Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


‘Gras zal uit je kaken groeien’ - Messianisme in joods-apoc. lit., in Qumran, en bij rabbijnen

door
ds. M.W. Vrijhof


kopjes:


in
Vrede over Israël, jg.41 nr.5

‘Gras zal uit je kaken groeien..’

Messianisme in de joods-apocalyptische litteratuur, in de geschriften van Qumran en van de rabbijnen

Een complex begrip

Het schrijven van dit artikel heeft veel weg van het schrijven van een roman op de achterkant van een sigarendoos. Met het begrip ‘messianisme’ wordt namelijk een zeer complex begrip aangeduid. In zeer algemene bewoordingen kun je zeggen: het gaat in messianisme om een heilvolle toekomstverwachting. Maar hoe die toekomst zich zal realiseren, wanneer en door wie zijn vragen waarop binnen het jodendom zeer verschillend is geantwoord.

Eén ding is echter wel duidelijk: die verwachting van de heilvolle toekomst is, naar de mening van de joodse nieuwtestamenticus David Flusser, altijd aan het jodendom eigen geweest, omdat het gegeven is met de Naam van God, die de Schepper is. De Schepper zal de Voltooier zijn. Ook A.S. van der Woude stelt dat de messiaanse verwachting in Israël gefundeerd is niet op teksten die uitdrukkelijk over de Messias gaan (zoals bijvoorbeeld 2 Sam. 7), maar op de zelfopenbaring van God, zoals die tot Mozes kwam in de woorden ‘Ik ben die Ik ben’ (Ex. 3).


Inmiddels zijn de twee centrale begrippen genoemd die aan de orde moeten komen: messianisme en messias. Messianisme is afgeleid van het hebreeuwse woord messias, dat gezalfde betekent. Het nieuw-testamentische woord is christos.

In het Oude Testament is een messias een mens, die van God een opdracht krijgt en daartoe gezalfd wordt. Zulke gezalfden kunnen koningen zijn (1 en 2 Samuël), de hogepriester (Lev. 4), maar ook een buitenlands vorst als Cyrus (Jes. 45). Verder noemen we de gezalfde(n) van Ps. 105:15 (de aartsvaders?) en Dan. 9:25 (de hogepriester?). Al deze messiassen zijn historische personen.

Het begrip ‘de messias’ als vaststaande technische term voor de redder in de eindtijd komen we in het Oude Testament niet tegen. Uiteraard komen we wel andere termen tegen, die spreken van een redder in de eindtijd: zoon van David, Zoon des Mensen enz.


Onder messianisme verstaan we de joodse toekomstverwachting. Deze is echter meer dan de joodse messias-verwachting. Er wordt in de joodse geschriften op vele plaatsen (en dat geldt ook voor het Oude Testament) over de toekomstverwachting gesproken zonder dat er sprake is van een (of dé) messias. Zie bijvoorbeeld het bekende visioen van het vrederijk (Jes. 2). Meestal is het God zelf die de heilvolle toekomst zal realiseren.

Deze enkele aanduidingen geven al aan hoe complex de zaak van het messianisme is. De bedoeling van dit artikel is om in kort bestek iets te laten zien hoe in joodse kringen buiten het Oude Testament over de heilvolle toekomst is gedacht.

De apocalyptische litteratuur

De bloei van de apocalyptiek kunnen we plaatsen tussen Oude en Nieuwe Testament.

In die periode verschenen er joodse geschriften die een voortzetting wilden zijn van de profetie in Israël, maar die tegelijk andere accenten legden en nieuwe elementen naar voren brachten. Er zijn in de loop der tijden vele van dergelijke geschriften opgedoken. We noemen er enkele: de boeken van Henoch, de testamenten van de Twaalf Patriarchen, het boek der Jubileeën, IV Ezra, de Hemelvaart van Mozes, de Apocalypse van Elia. Deze geschriften geven ons een indruk van het gedachtengoed in bepaalde delen van het joodse volk van die dagen.

Onderzoekers leggen dikwijls een verband tussen het ontstaan van deze litteratuur en de moeilijke situatie waarin het joodse volk in die periode verkeerde. Het volk werd door Syrische heersers met zeer harde hand onderdrukt. In een dergelijk klimaat grepen joodse geestelijke leiders naar hoopvolle woorden uit oude tijden, die zij met hun eigen inzichten versterkten. Maar hadden de profeten zich nog gewend tot heel het volk, de apocalyptici richtten zich meestal tot bepaalde groepen van ingewijden.

Kenmerkend voor de apocalyptische litteratuur is - in grove lijnen - het schrijven onder een pseudoniem, het onthullen van geheimenissen die niemand kennen kan (meestal door hemelse tussenpersonen), het gebruik van symbolische taal (met name dieren als symbool voor volken of rijken), verdeling van de geschiedenis in perioden, verder ook de getallensymboliek. Het verloop van de geschiedenis doet zich aan de apocalyptische schrijvers voor als een onvermijdelijk verloop van gebeurtenissen. Dit min of meer in tegenstelling tot de profeten, die telkens ruimte laten voor omkeer. Ook gebruiken apocalyptici graag scherpe contrasten, zoals die tussen goed en kwaad, licht en duister, Israël en de vijanden, oude wereld en nieuwe wereld.

De toekomstverwachting van de apocalyptici stijgt uit boven nationale grenzen van het volk Israël, ja zelfs boven aardse grenzen. De heilvolle toekomst zal een exclusief ingrijpen van God zijn. En dan zal de ‘gouden eeuw’ aanbreken. Over de messias wordt niet veel gesproken in de apocalyptische litteratuur. Vele apocalyptische geschriften maken helemaal geen melding van een (of dé) messias, terwijl zij wel over de toekomst spreken. Waar wel over een messias wordt gesproken krijgt zijn gestalte steeds meer buitenaardse kenmerken. Hij wordt een hemelse figuur, die van Godswege het paradijs op aarde zal doen weerkeren. Er is in apocalyptische geschriften een voorliefde voor de gestalte van de ‘zoon des mensen’, ook wel ‘de mens’ genoemd. Soms, zoals in de Gelijkenissen van Henoch, is deze gestalte dezelfde als de messias. Hij is echter geen mens en geen zoon van David, maar een hemelse gestalte.

De geschriften van Qumran

In de tweede eeuw voor Christus ontstond er onder grote delen van het joodse volk een fel verzet tegen de opgedrongen Griekse cultuur (het hellenisme). Onder leiding van de Makkabeeën werden de Syrische overheersers verslagen. Na vele jaren ontstond er weer een eigen Joodse staat. Na verloop van tijd trokken de Makkabeeën steeds meer macht naar zich toe. Niet alleen politieke macht, maar ook religieuze. Zij wisten zich in te dringen in de tempelaristocratie, waar zij het hogepriesterschap voor zich opeisten. Nu verenigden zij in hun persoon het koningschap en het hogepriesterschap. Hiertegen rees fel verzet, met name ook in priesterkringen.

Er waren er die zich om deze en andere redenen (o.a. een kalender-wisseling) van de tempel afkeerden. Tot hen behoorde de gemeenschap van Qumran, een bepaalde esseense groep, die zich vestigde in de woestijn en daar een heilig leven probeerden te leiden. Deze groep beschikte over een grote bibliotheek, die zij - toen de gemeenschap van buitenaf bedreigd werd -heeft weggeborgen in grotten in de woestijn van Judea. Daar werden ze in 1948 teruggevonden: de zogenaamde Dode Zee rollen. Een deel van de gevonden manuscripten heeft betrekking op het leven van deze gemeenschap van Qumran. We kunnen eruit opmaken dat zij in de verwachting leefden dat de eindtijd aanstaande was en dat de aanloop naar de eindtijd gekenmerkt zou worden door de strijd van de zonen van het Licht (gemeenschap van Qumran) tegen de zonen van de Duisternis. Ook meenden zij dat er twee messiassen zouden verschijnen: de messias van Aäron (uit het huis van Zadok) en de messias van Israël (uit het huis van David). Opmerkelijk is dat de priester-messias een veel belangrijker rol vervuld in de eindtijd dan de koning-messias.

De rabbijnse litteratuur

De term ‘rabbijnse litteratuur’ is een veel omvattende verzamelnaam. We hebben namelijk in het rabbijnse jodendom te maken met een stroming, die is opgekomen na de terugkeer uit de ballingschap en zich gezet heeft in de voetsporen van de wetgeleerde Ezra, die zich later min of meer organiseerde in het farizeese jodendom en die na de verwoesting van de tempel (in 70 na Chr.) de enige factor van betekenis in het jodendom werd en dat ook gebleven is tot op de huidige dag.

Deze stroming aanvaardt de tora (vijf boeken van Mozes) en de Profeten als gezaghebbend. Zij gaat ervan uit dat aan Mozes niet alleen de schriftelijke tora is geopenbaard maar ook de mondelinge tora. Zij sluit zich nauw aan bij de profeten. Ook neemt zij in de loop der tijden apocalyptische elementen over.

In de vroege rabbijnse overleveringen (200 voor - 70 na Chr.) komen we nauwelijks de titel messias tegen. Dat is opmerkelijk, omdat die tijd gekenmerkt werd door een sterk messiaanse verwachting, vooral ook na de komst van de Romeinen in 63 voor Chr. Maar men gebruikte andere titels om aan die verwachting uitdrukking te geven en men bleef sterk benadrukken dat God zelf de bevrijder van Israël zal zijn.

Een rabbijns geschrift waarin we wel de titel messias tegenkomen is het boek ‘Psalmen van Salomo’ (ong. 50 voor Chr.). Daar wordt gesproken van ‘de gezalfde des Heren’ en ‘Zijn gezalfde’. Ook komen we in dit geschrift de verwachting tegen van een koning uit het huis van David. Juist deze verwachting van het herstel van het Davidshuis is dominant in de rabbijnse stroming. Allerlei apocalyptische voorstellingen bekeek men met argwaan.

Men verklaart de terughoudendheid in de rabbijnse overlevering ten aanzien van het messianisme als volgt: omdat vanuit apocalyptische kringen de messiaanse verwachtingen hoog opgezweept waren gaven de rabbijnen er de voorkeur aan deze verwachtingen te temperen.

Toch heeft deze terughoudendheid niet kunnen verhinderen dat groepen Joden zich gewapenderhand tegen de Romeinen hebben verzet. Dit leidde tenslotte tot de grote opstand van 66 na Chr. (verwoesting van de tempel in 70) en de Bar Kochba-opstand van 132-135 na Chr.

De opstand van Bar Kochba moet verklaard worden uit de poging van de Romeinen om van Jeruzalem een romeinse stad te maken met een heidens tempel. Deze Bar Kochba werd door velen beschouwd als messias. Dat deed ook de grote rabbi Akiva. Hij zag in Bar Kochba (zoon van de ster) de vervulling van Num. 24:17 ‘Een ster gaat op in Jakob...’. Maar vele rabbijnse collega’s bleven er grote moeite mee houden om zo concreet iemand als messias te benoemen. Het meest afwijzend was de reactie van rabbi Jochanan ben Torta: ‘Gras zal uit jouw kaken groeien, Akiva, voordat de zoon van David komen zal.’ Dit tekent de rabbijnse houding. Men verwacht de zoon van David, maar elke concrete invulling is verdacht.

Later zal Franz Kafka daar uitdrukking aan geven door te zeggen: ‘de messias zal komen... één dag na de komst van het messiaanse rijk’.