal Lindsey, ‘De planeet die aarde heette’ - voor velen aantrekkelijk omdat het grote aandacht voor Israël heeft. Tegenover de mening van Lindsey en anderen dat het grote doel van Gods handelen in de geschiedenis Israël is, stelt Kremer dat men dan geheel voorbijgaat aan “de centrale betekenis van de komst en het werk van Christus en de komst van de Heilige Geest en de zin der geschiedenis die daarin gegeven is, waarbij Israël en de tempel géén centrale plaats meer hebben.”49 Dat betekent niet dat Israël is afgeschreven. “Het blijft de eerst aangewezene om deel te hebben aan de ‘vervulling’ van de beloften Gods.”50

V.B.I.B. / B.N.I.

In 1976 wijdt Kremer op verzoek een aantal artikelen51 aan de opvattingen van de Brits-Israël beweging en de Bond Nederlands Israël. Hun visie noemt hij niet alleen een nieuw maar ook een fantastisch geluid. Dat gaat boven de gegevens van de Schrift uit en valt onder wat Paulus in l Tim. 1:3,4 reeds als ‘andere leer’ gesigna­leerd heeft.

Het geeft Kremer aanleiding om nog eens (men zie ook ‘Israël en zijn land’) op de betekenis van de benaming ‘Israël’ te wijzen: het ongedeelde rijk tot en met Salomo, aanduiding voor de 10 stammen, maar evengoed voor het tweestammen­rijk; deze eenheid zijn de profeten blijven zien ná scheuring en ballingschap; én aanduiding voor dat deel van het volk dat het Israëliet-zijn geestelijk beleeft.

Vanuit Christus en het door Hem gebrachte heil als middelpunt in de heils­historie is dit nieuwe “ook het geheim voor Israël - en voor wie niet?”52

Slot

In de boven weergegeven publikaties heeft Kremer inderdaad getoond “een man met brede visie op Israël”53 te zijn. Breed vanwege de veelheid van onderwerpen en zijn oriëntering daarin. Naast het brede kan ook van ‘diepgang’ gesproken worden - zowel door naar achtergronden te zoeken als door de pogingen alles in relatie te brengen met de Schrift én met het heden.


Soms zou je dan nog wel wat méér willen lezen. Wie Kremer hoorde - als predikant of als hoogleraar - weet dat hij soms ‘aanduidenderwijze’ kon spreken: met een enkele lijn wist hij veel mee te geven, dat tegelijk om nadere bezinning riep.


Het meest in het oog lopend is inderdaad zijn ‘konstante lijn’, die ik zou willen typeren als Christo-centrisch. Gods heil in Christus - in het OT beloofd, in het NT geopenbaard - is het beslissende, ook voor Israël. Sprekend in dat verband is ook de nauwe relatie die Kremer legt en vasthoudt tussen heilshistorie en heilsorde: in het NT gaat het om de vervulling van de belofte ààn Abraham en om geloven àls Abraham. Daarop is Israël nog altijd aan te spreken. Al ‘was’ dat Gods volk en al is Kremer meer dan terughoudend - zelfs negatief - als het gaat om ‘het land’ en al lijkt Kremer Israël als volk met een bijzondere plaats en toekomst te hebben af­geschreven - hij is er uitermate bij betrokken en bewogen over. En gedurig peilt hij naar de betekenis van Gods genadige bemoeienis in het verleden voor nu - ook als aanknopingspunt voor het ‘gesprek’ met Israël.


Toch laat de indruk me niet los dat Kremer niet geheel ontkomen is aan de ‘vervangingsgedachte’: de kerk in plaats van Israël. Er zou - om nog enkele punten te noemen - ook nader doorgedacht kunnen, en zelfs moeten, worden over b.v. de elementen van de belofte aan Abraham, over het spreken van de profeten over de toekomst van volk en land (!) en over adres en bedoeling van het Johannes­evangelie.

Het zou een ‘hommage’ aan deze ‘leraar der kerk’ zijn als door hem aan­gedragen zaken onderwerp van nadere studie werden - iets voor ‘Apeldoorn’?


Tegenover de nogal ongenuanceerde - misschien goedbedoelde, maar soms kreterig aandoende - opmerkingen en beschouwingen met betrekking tot alles wat de relatie kerk en Israël raakt, doet het luisterende, behoedzame en toch duidelijk aangeven van lijnen door Kremer weldadig aan.

Typerend daarvoor moge een laatste citaat zijn. Als Kremer het heeft over de bezinning op de vragen die tussen Kerk en Israël liggen, zegt hij: “Het resultaat van dit alles? Dat is nog niet te zeggen. Maar er is iets gaande. Iets nieuws waarvan wij geen blauwdruk hebben. Hebben wij dat wel ooit wanneer het gaat over die zaken waarmede de God van Israël én van de kerk bezig is?”54



Aantekeningen

1 prof. dr. B.J. Oosterhoff in ‘Jaarboek 1986 van de C.G. Kerken in Ned.’ blz. 258 (een levensbeschrijving van ds./prof. Kremer)
2 Acta GS-1950, blz. 74
3 Academische Herdenking van prof. W. Kremer, uitgave van de Theol. Hogeschool der Chr. Geref. Kerken in Ned., 1985, blz. 22
4 Priesterlijke Prediking, een bundeling van zijn eigen werk, aangeboden aan prof. W. Kremer, uitg. Ton Bolland, Amsterdam, 1976, blz. 60/61
5 Uitvoeriger in ‘Ac. Herdenking’ (zie aant. 3)
6 L. & E., 32e jrg nr 24, 1 sept. 1937, blz. 273
7 L. & E., 33e jrg nr 1, 6 oct. 1937, blz. 4
8 L. & E., 33e jrg nr 17, 18 mei 1938, blz. 190e.v.
9 Malak Sjaloom. Vrede-bode. uitgegeven door de Deputaten voor de Zending onder de Joden, uitgaande van de Chr. Geref. Kerk in Ned., de nrs 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 11 (tussen maart 1939 en april 1942). Van deze artikelen is een ‘Overdruk’ verschenen, uitgeg. door de deputaten.
10 MS, nr.1, maart 1939 blz. 2
11 id., blz. 3
12 VoI, 1e jrg nr1, okt. 1955, blz. 2/3
13 id. 1e jrg nr 4, apr. 1956, blz. 7
14 id. 1e jrg nr 5, juni 1956, blz. 4/5
15 id. 1e jrg nr 6, aug. 1956, blz. 4
16 id. 3e jrg nr 6, aug. 1958, blz. 3-5
17 id.
18 id. 2e jrg nr 6, aug. 1957, blz. 4/5
19 id. 2e jrg nr 5, juni 1957, blz. 4/5
20 id. 4e jrg nr 3, feb. 1959, blz. 4/5
21 id. 3e jrg nr 1, oct. 1957, blz. 3/4
22 id. 4e jrg nr 5, juni 1959, blz. 4/5
23 DW, 76e jrg nr 37, blz. 296
24 DW, van 80e jrg nr 49 (sep. 1971) t/m 81e jrg nr 8 (dec. 1971). De citaten zijn uit de ‘Overdruk’, uitgeg. door deputaten Israël
25 Overdruk, blz.18
26 id. blz. 19
27 id. blz. 21
28 id. blz. 22
29 id. blz. 22
30 id. blz. 24
31 id. blz. 27
32 id. blz. 28
33 over: ‘Israël en zijn land’, DW van 82e jrg nr 2 (oct. 1972) t/m nr 14 (jan. 1973). De citaten zijn eveneens uit de ‘Overdruk’, uitgegeven door deputaten Israël
34 Overdruk, blz. 6
35 id. blz. 16
36 id. blz. 18
37 id. blz. 20
38 id. blz. 22
39 id. blz. 28/9
40 id. blz. 31
41 id. blz. 33
42 id. blz. 46
43 id. blz. 50
44 84e jrg nr 10/11, 20dec.1974, blz. 486/7
45 zeven artikelen in DW 84e jrg nrs 33 t/m 39, tussen 23 mei en 4 juli 1975. Ook hiervan gaven deputaten een ‘Overdruk’ uit; de citaten zijn daar uit.
46 Overdruk, blz. 6
47 id. blz. 11
48 id. blz. 21
49 id. blz. 28
50 id. blz. 29
51 vijf artikelen in DW, 85e jrg. aug/sept. 1976, waarvan ook een ‘Overdruk’ werd uitgegeven
52 Overdruk, blz. 19
53 zie aant. 3
54 ‘Aandacht voor Israël’, blz. 4