Joodse datum

14 adar 5779

ΦΉBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


Waarover spraken wij? (3)

door
ds. H. Biesma


kopjes:


in
Vrede over IsraΓ«l, jg.42 nr.3

Waarover spraken wij...? (3)


Ooit is in onze kring geprobeerd een goede formulering te vinden voor het kernpunt van de ontmoeting met Israël. Vanzelfsprekend zou daarin de betekenis van de Heilige Schrift een plaats moeten hebben - maar hóé? Als joden en christenen nu eens sámen op zoek zouden gaan naar de wezenlijke inhoud daarvan, zou men dan niet uitkomen bij Hém die door Israël verwacht en door de kerk beleden wordt als de Messias? Zou de ‘klaarblijkelijkheid’ van alles wat op Hem betrekking heeft ons dan niet helder voor ogen komen? Hier wordt m.i. een zinnige weg gewezen. Alleen: er zijn dan wel enkele vóórvragen te stellen. Bijvoorbeeld: hóé lezen we de Schriften? op dezelfde wijze of verschillend? Ja, lezen we eigenlijk wel dezelfde ‘bijbel’? Dát was een van de volgende bezinningspunten, waarover we met elkaar van gedachten wisselden in de rust van de Elspeetse bossen. Inleidingen werden gegeven door prof. dr A. van der Heiden en drs J.K.G. Littooij beide over het onderwerp: ‘LEZEN JODEN EN CHRISTENEN DEZELFDE BIJBEL?’
Van lezingen en discussie probeer ik een samenvatting te geven.

1

Wie de neiging heeft bovenstaande vraag bevestigend te beantwoorden, moet dan natuurlijk wel het tweede deel van de bijbel - het N.T. - buiten beschouwing laten. Immers, dát (er)kennen de joden niet.

Men kan dan zoeken naar gemeenschappelijke zaken die als elementair kunnen worden beschouwd. Daarvan zijn te noemen: het geloof in één persoonlijke God die Schepper is en Koning van de wereld. Voorts dat die unieke God Zich geopenbaard heeft door de dienst van Mozes en de profeten. In die openbaring is ons de norm gegeven voor goed en kwaad. Op grond van die openbaring mag de mens - geschapen uit stof en daarom nietig - gezien worden als ‘beeld Gods’. En die mens is geroepen deze éne God lief te hebben en te dienen in een leven dat gekenmerkt wordt door ‘de vreze des Heren’. Maar daarmee houden eigenlijk de overeenkomsten ook al op...

2

  1. Meteen valt al op dat de joden hun ‘heilige Schrift’ - wat wij het ‘oude testament’ noemen - anders indelen dan wij. Wat ik vroeger op catechisatie leerde - dat het O.T. onder te verdelen is in ‘historische, profetische en dichterlijke boeken’ - zal onder de meesten van ons nog wel gemeengoed zijn.
  2. De joden gaan ook uit van een drie-deling, nl. Tora, Nebi’im en Khetubim: Wet, Profeten en Geschriften. Uit de eerste letter van die drie woorden is de aanduiding TeNaKh ontstaan. Daarbij moet vermeld worden dat de (vroege) ‘Profeten’ reeds beginnen bij Jozua; ook het door ons ‘historisch’ genoemde boek Koningen hoort daarbij; en Kronieken, dat wij ook als ‘historisch’ opvatten, valt bij de joodse indeling onder de ‘Geschriften’ en wel als laatste daarvan. Dat Jezus deze indeling ook al kende, mag blijken uit Matt. 23:35, waar verwezen wordt naar de moord op Zacharias, vermeld in II Kron. 24.

    De joodse drie-deling is te beschouwen als bestaande uit drie concentrische cirkels: de binnenring is de ‘Tora’; dat woord betekent: onderwijzing, instructie. Deze Tora wordt beschouwd als de basis van TeNaKh. Daaromheen, als tweede cirkel, dan de ‘Profeten’, die telkens weer terugroepen tot de door God gegeven instructies, zoals die gestalte hebben gekregen in verbond en gebod. De derde cirkel bevat de ‘Geschriften’, waarvan de hoofdinhoud is dat ze een reactie zijn op Gods bemoeienis in geschiedenis, verbond en regelgeving. Zo vallen niet alleen de Psalmen en de zgn. ‘wijsheidsliteratuur’ daar onder, maar ook een boek als b.v. Ruth en Esther.

  3. Naast de schriftelijk vastgelegde leer in de Tora kent het jodendom ook een mondelinge overlevering, eveneens via Mozes aan Israël gegeven. Deze is te beschouwen als een ‘memorie van toelichting’, in de rabbijnse traditie uitgewerkt en gebundeld in de midrasj. Deze mondeling overgeleverde en schriftelijk gefixeerde ‘leer’ is de basis van de levenspraktijk van het orthodoxe jodendom. Om het met een wat ‘reformatorisch’ aandoende uitdrukking te zeggen: schrift en traditie zijn gelijkwaardig.
  4. Omdat de overgeleverde teksten functioneren in de ontmoeting met de praktijk van het leven, gaan interpretatie en toepassing ook niet buiten die praktijk om. Gezocht wordt naar de relatie tussen ‘woord’ en mens; en daarmee heeft de toepasbaarheid een flexibel karakter. Daardoor wordt ook de indruk gevestigd dat een bijbeltekst verschillende betekenissen kan hebben. Een rabbijnse uitspraak zegt dat de Tora ‘70 gezichten’ heeft. De uitleg varieert van begrijpelijk en kundig tot gekunsteld en vergezocht.
  5. Hoewel de Hebreeuwse tekst op het eerste lezen voor iedereen begrijpelijk kan zijn, blijft men niet altijd bij de ‘letterlijke’ betekenis staan. Men probeert in diepere betekenislagen door te dringen: er staat - in veel gevallen - méér dan wat er staat! Zo kan er ‘een deken van interpretaties’ over TeNaKh heen liggen.

De vraag van prof. v.d. Heiden was: lezen de joden wel dezelfde bijbel? of althans: op dezelfde wijze?

3

Ook aan christelijke zijde valt een grote variatie aan lezen en verstaan op.

  1. Augustinus moet al gezegd hebben: ‘wat in het OT verborgen is, wordt in het NT openbaar’. In de loop van de jaren is men het NT als méér gaan beschouwen dan ‘het verklarend woordenlijstje’. Eigenlijk is men ervan uit gegaan dat de uitleg van het NT normatief is voor die van het OT. Dat gold met name de zgn. ‘Messiaanse’ teksten. Het heeft er wel toe geleid dat men veelal het NT als ‘een deken’ over het OT heeft gelegd.
  2. Het NT lezen vanuit het centrum - Christus als de vervulling der Schriften - heeft z’n terugslag op het lezen van het OT. Ook daarin werd dan gezocht naar ‘wat Christus openbaarde’. En dat heeft wel eens geleid tot de - m.i. wat goedkope - gedachte dat men over élke tekst uit het OT ‘christologisch’ zou moeten (kunnen) preken.
  3. In de reformatorische traditie zijn verschillende accenten gelegd. Vanuit zijn ‘ontdekkersvreugde’ over de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof, is het niet verwonderlijk dat Luther zo het hele NT las en daarom met de brief van Jacobus niet zo goed uit de voeten kon. Vanuit diezelfde achtergrond kan men dan ook - teruglezend - het OT benaderen. Een ander aspect kan zijn dat van de ‘heiliging’. Of dat van het Koninkrijk van God.
  4. Een voorbeeld van het onder b) genoemde is de uitleg van of de visie op b.v. Jesaja 53. Dat wordt onder ons geheel gelezen vanuit Hand. 8 e.a. plaatsen uit het NT. Het spreekt vanzelf dat de joodse leeswijze een geheel andere kant op gaat en dat men in de ‘lijdende knecht’ in eerste instantie denkt aan de profeet zélf of aan het volk dat hij vertegenwoordigt.
  5. In de christelijke traditie spelen ongetwijfeld aberraties uit de kerkgeschiedenis mee: een man als Marcion (2e eeuw) vond het OT maar minderwaardig: een joods boek over veehandelaren en souteneurs, één van de meest verderfelijke boeken van de mensheid... Hij creëerde ook een forse tegenstelling tussen de God van het OT (Schepper, straf en wraak) en de God van het NT (liefde, Vader van Jezus Christus). Nog zijn er mensen die menen dat het eigenlijke pas in het NT aan het licht komt. Niet dat daarmee voor hen het OT heeft afgedaan, maar tóch... het wordt wél als ‘minder’ beschouwd. Een uitwas van de Marcionitische opvatting is heel duidelijk aan de dag getreden in het nazi-Duitsland van voor en tijdens de tweede wereldoorlog: een volk van zó’n God en met zó’n boek kón en mocht je toch niet ongemoeid laten...
  6. In tegenstelling tot het aardse, zoals dat in het OT meer naar voren komt, menen christenen dat het eigenlijke doel van geloven en gelovig leven ligt in het ‘hiernamaals’: is in de plaats van b.v. de landbelofte voor Israël niet het Koninkrijk van God gekomen dat al het aardse te boven gaat?

Terecht heeft prof. v.d. Heiden gesteld dat het christelijk lezen van de bijbel zeer gecompliceerd is geworden. En ook hierbij was zijn vraag: lezen christenen wel dezelfde bijbel?

4

Naast het feit dat de verhouding tussen OT en NT ons tot voortdurende bezinning noopt, hebben we te maken met enkele onontwijkbare vragen van joodse zijde. Om een enkele te noemen: hoe leest u Jes. 53? Is in de belijdenis van de ‘drie-eenheid’ het monotheïsme niet bezoedeld door heidense elementen? Aan christelijke zijde kan gevraagd worden: hoe ‘ontjoodst’ hebben we Jezus, die we als de aan Israël beloofde Messias belijden?

5

Twee conclusies sprongen uit deze bezinning naar voren:

  1. veel nieuws hoorden we niet, maar wel zijn vanuit inleidingen en besprekingen opnieuw allerlei zaken op ons af gekomen, waarvan nadere studie gewenst is.
  2. gelet op het gehoorde is het gevoel ontstaan dat er weinig aanknopingsmogelijkheden zijn aangereikt voor de vraag hoe joden en christenen samen de Schriften kunnen lezen.

Bij mezelf zijn ook wat vragen blijven leven of zelfs sterker geworden. Zoals b.v.: is er onder ons voldoende duidelijkheid over en inzicht in de verhouding tussen OT en NT? laten wij het OT voldoende uitspreken? - Wat is het ‘tegoed’ van het OT, wat staat er nog ‘open’, voor Israël en voor de volken? - kunnen wij iets leren van de joodse wijze van exegetiseren?

Ook is bij me blijven haken de opmerking van Buber, die ik in een ander verband las: ‘het OT is de voorhof van de kerk, voor het jodendom is het het heiligdom zelf’.


P.S.: voor wie zich wat meer in deze materie wil verdiepen, kan geattendeerd worden op twee boekjes:

  • dr C.J. den Heijer, Eén Bijbel - Twee Testamenten, Kok, Kampen 1992, ISBN 90 242 2276 1/CIP
  • Lezen joden en christenen dezelfde bijbel? Kok, Kampen 1990 (OJEC-serie nr 8) ISBN 90-242-4895-7