Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Het karakter van de profetische belofte


Hoe moeten we de profeten lezen? Hoe zit het met de vervulling van de profetieën? Wat is de actuele betekenis van de beloften? Die vragen zijn heel belangrijk.

Ze staan onder de klem van 2 Petr. 1:20v, waar gezegd wordt ‘dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat, want (...) door de Heilige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken.’ Het is Gods woord, dat moeten we beseffen, en daarom moeten we ons er voor wachten, er niet mee aan de haal te gaan!

De genoemde vragen zijn ook heel boeiend, en de antwoorden zijn van praktische betekenis, van direkt belang voor je verwachting en opstelling.

Bijvoorbeeld: Hoe zie je het ‘vredesproces’?

Ik denk in dit verband aan de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen. Er is een akkoord gesloten, Rabin heeft Arafat de hand gedrukt – het was een verrassend gebeuren. Dat we er daarmee nog niet zijn is inmiddels ook wel duidelijk, maar dat terzijde. Het gaat er nu om, hoe we de ontwikkelingen moeten waarderen in het licht van de bijbel.


Terwijl veel joden en christenen blij zijn met de ontwikkelingen en bidden om de voortgang van dit proces, zijn er ook – onder joden en christenen – die op grond van hun uitleg van de Schriften een tegenovergestelde mening hebben. Rabin is beschuldigd van landverraad. ‘Israël mag niet ‘Land voor vrede’ geven,’ vinden ze; ‘God zelf heeft Israël – als vervulling van de profetieën – dit land gegeven, en geen regering heeft het recht het af te staan!’

De profeten wijzen huns inziens een andere weg – en dan zijn er zo voor de toekomst verschillende scenario’s. In die scenario’s past doorgaans (nog) niet dat Israël zal inkrimpen.


Zo las ik in het commentaar van het blad Christenen voor Israël van nov./dec. 1993: ‘Judea, Samaria, Gaza, de Golanhoogte (Basan) zijn bijbelse gronden die de Heere aan Zijn volk heeft toebedeeld. Wij zien nu voor ogen dat de volkeren zich opnieuw vergrijpen aan Gods oogappel (Zach. 2:8). In Joël 3:1-2 lezen we een profetie die nu in vervulling lijkt te gaan: De Heere zal de volkeren richten omdat zij Zijn land verdeelden! Het delingsplan van 1947 was daar al een goed voorbeeld van. De Heere heeft ervoor gezorgd dat Israël de grenzen heeft die het nu heeft, en opnieuw doen de volkeren massaal mee om Israël te dwingen het gebied rondom Gaza en de stad Jericho af te staan aan de Palestijnen.’


We zien hier in een algemene lijn en ook op een bijzonder punt een direct op de huidige situatie betrekken van profetische beloften. Die komen zo over als van een verrassende, zelfs verbluffende actualiteit: wat daar staat gaat nu in vervulling! Maar kun je dat echt zo stellen? En moet je zeggen: het is een kwaad, dat land wordt afgestaan, dat ‘het land wordt verdeeld’; het is rampzalig, dit zgn. ‘vredesproces’? Het wordt hier vanuit de bijbel gesteld, met een beroep op de profetie – maar moet je die zo lezen?

Twee gevaren

Als het gaat om het lezen van de profeten en het omgaan met de beloften, dan moeten we in elk geval voor twee gevaren oppassen. Enerzijds: dat van weinig of geen verbanden zien tussen de profetieën en onze tijd. Anderzijds: dat je verbanden legt die er eigenlijk niet zijn; dat je ‘kortsluiting’ maakt.


Wat betreft dat eerste gevaar, dat we de tijd niet verstaan, en misschien de profeten wel kennen, maar het blijft ‘dood kapitaal’: indringend komt zoiets naar voren in Matt. 2, waar we horen hoe Herodes het Sanhedrin vraagt, waar de Christus geboren zal worden – want er zijn wijzen uit het Oosten gekomen, die Zijn ster hebben gezien. Voor de schriftgeleerden een makkelijke vraag: in Bethlehem natuurlijk! – Maar vast niet nu, denken ze erbij; in elk geval komen ze niet in beweging. In hun heden is voor Gods toekomst nog geen plaats. Ze geloven van alles, maar niet dat de profetie nu in vervulling gaat. Wij moeten er voor oppassen niet te zijn als de schriftgeleerden te Jeruzalem, die geen oog – en geen plaats – hebben voor wat er in Bethlehem gebeurt.

Ik denk hier ook aan de woorden van Jezus in Luk. 12:54vv: ‘Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opkomen in het westen, zegt gij dadelijk: Er komt regen, en het gebeurt. En wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet?’

De Emmaüsgangers kregen het verwijt: ‘O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!’ Deze voorbeelden laten duidelijk zien hoe belangrijk het is de profetieën op de goede manier te lezen en oog te hebben voor de actualiteit en de vervulling ervan.


Aan de andere kant heb je echter ook uitleggers, die vele en heel directe vervullingen weten aan te wijzen, en vaak ook al menen te weten wat er wanneer komen gaat. Ze lezen teksten in de bijbel en zeggen gelijk: dat is nu precies wat er nu gebeurt, heden wordt dit schriftwoord voor onze ogen vervuld, en de volgende stap zal zijn: ...

Profetieën worden heel direct geduid, en dat is aantrekkelijk: ‘Zie je wel dat de profetieën nog actueler zijn dan de krant van morgen?!’ Maar wat winst leek wordt schade, als blijkt dat het allemaal toch even anders lag dan het leek, en toch anders gaat dan voorspeld werd. En dat is keer op keer gebeurd.

Hal Lindsey

Ik denk hier aan de boeken van Hal Lindsey. Moet je daar nu nog een keer op terugkomen, zult u zich misschien afvragen; dat is een ongelukkig voorbeeld. Ja, inmiddels is dat wel duidelijk, maar indertijd werden velen door zijn boeken gegrepen, en dit vond men nu echte, actuele schriftuitleg. ‘Het’ klopte allemaal zo mooi.

Lindsey legde de krant naast de bijbel en trok directe lijnen, bv. bij de ruiterij van ‘tweemaal tienduizend tienduizendtallen’ in Opb. 9:16: het leger van China is in april 1961 op 200 miljoen soldaten geschat, er is nu een legermacht die precies waar kan maken wat deze profetie voorzegt! Lindsey haalde zo teksten van her en der en wist te vertellen: voor 1988 komt de eindstrijd in Armageddon.

Ik ga nu niet in op de vele bijzonderheden die Lindsey daarover neerschreef. Dat heeft eigenlijk al geen zin meer. Je krijgt bij hem de indruk dat de bijbel een puzzelboek is: hier een stukje dat je kunt gebruiken, daar ligt nog wat, en als je die stukjes in elkaar schuift dan krijg je een duidelijk beeld van de toekomst, en zie je hoe ver nog van – of hoe dicht bij! – het einde wij nu zijn. De bijbeluitlegger moet de verschillende profetieën in elkaar passen, ‘zodat er een compleet beeld ontstaat, ook al zijn deze stukken in kleine brokjes verdeeld over het hele Oude en Nieuwe Testament.’

Het is nu wel duidelijk dat de constructie van Lindsey toch niet helemaal – of: helemaal niet – klopte, en dat het meer in- dan uitleg-kunde was. Dit gestrande schip (en het is niet het enige van dit soort) moet een baken in zee zijn.

Lindsey zelf zette in zijn boek ‘De planeet die aarde heette’ boven elk hoofdstukje een spreuk. Eén daarvan is een citaat van Hegel: ‘De geschiedenis leert ons dat de mens niet leert van de geschiedenis.’ Wel, de geschiedenis – en daar wil ik nu Lindsey ook maar toe rekenen – geeft wel aanleiding om te zeggen: voorzichtig met die directe uitleg en voorspellingen! Voor alle duidelijkheid: veel van de exegese van Lindsey is natuurlijk inmiddels doorgaans verlaten, maar punt is: de methode van exegese ‘doet het’ nog steeds.

Het eigen karakter van de profetische beloften

Ik sprak hierboven over het gevaar van ‘kortsluiting’, zoals je die bv. bij Hal Lindsey ziet. Ik bedoel daarmee het al te direct met de woorden – en soms zou je haast zeggen: klanken – uit de profetieën opereren.

Je springt direct van ‘toen’ naar ‘nu’, zo van: ‘wij leven nu, in onze eeuw – in onze jaren, onze dagen! – in de tijd waar de profeten over spraken. Zij dienden heel speciaal óns nu!’

Vaak blijkt echter dat men de profeten niet laat uitspreken, maar buikspreken. We moeten de profetieën goed lezen. Ja, ‘goed lézen’ in de zin van er serieus mee bezig zijn, en ze niet maar laten liggen omdat ze zo moeilijk zijn – dat is misschien te veel gebeurd en gebeurt misschien nog wel te veel; dan laat je ze liggen voor mensen als Hal Lindsey! We moeten ze lézen, maar dan inderdaad ook wel góéd.


Waar gaat het eigenlijk om? De profetieën hebben een eigen karakter, en dat moeten we goed in het oog houden. Ik noem een paar dingen die we daarbij moeten bedenken.

Profeten zijn geen ‘waarzeggers’

We moeten bedenken dat het er bij de profeten niet om gaat een min of meer gedetailleerd beeld van de toekomst te geven. Het eigene van een profeet is niet dat hij voorspellingen geeft voor de toekomst, maar dat hij Gods woord doorgeeft. Dat geeft licht, niet alleen over de toekomst, maar ook over het heden en het verleden.

Het gaat niet om voorspellingen voor over 2500 jaar of zo, maar om het aanspreken van de mensen nu; niet maar om mededelingen over later, maar om een appèl op het eigen moment.


De woorden der profeten waren in eerste instantie voor hun tijdgenoten, in de taal en met beelden uit die eigen tijd. Wij zullen dat moeten beseffen als we meeluisteren. Dan moet je ook vragen: wat betekende het voor de mensen toen? Niet, dat er in de profetieën niet meer kan zitten dan de profeten zelf – laat staan hun hoorders – konden (over)zien; dat is stellig vaak het geval. Maar dat betekent evengoed niet dat wij die eerste stap kunnen overslaan. We zullen om te beginnen goed moeten lezen wat er eigenlijk staat en oog moeten hebben voor de historische situatie, m.a.w.: maak de woorden niet zomaar los uit de literaire en historische context!

De literaire context

Dat je op het directe tekstverband moet letten, lijkt een open deur intrappen. Maar er wordt nog maar al te vaak op de klank afgeciteerd.

Daarvan is, dunkt mij, een duidelijk en eigenlijk schrijnend voorbeeld de manier waarop Joël 3:1-3 in het hierboven geciteerde commentaar uit Christenen voor Israël aangehaald werd. Lees je goed wat er staat in Joël, ook in de context, dan kun je dat niet zomaar regelrecht op deze tijd en de huidige situatie betrekken. Dan doe je de tekst geweld aan, al knippend en plakkend.

De Here zegt, dat Hij de volkeren zal richten ‘ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden, en over mijn volk het lot wierpen, en een jongen gaven voor een hoer (als haar loon) en een meisje verkochten voor wijn, opdat zij konden drinken.’ Dat is toch een ander soort, een andere manier van delen dan waar het nu om gaat, nu Israël zelf de Palestijnen een deel van het land wil geven. Het slaat veeleer op de verdeling van de buit, en we moeten eerder denken aan hoe met land en volk van Israël is gehandeld door m.n. de Babyloniërs.

Zo’n tekst op de klank (‘mijn land verdelen’) af als nu in vervulling gaand aan te halen, en daarmee zo te oordelen over het vredesproces, dat is m.i. niet een ‘profetisch spreken’, maar eerder een verkrachting van het spreken der profeten.

De historische context en eventuele vervulling

Je moet oog hebben voor de historische situatie van bv. de ballingschap en voor het feit dat God Zijn volk daaruit op een wonderlijke manier heeft teruggebracht. Uit het ‘Noorderland’; daarmee werd m.n. Babel bedoeld (al ligt dat eerder pal in het Oosten, maar de route daarheen liep vanuit Israël vooreerst noordwaarts).

Van een aantal profetieën is dan duidelijk dat ze – in elk geval voor een deel – vervuld zijn. Ik denk bv. aan de woorden over Kores in Jes. 45, en aan Ezra 1:1, ‘In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de Here, opdat het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores op ...’ Opdat vervuld zou worden...

Dan kun je niet zomaar zeggen bij de massale uittocht van joden uit Rusland: ‘nu wordt vervuld wat gezegd is door Jeremia (23:7v) – iedereen met een atlas kan immers zien dat Rusland het Noorderland is?! Welnu, na al die eeuwen is nu het moment gekomen.’ Dan ga je voorbij aan de oorspronkelijke bedoeling en de gekomen vervulling. Dan maak je een kortsluiting, die dan vaak leidt tot heel stellige uitspraken en verdergaande conclusies en die als zodanig niet zonder gevaar is.


Let wel, ik zeg niet dat deze immigratiegolf – maar dan ook de andere, die er waren – niets (meer) te maken heeft met de profeteën over een massale terugkeer van joden naar het beloofde land. Of dat je eigenlijk die vervulde profetieën wel kunt schrappen.

Een vervulling is niet afsluitend, ‘dat hebben we dan gehad’; niet einde van de verwachting. Vervulling kan ook weer perspectieven openen. Want het gaat om de Here, die Zijn trouw, genade en macht laat zien, en daarop ziende kunnen we nog meer verwachten. Zoals in het O.T. de lijn doorgetrokken wordt an de Exodus uit Egypte naar nog eens zo’n wonder – nog groter zelfs! – als Hij Zijn volk uit Babel uitleidt, zo wekt ook deze nieuwe uittocht weer verwachting.

Daarom: een belofte die vervuld is – dat belooft wat. Die heeft als vervulde belofte niet minder kracht. Alleen, je kunt niet zo dwingend en stellig spreken over wat komen gaat, alsof juist deze dingen alsnog ‘moéten’ geschieden, dat niet. Maar als het gebeurt is het opmerkelijk genoeg om verwondering en verwachting te wekken.

We moeten dus aan deze dingen zeker niet voorbijgaan – maar dat is nog wat anders dan dat je heel stellig gaat spreken, over ‘dé’ vervulling nu. Daarmee is men al te vaak de mist ingegaan.

Het profetisch perspektief

Hierboven sprak ik over vervulling ‘in elk geval voor een deel’. Daar moet ik nog wat meer over zeggen. Veel profetieën zijn uit meerdere onderdelen samengesteld. Je vindt meerdere beloften bijeen. Wat de profeten echter zagen als één geheel, valt voor ons uiteen in onderdelen.

We spreken in dit verband van het ‘profetisch perspectief’. Daarmee wordt bedoeld, dat de profeten de toekomst zagen, zoals je van een afstand een berglandschap ziet. Je ziet dan verschillende bergen, maar waar eigenlijk de één ophoudt en de ander begint is niet zo duidelijk. En de dalen die tussen die toppen liggen zie je niet; alles vormt voor het oog één geheel. Als je naderhand bij die bergen komt, dan blijkt dat ze nog mijlenver uit elkaar liggen, dat er nog van alles tussen ligt. Zo kan voor ons één ‘bergtop’, een onderdeel van de profetie inmiddels vervuld zijn, terwijl we op een ander onderdeel nog wachten, en tussen de vervulling van het een en van het ander kunnen eeuwen liggen.


Zo spreekt Joël (2:28vv) over de uitstorting van de Geest en dan in één adem daarbij ook over de dag van het gericht. Het eerste is vervuld op de Pinksterdag; het tweede laat nog op zich wachten. Het hoeft niet zo te zijn dat het totale ‘plaatje’ ook als één geheel, op één moment komt, want het gaat er niet om geschiedbeschrijving-op-voor-hand te geven, maar eerder een indruk en samenvatting van al wat t.Z.t. komt.

‘Letterlijk’ nemen?

Hoe letterlijk moet je de woorden der profeten opvatten? Er zijn er, met name onder chiliasten, die fel pleiten voor het verwachten van een letterlijke vervulling. Als je de woorden niet letterlijk neemt – ja, dan kun je er wel van alles van maken, zo zeggen zij. Dan zet je de deur open voor een grenzeloos vergeestelijken en dan doe je de profetieën geweld aan. Dan gaat het ineens over de kerk, terwijl de profeten spreken over Israël, en over ‘geestelijke’ zegen, terwijl de profeten heel konkreet en op deze aarde betrokken spreken.


Wel, in het N.T. vind je een aantal sprekende voorbeelden van letterlijke vervulling van de profetie. Bv. dat Jezus werd geboren te Bethlehem (vgl. Micha 5:1), en dat Hij Jeruzalem binnenkwam op een ezel (vgl. Zach. 9:9v) – het gebeurde precies zoals de profeten voorzegd hadden.

Overigens zullen we juist ook hierbij in het oog moeten houden dat het om meer dan alleen een voorzegging ging; bij de aankondiging en de vervulling ging het niet zomaar om feiten, maar ook om meer: Bethlehem betekent dat de Here weer helemaal opnieuw begint, bij het begin, en die ezel is teken(end) bij deze nederige Koning! Wie bij de feiten als zodanig, en dat het zo mooi klopt, blijft staan, ziet alsnog de diepere (misschien moet je zelfs zeggen: de eigenlijke?) betekenis over het hoofd.


Moeten we alle profetieën letterlijk nemen? Er zijn er tot op de letter vervuld – daar moeten we zeker oog voor hebben. Maar dat betekent nog niet dat je àlle profetieën puur letterlijk moet opvatten.

Hierboven gaf ik al aan dat het ook bij letterlijke vervullingen om meer dan feiten gaat.

Je mag en je moet je bij andere profetieën afvragen hoever dat ‘letterlijk nemen’ moet of kan gaan. Je zou immers ook met ‘letterlijk nemen’ de profetieën geweld kunnen aandoen. De profeten spraken vaak symbolisch en beeldend, plastisch. Als zo bv. gezegd wordt dat de berg van het huis des Heren zal vaststaan als de hoogste der bergen, betekent dat dan dat de Sion letterlijk boven de Mount Everest zal uittorenen? Het is een beeldend spreken, zoals zoveel te vinden is – en dat is juist bij spreken over de toekomst ook niet vreemd. In de apocalyptiek is dat wel heel sterk. Je moet met deze manier van spreken steeds rekening houden.

Mijns inziens geldt dat bv. ook bij de woorden van Ezechiël over de herbouw van de tempel en de tempelbeek (Ezech. 40-48). Dat is dunkt me geen aansporing om een nieuwe tempel te bouwen of daarop te wachten, maar het zijn beelden van het heil dat Ezechiël ‘van verre’ zag, op een bijzondere, sprekende manier.


Maar hoever gaat dat? Betekent het ook dat je waar ‘Israël’ of ‘Sion’ staat, mag of moet lezen: de kerk? Juist daartegen ageren de voorstanders van de letterlijke uitleg vaak fel: dat de beloften door de kerk geannexeerd zijn (althans, de heilsbeloften; de onheilsprofetieën niet!).

Hebben we hier niet te maken met de grootste diefstal uit de geschiedenis?

‘Geestelijk’ opvatten?

Moet je de profetie ‘geestelijk’ verstaan, zo, dat het in de profetieën ten diepste niet om het historisch Israël gaat, maar om de kerk van het Nieuwe Testament en om het geestelijk heil voor de gelovigen?


In de kanttekeningen bij de Statenvertaling kom je een dergelijke manier van interpreteren herhaaldelijk tegen. Zo lezen we bij Jes. 11:12, waar gezegd wordt dat God de verdrevenen van Israël zal verzamelen: ‘T.w., in Christus, die zijne kerk uit de vier hoeken der wereld vergadert. Alzoo dat in Hem geestelijker wijze vervuld is hetgeen dat God beloofd heeft; Deut. 30 vs. 4.’ Bij vs. 13, ‘de nijd van Efraïm zal wegwijken,’ wordt aangetekend: ‘versta hier de nijd, waarmede Efraïm den stam van Juda benijdde; en versta onder Efraïm de tien stammen van Israël. De zin is: Er zal onder de christenen zo geen haat en nijd zijn, gelijk er eertijds tusschen Efraïm en Juda geweest is.’

Mij dunkt dat ook hier van een soort kortsluiting sprake is: de lijn wordt al te rechtstreeks en gemakkelijk zomaar naar de kerk van nu doorgetrokken. Israël is daarbij helemaal uit het blikveld verdwenen, en vervangen door de kerk.


Nu mogen we wel zeggen – en dat is iets geweldigs! – dat ook de heidenen, ‘eertijds uitgesloten van het burgerrecht Israëls’ en ‘eertijds veraf’, nu dichtbij gekomen zijn (Ef. 2:12v); dat God wilde takken in de edele olijf van Israël heeft geënt (Rm. 11:17vv). Dat zo ook wij deel gekregen hebben aan het heil waar de profeten over spreken. Wij mogen ons er nu ook bij betrokken weten!


In dit verband is heel sprekend Hand. 15:15w. Het gaat daar over het apostelconvent in Jeruzalem, waar gesproken wordt over de vele heidenen, die tot geloof gekomen zijn, en waar Jakobus dan zegt: ‘hiermee stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen (...), opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here.’ Jakobus haalt hier Amos 9:11v aan (in de Griekse vertaling), en ziet die profetie vervuld in Christus en de gemeente van het N.T., waarin ook de heidenen een plaats krijgen. Het gaat dus niet om een nationaal herstel of een aards koninkrijk, maar dit is het, waarvan gesproken is.

Zo vinden we ook in 2 Kor. 6:16vv beloften voor Israël (Ex. 29:45, Lev. 26:11, Jes. 52:11, Jer. 31:1/9) op de gemeente betrokken. Wat God aan Israël beloofde, nl. dat Hij bij hen wil wonen en hun God wil zijn en dat zij Hem tot een volk zullen zijn, N.B. dat wordt op de gemeente betrokken. En Paulus vervolgt (7:1): ‘daar wij nu deze beloften bezitten...’!


Maar dat deze beloften nu ook voor ons zijn, betekent niet dat alles ‘uitsluitend’ voor ons is. We mogen ook erfgenamen zijn, maar dan wel als ‘méde-erfgenamen, mede-leden en mede-genoten van de belofte’ (Ef. 3:6).

In het vorige nummer schreef ik in de Schriftstudie dat de Here ook als Hij zich wendt naar de heidenen Israël, ‘de geliefden om der vaderen wil’, niet loslaat. Dan doen de beloften ons ook nu nog uitzien, en geven ze ons verwachting – ook voor Israël.

In Christus ‘ja’ en ‘amen’

In 2 Cor. 1:20 lezen we: ‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem (Christus) is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons.’

Het gaat hier over alle beloften: ‘hoevele’ – het is wel heel veel! Zal God dat alles waar maken, of kan Zijn ‘ja’ ook ‘nee’ worden? Neemt Hij soms woorden terug? Nee! Hij heeft Zijn ‘Ja’ bevestigd, onderstreept en vastgemaakt in Zijn Zoon. Het is duidelijk en gegarandeerd: ‘Ja’ – om Christus en in Hem en door Hem. Hij is de belichaming van Gods trouw, het vleesgeworden Woord, de vervulling van zoveel beloften – maar juist als zodanig niet het einde van de verwachting. Door Hem zullen alle beloften volkomen vervuld worden. Gods ‘Ja’ is ‘Ja’!

Dit ‘Ja’ roept om en roept op tot het ‘Amen’ van het geloof. Dat je zegt: het zal waar en zeker zijn, hoevele beloften Gods er ook zijn – voor je persoonlijk leven, voor de kerk, voor Israël en voor de volkeren; hoe vele!

Dat ‘Amen’ is dan geen ‘slotwoord’; het betekent niet: ‘klaar!’ Maar het doet uitzien naar en bidden om de vervulling van al Gods beloften, waarvan er niet één ter aarde zal vallen.