Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Trefwoord

Samenvatting van de geboden

Info over het artikel


Liefhebben: Hart van Wet en Profeten. Gedachten bij ‘de hoofdsom van de wet’

door
ds. M.W. Vrijhof

in
Vrede over Israël, jg.44 nr.5

Liefhebben: Hart van Wet en Profeten

Enkele gedachten bij ‘de hoofdsom van de wet’; Mattheüs 22:34-40, Markus 12:28-34, Lukas 10:25-37


Er zijn christenen die menen dat het Christendom getypeerd moet worden als de godsdienst van de liefde en het Jodendom als de godsdienst van de wet. En men trekt daaruit de conclusie dat het Christendom superieur is aan het Jodendom. Wat gaat er immers boven de liefde? Men meent zelfs deze gedachte over de superioriteit van het Christendom te kunnen terugvoeren op Jezus zelf. Want, zegt men, het is Jezus zelf geweest, die zijn volgelingen geleerd heeft God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf.

De vraag die we onder ogen willen zien in deze Schriftstudie is of dit inderdaad juist is. Is het woord over de liefde exclusief van Jezus? Gaan bij deze woorden over de liefde de wegen van Christendom en Jodendom uit elkaar?


Wie de drie gedeelten in het Nieuwe Testament, die over het liefdegebod gaan (Matth. 22:34-40, Marcus 12:28-31, Lucas 10:25-37) nauwkeurig leest zal ontdekken dat Mattheüs en Marcus de samenvatting van wet en profeten doorgeven als woorden van Jezus, maar dat Lukas dezelfde samenvatting laat komen uit de mond van een wetgeleerde. Blijkbaar is de samenvatting (het bij elkaar plaatsen van deze twee geboden) niet een gedachte van Jezus alleen geweest. Het laat zich denken dat in die tijd de gegeven samenvatting algemeen bekend was.

Daar moet echter wel bij aangetekend worden dat we dit bij elkaar noemen van het liefhebben van God én het liefhebben van de naaste buiten het Nieuwe Testament vóór en tijdens Jezus’ leven op aarde nergens tegenkomen. Dit zou er volgens geleerden op wijzen dat de samenvatting wel degelijk als iets eigens van Jezus moet worden gezien. Het wordt zelfs een ‘absoluut novum’ genoemd door Martin Hengel.

Maar dan is weer de vraag: hoe komt zo’n wetgeleerde in Lukas 10 er dan aan? Je ziet dan dat exegeten hun toevlucht nemen tot de gemeente-theologie. Aan de wetgeleerde wordt iets in de mond gelegd dat echter het gedachtengoed weergeeft van de (latere) kerk.


De inhoud van de samenvatting is genomen uit het Oude Testament. Uit Deut. 6:5 en Lev. 19:18. De inhoud is dus niet door Jezus (en andere tijdgenoten) zelf bedacht. Iedere wetgetrouwe Jood kende deze woorden.

Het nieuwe is dat deze twee teksten zijn samengevoegd en tot elkaar in nauwe betrekking zijn gebracht. Het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste staan, in ieder geval volgens de weergave van Mattheüs en Markus, onder één noemer: wat is het grote (of eerste) gebod van de wet?

En in hun onderlinge relatie staan ze tot elkaar als eerste en tweede gebod. Maar daarbij moet direct gezegd worden: het tweede is aan het eerste gelijk. Je kunt ze niet tegen elkaar uitspelen. Overigens komt deze terminologie van eerste en tweede gebod niet voor bij Lukas. Daar zet de wetgeleerde de beide citaten uit het Oude Testament naast elkaar, slechts verbonden door het woordje ‘en’.


Opmerkelijk in de terminologie is ook dat Mattheüs en Markus nog andere uitbreidingen hebben.

Bij Mattheüs sluit Jezus af met de woorden ‘aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten’.

En bij Markus is er niet alleen in de mond van Jezus een andere afsluiting ‘een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet’, maar er is ook een ander inleidend woord: ‘Hoor Israël, de Here, onze God, de Here is één...’. Terwijl bij Markus ook heel opvallend is dat de antwoordende schriftgeleerde de conclusie trekt: ‘Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben ... en de naaste als zichzelf is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.’


Opmerkelijk mag genoemd worden dat op de vraag naar het grote gebod door Jezus en ook door die wetgeleerde bij Lukas niet verwezen wordt naar de tien woorden (Ex. 20), terwijl dat toch de woorden zijn die door God zelf geschreven zijn op de stenen tafelen.

Nu is het altijd moeilijk om iets te verklaren uit hetgeen niet gezegd is. Maar het laat zich denken dat juist deze twee geboden zijn gekozen, omdat ze op hun beurt een samenvatting zijn van de eerste en de tweede tafel, namelijk de omgang met God en de omgang met de naaste. Jezus eindigt ook zijn woorden in Matth. met te zeggen: aan deze twee geboden hangt de ganse wet (en de profeten).


Het is van belang de woordkeus in de gaten te houden. Mensen die zeggen dat Jezus de liefde in de plaats doet komen van de wet doen de teksten geweld aan. Want als Jezus over het liefhebben van God spreekt noemt Hij dat het eerste gebód. En zo ook het liefhebben van de naaste: het tweede gebód! En opnieuw noemen we de slotwoorden: ‘aan deze twee gebóden hangt de ganse wet en de profeten.’ Het gaat hier zonder enige twijfel over geboden! Gij zúlt liefhebben...! Het is dus veel te simpel vanuit genoemde gedeelten de liefde (die Jezus zou prediken) te zetten tegenover het gebod (dat de Joden zouden leren).

Hier vinden we het grote misverstand ten aanzien van het joodse dienen van God. Alsof dat een dienen zou zijn zonder liefde, enkel uit gehoorzaamheid. Met daarbij ook het andere grote misverstand ten aanzien van het christelijke dienen van God. Alsof dat een dienen zou zijn zonder gehoorzaamheid, enkel in liefde. Ook liefhebben heeft Jezus als gebod aan zijn volgelingen doorgegeven!

Het is zelfs het eerste en het tweede gebod. Dat wil niet zeggen dat er volgens Jezus slechts twee geboden zijn. Het gebod tot liefhebben is niet de opheffing of vervanging van de tora en de profeten. Maar het is volgens Jezus en zijn tijdgenoten de wil van God dat wij liefhebben.


Men heeft wel gezegd dat de vraag naar het grote gebod op de keper beschouwd een onjoodse vraag is, die in het evangelie is binnengeslopen toen de scheiding tussen kerk en synagoge al min of meer een feit was.

Joden zouden nooit vragen naar het groot of klein zijn van een gebod. Wel naar het zwaar of licht zijn van een gebod. Het verschil zou dan zijn dat klein of groot iets zegt van het gebod (min of meer in de betekenis van belangrijk of onbelangrijk), terwijl zwaar en licht iets zegt van het houden ervan. Kan een gebod gemakkelijk (licht) volbracht worden of juist niet (zwaar)? Het lijkt me een geconstrueerde tegenstelling van joodse zijde. Maar hier schiet mijn kennis te kort om te beoordelen of inderdaad de vraag naar het ‘grote’ gebod onjoods is.


Een intrigerende vraag is waarom juist deze twee geboden gekozen zijn om de samenvatting te vormen van wet en profeten? De woorden zelf dienen zich in het Oude Testament niet als zodanig aan. Vanwaar dan die keuze?

Men heeft gewezen op een humaniserende tendens, die er zou zijn in de samenleving van die tijd. Deze zou overal in het Jodendom om zich heen gegrepen hebben, maar met name komen vanuit die delen van het Jodendom, die door het Griekse en Romeinse denken zijn beïnvloed. Men wijst dan op Philo bij wie dezelfde tendens duidelijk aanwijsbaar is.

Deze tendens zou blijken uit de keuze voor het begrip ‘liefhebben’ als centraal begrip, uit het noemen van de ‘naaste’ die nota bene - zij het als de tweede - op één lijn staat met God, die de eerste is (deze nauwe verbinding van God en naaste wordt als kenmerkend voor die humaniserende tendens gezien); en verder ook het noemen van allerlei verstandsbegrippen: gij zult de HERE uw God liefhebben met geheel uw hart, ziel, verstand. Dit alles wijst op invloed van buiten het Palestijnse Jodendom.

Hoe het ook zij, Jezus heeft (mogelijk samen met tijdgenoten) in deze twee geboden het hart gezien van de wil van God.

En daar doet zich een ingrijpende vraag voor. De samenvatting van wet en profeten gaat ervan uit dat al de verschillende geboden ergens een kern hebben. Er is een midden, een centrum, als het ware een hermeneutisch principe van alle geboden. Er is in de wil van God een kern aan te wijzen.

Dit is - naar men zegt - in rabbijnse kringen een moeilijk te aanvaarden punt. Want het gaat er van uit dat je als het ware achter en in al de geboden een centraal gebod hebt staan, dat alle andere geboden relatief maakt of - beter gezegd - waarvan alle andere geboden uitwerkingen en afleidingen zijn.

In rabbijnse kringen kan men om pedagogische redenen wel kort de wet samenvatten, zoals Hillel deed, die tegen een heiden zei: ‘het gaat in de wet om deze regel: wat gij wilt dat men u niet doet, doe gij het ook een ander niet. Dat is de hele wet; de rest is uitleg.’ Ook is het gezegde bekend: ‘mensenliefde is begin en einde van de tora.’

Maar dat alles is niet bedoeld als kern van alle geboden. God heeft, zo zeggen de rabbijnen, zijn voorschriften talrijk gemaakt. Het gaat de rabbijnen nu juist om de veelheid van Gods geboden. Hoe meer geboden hoe meer een rechtvaardige zijn liefde aan God kan laten blijken. De wil van God wordt uiteengelegd in een zeer omvattende detaillering. ‘Onze Wetgever heeft niets aan de vrije wil overgelaten; Hij heeft ook de kleinste dingen bepaald.’ En om nog een uitspraak aan te halen: ‘De Heilige Schrift maakt het lichtste gebod onder de lichtste geboden gelijk aan het zwaarste gebod onder de zware geboden.’

Er is naar rabbijnse opvatting geen sprake van eenheid in de geboden, alsof je achter de concrete geboden zou kunnen teruggaan naar een centrale wil van God, die dan tot een enkel gebod terug te brengen is. Dit afwijzen van een kern en criterium in de geboden zou kunnen wijzen op een andere opvatting onder de Joden in Jezus’ dagen dan de opvatting die later overheersend is geworden door de rabbijnen.


Tot slot - het gaat maar om enkele gedachten - de samenvatting van de wet, zoals we die in het Nieuwe Testament vinden, mag niet uitgespeeld worden tegen het Jodendom.

Ook al treffen wij deze samenvatting alleen in het Nieuwe Testament aan ze is niet onjoods, laat staan anti-joods. De samen­vatting is volkomen te verklaren binnen de joodse, oud-testamentische kaders, ook al zou zij niet helemaal vallen binnen het rabbijnse gedachtegoed.

Inhoudelijk komen we door het eerste en tweede gebod op een indringende manier te staan voor de wil van God, waarbij we moeten bedenken dat het in het liefhebben niet allereerst gaat om een gevoel, maar om een daad; niet om een emotie, maar een keuze.