Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


Eerst voor de Jood, dan voor de Griek

door
ds. C. van Atten


kopje:


in
Vrede over Israël, jg.41 nr.1

Eerst voor de Jood, dan voor de Griek

Bijbelstudie over Romeinen 1:16,17

‘Want ik schaam mij het Evangelie niet;
want het is een kracht Gods
tot behoud voor een ieder die gelooft,
eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.
Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard
uit geloof tot geloof,
gelijk geschreven staat:
De rechtvaardige zal uit het geloof leven.’


Het grote thema van de Reformatie is: de rechtvaardiging uit het geloof. Na wat hierboven over Luther en Calvijn m.b.t. Israël geschreven is zal het niet moeilijk zijn om in te zien dat dat juist essentieel was voor hen: dat het Evangelie voor allen, ook voor de Joden de reddingsboei is die door God wordt toegeworpen aan mensen die de ondergang nabij zijn.

De Schriftwoorden uit Rom. 1:16,17 zijn woorden die wellicht het best het bedoelen van Luther en Calvijn in hun spreken en denken over Israël tot uitdrukking brengen.


Voor Luther is het de tekst van zijn leven geworden. Bekend is zijn persoonlijke ontboezeming over deze woorden: ‘Ik haatte dit woord, dat ik door het gebruik en de gewoonte van alle doctores filosofisch had leren verstaan, d.i. als de zogenaamde actieve gerechtigheid, volgens welke God rechtvaardig is en de zondaren en onrechtvaardigen straft. Toen begon ik de gerechtigheid Gods te verstaan als die waardoor de rechtvaardige door Gods geschonken genade leeft, nl. uit het geloof, en dat het volgende de betekenis is: door het Evangelie wordt de gerechtigheid Gods geopenbaard, nl. de passieve gerechtigheid, volgens welke de barmhartige God ons door geloof rechtvaardigt.’


Deze woorden van Luther brengen ons meteen in het hart van deze tekst. Want dat is voor Paulus de inhoud van het Evangelie: dat God ons gerechtigheid schenkt. Dat woord gerechtigheid was een kernbegrip uit de rabbijnse theologie. Het betekende voor de rabbijnen: datgene in en door de mens waardoor deze voor God kan bestaan door gehoorzaamheid aan de wet.

Wat bedoelt dat woord ‘gerechtigheid’ in de Bijbel precies? Het is in ieder geval niet wat er in de wandelgangen van het menselijk leven onder wordt verstaan: ieder het zijne, eerlijk zullen we alles delen, boontje komt om zijn loontje, alles volgens de wet van Bartje.

De wortel van het woord is gelegen in het Oude Testament. Gerechtigheid in het Oude Testament staat heel vaak in relatie tot de zwakke, de hulpeloze, de kwetsbare. Dat komt omdat in de Tora tot een bijzondere zorg voor de zwakke wordt opgeroepen. Maar vaak gebeurde het tegenovergestelde: dat juist de weduwe en de wees, de vreemdeling en de arme werden verdrukt.

En als er dan gesproken wordt over gerechtigheid die naar hen toe van Godswege geschiedt betekent dat heel vaak een keer in hun lot, hulp, bijstand, heil. Het is een daad van God, die opkomt uit Zijn verbondstrouw en uitkomt in Zijn reddend handelen. Heel duidelijk zien we dat in bijv. Ps. 31:2: ‘Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid.’

De andere kant van die gerechtigheid is dat deze gepaard gaat met het gericht van God over hen die Zijn wil hebben weerstaan. In bijv. Ps. 98 komen we zo Gods gerechtigheid tegen: ‘De HERE heeft Zijn heil bekend gemaakt, zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken. Hij zal de wereld richten in gerechtigheid.’

Daaruit blijkt ook dat het begrip gerechtigheid in het Oude Testament meer en meer een eschatologische lading krijgt: in het laatst der dagen zal God Zijn gerechtigheid volledig tot gelding doen komen.


Als Paulus zegt dat in het Evangelie gerechtigheid Gods geopenbaard wordt, moeten we dus allereerst daaraan denken: God komt met zijn heil naar de hulpeloze mens toe, God komt met zijn redding naar de bedreigde mens toe. Het is voluit een schenkende gerechtigheid. Maar het is gerechtigheid die geschonken wordt, d.w.z. het is ook tegelijkertijd datgene waardoor de mens voor God kan bestaan. Want het aspect van het gericht doet elk mens schuldig staan voor God. In Rom. 3:5 wordt niet voor niets als het over Gods gerechtigheid gaat in één adem gesproken over ‘onze onrechtvaardigheid’ over ‘Zijn toom’ over ‘oordelen’ omdat ‘zij allen onder de zonde zijn.’

Gods gerechtigheid is reddende gerechtigheid maar één die radicaal Gods oordelende gerechtigheid doet uitkomen. Juist in Christus kruisen die twee lijnen elkaar, op dat kruispunt hangt de Gekruisigde en omdat juist Hij in het Evangelie wordt verkondigd wordt gerechtigheid Gods daarin geopenbaard als een daad van God in het laatst der dagen. Het woord ‘openbaren’ (ons woord ‘apocalyptisch’ is ervan afgeleid!) is immers typisch een woord dat duidt op een ‘eindtijdgebeuren’. Juist in de gekruisigde Christus komen verlossing en gericht samen als Gods gerechtigheid in het laatst der dagen. Met Christus is de eindtijd aangebroken!


Die gerechtigheid die God schenkt in Christus kan alleen in en door het geloof ontvangen worden. ‘Uit geloof tot geloof’, d.w.z. het is van a tot z een zaak van geloof. Die uitspraak ondersteunt Paulus met een citaat uit Habakuk 2:4: ‘De rechtvaardige zal uit het geloof leven.’

De context in Habakuk is anders. Daarin gaat het over trotsen, snoevers, onrechtvaardigen die onrechtmatig gewin bijeenbrengen. De rechtvaardige is en doet anders: hij gelooft, hij vertrouwt op God, en juist daardoor zal Hij leven. De grondbetekenis blijft gelijk, maar doordat Paulus het in een andere context plaatst komt het in een ander licht te staan: nu wil het zeggen dat een mens in (niet dankzij: het geloof is middel, geen oorzaak) zijn vertrouwen op God en Zijn gerechtigheid het leven ontvangt, leven tot in eeuwigheid.


Dat nu is voor Paulus zo machtig, zo geweldig, zo bevrijdend dat hij zich voor dat Evangelie niet schaamt, ook al lijkt het voor de buitenstaander een zwak en dwaas en ergerniswekkend ‘verhaal’ omdat het het Evangelie van de Gekruisigde is.

Het is voor Paulus een kracht Gods. Speelt in die aanduiding mee dat de rabbijnen de Tora als de kracht van God aanduidden? Voor Paulus is het Evangelie een kracht Gods. Het is die kracht die zich heeft bewezen in de doortocht van Israël door de Rode Zee, in de reddende daden van God in de geschiedenis van Israël, in de woorden en werken van Jezus Christus, Zijn genezingen, Zijn dodenopwekkingen. Het is de kracht die gebleken is in de opstanding van Jezus Christus, het is de kracht waardoor de Heilige Geest werkt in en temidden van de mensen: het is reddende, genezende, herstellende kracht.

Van het Griekse woord is ons woord dynamiet afgeleid. Dat is het Evangelie van Jezus Christus: dynamiet onder de oude wereld, verloren in zonde en schuld. Dynamiet waarmee de nieuwe wereld van God, het Koninkrijk Gods, inbreekt in de oude wereld, doorbreekt als een licht in het duister.


Het is de kracht tot behoud voor een ieder die gelooft. Behoud betekent in eerste instantie: redding uit doodsgevaar. Paulus gebruikt het woord vaak met het oog op de laatste dingen, de toekomst. Maar die komt-mij-toe, en dat bepaalt dan ook het heden. We leven in het ‘heden van de toekomst’. Omdat de gelovige gered wórdt, ís hij gered!


Dat behoud is er. ‘Eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.’ Uitleggers hebben wel geprobeerd dat woordje ‘eerst’ weg te werken. Maar het komt in meer teksten in de brief aan de Rom. voor (Rom. 2:9 en 10). Anderen zien het louter historisch: God ging eerst naar Israël toe, en daarna kwam hij naar de niet-Joden toe. Dan is het dus alleen maar een historische volgorde.

Calvijn ziet er geen volgorde in, maar een rangorde: God blijft aan Israël het eerstgeboorterecht toekennen, de heidenen staan in een lagere rangorde. In die richting zullen we inderdaad hebben te denken. Immers, in Rom. 3:1-3 schrijft Paulus over het voorrecht van Joden. ‘Wat is het voorrecht van de Jood? In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.’ De rangorde rust niet op prestatie, maar op verkiezing. De Heer heeft Israël uitverkoren, om naar Zijn heilig woord te horen.


Dat verschil in rangorde blijft. En daarom is het: ‘eerst voor de Jood, en dan voor de Griek’.

Dat dat in de geschiedenis van de christelijke Kerk niet altijd serieus genomen is, meer nog, dat de christelijke Kerk een andere, een eigen rangorde ging hanteren, waarin niet de ootmoed, maar de hoogmoed t.o.v. Israël centraal ging staan, waarin de Kerk op de eerste en enige plaats kwam en er voor Joden hoegenaamd geen plaats meer overbleef, belast de verkondiging van het Evangelie bovenmate.

Waar de Kerk zich daaraan laat ontdekken en daarin laat corrigeren door het Woord van God zelf zal zij de vrijmoedigheid van Paulus ontvangen om ook een goed woord voor de Here Jezus Christus te spreken.



Gespreksvragen:

  1. Bent u het met de visie van Calvijn en Luther eens of oneens?
  2. Zijn er lijnen in het denken van Luther en Calvijn die ons kunnen helpen in onze bezinning m.b.t. de relatie Kerk-Israël?
  3. Zijn er ook dingen bij Luther en Calvijn die ons te denken moeten geven?
  4. Zou het in de Kerk meer te zien moeten zijn dat er geleefd wordt uit ‘de kracht Gods tot behoud’? Hoe zouden we daaraan gestalte kunnen geven zonder te vervallen in geforceerdheid?
  5. Is er bij de Kerk schaamte om het Evangelie te verkondigen richting Israël?
  6. Hoe kunnen we naar Israël toe vorm geven aan de roeping ‘verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is’?