Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


Martin Buber (2) - Een joodse stem over het christelijk geloof

door
ds. C. van Atten


kopjes:


in
Vrede over Israël, jg.41 nr.3


Martin Buber II

Een joodse stem over het christelijk geloof


In het laatste nummer van de vorige jaargang (dec. 1996) is het eerste deel verschenen van een drietal artikelen over Martin Buber. Nadat in het kort zijn levensloop is geschetst, is een begin gemaakt met het uiteenzetten van zijn stellingname met betrekking tot het christelijke geloof aan de hand van zijn boek ‘Twee wijzen van geloven’. De centrale vraag was ‘Is Jezus de Messias?’. In dit tweede artikel komt Bubers visie op Paulus aan de orde; tevens wordt het geheel van zijn stellingname kritisch getoetst.

Paulus

Met Paulus ging er volgens Buber een wissel om. Buber stelt dat het onder invloed van Paulus in het christendom maar niet alleen gaat om een ander geloof dan het geloof van Israël, maar ook om een andere manier van geloven, waarbij hij dan het geloof van de eerste gemeente nog rekent bij het geloof van Israël. Het is het verschil tussen ‘geloven-in’ en ‘geloven-dat’.

Het geloof van Israël, dat is een geloof dat getypeerd wordt door het hebben van vertrouwen in Iemand, door een betrekking die er is tussen de gelovige en God. Zo schrijft Buber over het geloof van Abraham: Abraham bleef uitzien naar JHWH, gaf zich over aan JHWH. En als hem dat tot gerechtigheid wordt gerekend heeft dat volgens Buber niets te maken met rechtvaardigmaking, maar wordt daarmee gezegd dat Abrahams geloof door God werd beschouwd als waarmaking, realisering van zijn vertrouwen in God.

Maar het geloof van de christenen is niet primair een relatie hebben met God, maar veelmeer een ‘geloven-dat’. Het is een geloven dat God bestaat, dat Jezus de Messias is, dat God een mens vrijspreekt van schuld en straf.

Bij Buber moet vooral Paulus het ontgelden. Paulus heeft het geloof van de eerste gemeente ‘vergriekst’. Bij Paulus gelooft Abraham niet in God in de zin van een vertrouwend uitzien naar Hem, maar is het meer een geloof dat Abraham vrijgesproken wordt van de straf. Met Paulus komt het geloof terecht in een afwegen van schuld- en onschuldposten. Jezus komt op voor de vervulling van de tora, maar Paulus bestrijdt de vervulbaarheid van de tora. Bij Paulus is de tora niet gegeven om vervuld te worden, maar om de zonde te voorschijn te brengen en zo voor de genade en de Verzoener Christus de weg te banen, een ‘tussenwezen’, en het komt er dan op aan te geloven dat Jezus de Christus, de Verzoener, de Middelaar is.

Buber gaat zelfs zo ver dit alles als gnostisch te bestempelen. Dat staat volgens Buber ook niet los van een Griekse manier van denken bij Paulus, waaraan volgens hem ook het vroeg-talmoedisch jodendom (het jodendom zoals we dat tegenkomen in vroege gedeelten in de Talmoed) en het Alexandrijnse jodendom niet aan ontkomen zijn en waar Paulus door beïnvloed geweest moet zijn. Paulus ‘helleniseerde’ het geloof van de beweging rondom Jezus van Nazareth, en daarvan zegt Buber: ‘Wanneer ik deze God beschouw, herken ik Jezus niet meer terug, in deze wereld vind ik de zijne niet meer terug.’


Buber komt wel tot de erkenning dat het geloof in Christus veel heeft betekend voor veel mensen. Hij haalt een overleden vriend van hem aan, die, toen deze sprak over de zwaarste tijd van zijn leven, zei: ‘Ik zou het niet overleefd hebben als ik Christus niet had gehad.’ Hetzelfde vond hij terug bij o.a. Nathan Söderblom en Dostojevski. Hetgeen Buber brengt tot de uitspraak: ‘In dit alles zie ik een sterk bewijs van het heil dat door het Christusgeloof tot de mensen gekomen is: zij verkregen een God die in de uren waarop voor hen de wereld ineenstortte hen niet in de steek liet, ja, wat meer is, die hun in de uren waarop zij zich in schuld voelden wegzinken, de verzoening schonk.’ Maar: ‘Het geloof van het Jodendom en het geloof van het Christendom zijn wezensverschillend en zullen ook wel wezensverschillend blijven.’

Doet Buber recht aan het christelijk geloof?

Er is tegen de gedachtengang van Buber m.b.t het christelijk geloof wel het een en ander in te brengen.

Alleen al de manier waarop Buber een tegenstelling construeert tussen Jezus en Paulus roept grote vragen op.

Overigens komt dit procédé niet alleen bij Buber voor, we komen het ook tegen bij diverse christelijke theologen. Men probeert dan terug te gaan achter de woorden van de evangeliën naar de historische Jezus, de ‘echte’ Jezus. Alles wat in de evangeliën niet zuiver Joods is is dan onecht en historisch niet betrouwbaar, en zo houdt men een ‘Joodse’ Jezus over, een grootse rabbi, waarvan veel valt te leren door Joden en niet-Joden. Paulus is bij hen de grote boosdoener, want hij heeft van een oorspronkelijk Joodse wijze van geloven en leven een hele andere godsdienst gemaakt door het te ‘vergrieksen’, met een ander woord: te ‘helleniseren’.


Nu leerde Prof. Versteeg al dat het een onmogelijke zaak is om achter de woorden van het Nieuwe Testament terug te gaan en te zoeken naar zoiets als de ‘echte’ Jezus. Dat hele beeld van de ‘echte’ Jezus steunt dan op zoveel vermoedens en misschiens, dat de historische waarde ervan nihil is. Het resultaat daarvan is doorgaans dat men een Jezus krijgt die men van te voren wilde hebben. De uitkomst van het onderzoek wordt dan vanzelf identiek aan de vooronderstelling bij het onderzoek. De Jezus die we aantreffen in de betrouwbare en door de Geest geïnspireerde geschriften van het Nieuwe Testament is de enige Jezus die we kunnen kennen en is de ‘echte’ Jezus. En wat is het verschil tussen Jezus die bij de instelling van het Avondmaal zegt: ‘Want dit is het bloed van mijn verbond dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’ en Paulus die zegt: ‘Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel’?


Fundamentele kritiek op Buber is gekomen o.a. van de gezaghebbende Rooms-Katholieke Buberkenner John M. Oesterreicher, directeur van het Instituut voor de bestudering van de relatie Jodendom-Christendom in New-Jersey, die ook diepgaande invloed gehad heeft op ‘Nostra Aetate’, een document afkomstig van hetTweede Vaticaans Concilie waarin gepleit wordt voor een nieuwe benadering van de Joden door de R.K.K. In zijn boek ‘The Unfinished Dialogue. Martin Buber and the Christian Way’ gaat Oesterreicher in op Bubers these van de hellenisering van het Christelijk geloof: Oesterreicher noemt dat een misvatting en toont aan dat het historisch precies andersom was. Wat in feite gebeurde is dat het christendom het griekse denken gebruikte en omvormde om het dienstbaar te maken aan de verbreiding van het christelijk geloof. Het griekse woord persona, waarvan ons woord persoon is afgeleid betekende oorspronkelijk: masker. Het christendom nam dit begrip in dienst en vulde het met een bijbelse inhoud, waardoor het de betekenis kreeg van: een individu, begiftigd met verstand en wil. Van dit proces zouden vele andere voorbeelden te nomen zijn. Het christelijk geloof ‘doopte’ de culturen waarin het terecht kwam om het zo in dienst te nemen van de verbreiding van het Evangelie.

Bijziend

Oesterreicher heeft ook scherpe kritiek op het beeld dat Buber schetste van Paulus. Hij gaat zelfs zover te stellen dat Buber een aversie had tegen Paulus, en dat hij daardoor niet bij machte was de brieven van de apostel naar waarde te schatten; die aversie maakt Buber volgens Oesterreicher zelfs bijziend waar het om Paulus ging. De christelijke theoloog Emil Brunner had eerder het boek van Buber al een totaal-aanval op het christelijk geloof genoemd.

Veelzeggender is wellicht het geluid van de Joodse geleerde Ernst Simon, een vriend van Buber die na diens dood zijn geschriften hielp uitgeven. Simon vergelijkt Buber met een andere beroemde Joodse geleerde, met wie Buber de Tenach in het Duits vertaald heeft, Franz Rosenzweig. Deze Rosenweig achtte het christelijk geloof gelijkwaardig aan zijn eigen Joods geloof en Simon stelt dat Bubers scherpe polemiek met het christelijk geloof, in vergelijking met de houding van Rosenzweig, ronduit buitenproportioneel is. En als Buber stelt dat Paulus een onjuiste visie had op de Wet moet beseft worden dat Bubers eigen visie op de Wet met name bij Joden niet kan rekenen op waardering. De conclusie van Oesterreicher is: Buber deed geen recht aan Paulus.


En ook Bubers visie dat het in het christelijk geloof niet zou gaan om een houding van vertrouwen maar alleen om een verstandelijk toestemmen van de waarheid houdt het bij Oesterreicher niet lang uit. Hij wijst op de belijdenis van Pascal die hij in de zoom van zijn jas altijd bij zich droeg en waarin zo overduidelijk het persoonlijk vertrouwen van Pascal in de God en Vader van Jezus Christus uitkwam:

‘God van Abraham, God van Izaak, God van Jakob. Niet de god van de filosofen en geleerden. Zekerheid, zekerheid, vreugde, vrede. God van Jezus Christus.’


Of zoals John Newman het zei: ‘Wij geloven omdat wij liefhebben.’ Geloven-in en geloven-dat hoeven niet tegenover elkaar te staan. Geloven-dat kan alles te maken hebben met geloven-in als een persoonlijke relatie. Is er niet een wijze van geloven-dat die regelrecht voortvloeit uit geloven-in?


De kritiek van Oesterreicher en anderen op Buber liegt er niet om, maar snijdt wel hout. De wijze waarop hij het christelijk geloof weergeeft roept vele en grote vragen op.

Terecht wordt in Joodse kringen de laatste tijd opgeroepen tot een juiste weergave van de christelijke godsdienst, zoals trouwens christenen elkaar blijvend moeten oproepen tot een correcte weergave van de Joodse godsdienst. Beide oproepen zijn broodnodig.


Toch moeten we er waardering voor hebben dat Buber in dialoog wilde treden met het christelijk geloof en dat hij zich zo lang en zo diepgaand met het christelijk geloof heeft bezig gehouden, juist omdat er zoveel gebeurd is in de geschiedenis. Hij schroomt ook niet eerbied op te brengen voor de grote betekenis die het christelijk geloof voor zeer veel mensen heeft gehad. Hij beschrijft in één van zijn boeken op ontroerende wijze dingen die hij wat dat betreft heeft meegemaakt binnen zijn vriendenkring. Al in 1911 deed hij een pleidooi in Joodse richting om ‘onze bijgelovige afschuw t.o.v. de beweging van de Nazarener te overwinnen.’ Daar is grote moed voor nodig geweest! Ook al moeten we vaststellen dat zijn weergave van het christelijk geloof grote vragen oproept, hij ging de ontmoeting aan: diepgaand en open. En juist ook door het begrip ontmoeting zo centraal te stellen heeft hij velen aan zich verplicht, juist ook onder hen die bezig zijn in de relatie Kerk-Synagoge.


Gehoopt mag worden dat die ontmoeting doorgaat, dat er bij christenen een correct beeld mag ontstaan waar het de Joodse godsdienst betreft, en dat er bij Joden een helder licht mag vallen op Messias Jezus. Dat licht waarvan de Schriften zeggen: ‘In Uw licht zien we het licht!’