Joodse datum

16 adar sjeni 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Da Costa’s visie op Israëls profeten


Da Costa

Isaäc da Costa, stammend uit een liberaal Joods-Portugees geslacht, werd in 1822 op 24-jarige leeftijd belijdend lid van de kerk in ons land. Al kwam hij dan uit een milieu dat niet strikt-orthodox was, maar zich in grote mate aansloot bij de Nederlandse samenleving, toch heeft Da Costa zijn Joodse achtergrond nooit verloochend. Integendeel, hij vestigde er in zijn geschriften voortdurend de aandacht op dat de Bijbel een Israëlitisch boek is.

Jarenlang verzorgde Da Costa op zondagavond in zijn huis te Amsterdam Bijbellezingen voor belangstellenden. Daar behandelde hij ook hoofdstukken uit de Oudtestamentische profetieën.

De essentie van wat hij naar voren bracht - improviserend en op basis van slechts enkele aantekeningen - heeft een zekere J.F. Schimsheimer in een negental boekdelen voor het nageslacht opgetekend. In het begin van het tweede deel komen we een algemene inleiding over de profetieën tegen, waaruit we nu het een en ander overnemen.


Da Costa besefte dat het een moeilijke materie betrof en hij erkende dat hij zelf ook niet op alles de enig juiste visie had. Dat is het aantrekkelijke van zijn uitleg, die van een bescheiden instelling getuigt, maar wel een authentiek-Joodse inslag vertoont.

Met name pleitte hij voor een concrete uitleg van de profetieën. We moeten Gods beloften voor zijn volk Israël niet vergeestelijken door alles op de kerk te betrekken en dan de duidelijke vloekpassages alleen op Israël te laten slaan. Natuurlijk is Da Costa ervan overtuigd dat met de eerste komst van Christus de profetieën hun principiële vervulling hebben gekregen. Maar er zijn nog heel wat onvervulde profetieën, die met de persoonlijke wederkomst van Christus hun definitieve vervulling zullen krijgen.

Dingen die nog gebeuren moeten

Hij noemt dan zeven gebeurtenissen die voor de wederkomst nog zullen plaatsvinden.

Zelf denkt hij dat na Christus’ wederkomst de ondergang der wereld nog ongeveer duizend jaar zal wachten. Hiermee schaart Da Costa zich onder de chiliasten. Typerend voor zijn houding is dat hij erbij aantekent dat dit geen reden is om broeders die van een tegenovergesteld gevoelen zijn, maar overigens gezond in het geloof, minder te achten. Immers loopt het verschil niet over de wederkomst des Heeren op zich, maar over de bijzonderheden bij die wederkomst.


De zeven gebeurtenissen zijn de volgende:

  1. De bekering van Israël als volk, hetzij als overblijfsel, hetzij in zijn geheel.
  2. De vernietiging van alle koninkrijken der wereld.
  3. De wederoprichting van het koninkrijk onder Israël.
  4. Christus’ regering over de aarde op de troon van David als de koning van Israël en van alle volken.
  5. De gelijktijdige opwekking van al zijn heiligen om met Hem te regeren als koningen der aarde.
  6. De opwekking van de overige doden, het laatste oordeel en eeuwige scheiding van goddelozen en rechtvaardigen.
  7. Het vergaan van deze wereld en het ontstaan van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.

Dat hij geen strak schema voor ogen heeft blijkt wel uit de volgende woorden: ‘Zullen deze dingen wel alzóó zijn?, vraagt gij, en ik antwoord: misschien niet in alles naar deze uitlegging, misschien in eene andere orde, misschien niet afzonderlijk, maar gelijktijdig of snel op elkander volgend en zamenstroomend. Maar misschien is het ook aan den anderen kant mogelijk, dat wij nog veel meer andere heerlijkheden te verwachten hebben, dan wij hier uit de Schrift vinden opgeteekend.’

Karakteristieken van de profetie

Om de Oudtestamentische profetieën goed te kunnen verstaan hebben we eerst te bedenken welke eigenschappen of karakteristieken zij hebben. Da Costa bespreekt die dan ook.

Zij geven nl. alles stuksgewijze, waarin geen volkomen verband of eenheid is te brengen. Daarbij ligt de heerlijkheid van Israël en de volken, van Christus en van zijn kerk zo chaotisch verenigd, dat wij ze, bij wijze van spreken, scheikundig moeten weten af te zonderen. Maar niet ons redeneren of combineren van alle Schriftgegevens, doch alleen de vervulling door God Zelf zal alles duidelijk maken.

Behalve het fragmentarische wijst Da Costa ook op de verwevenheid met de historie tijdens het ontstaan van de profetieën. Zij komen om zo te zeggen niet uit de lucht vallen, maar ze zijn ‘op Goddelijk kunstige wijze in de geschiedenis gewerkt, geweven, geborduurd; en het is het werk eener geestelijke kunst en wetenschap, om dit organisch geheel van profetie en historie te zien en te kunnen ontleden.’ Zo predikte Jesaja voor de ballingschap en Ezechiël tijdens en Zacharia erna en dat bepaalde mede de inhoud van hun profetie en de beeldspraak daarbij. Mozes kondigde Jezus aan als Profeet en Middelaar. Mozes zelf was profeet en middelaar en sloot dus aan bij het bestaande. Zo werd Christus ook niet eerder als koning aangekondigd dan toen er een koning in Israël was.

Verder onderscheidt Da Costa tussen rechtstreekse profetieën, die de komst van de Messias woordelijk aankondigen (zoals de moederbelofte uit Gen. 3) en de zijdelingse of zinnebeeldige profetieën. Deze is onder te verdelen in profetie door personen en handelingen (typiek) en door zaken, taferelen en gezichten (symboliek). Bij de typiek is te denken aan figuren als Jozef en David of de priesterlijke handelingen bij de offerdienst. Bij symboliek denke men aan wat de profeten in een droom of visioen zagen.

Vervolgens wijst Da Costa op het perspectieve karakter van de profetieën. Er zijn immers profetieën die aanvankelijk vervuld zijn en altijd weer en vollediger vervuld worden. Daarbij is ook te bedenken dat er tijden en afstanden zijn, die zo veerkrachtig zijn, dat God ze klein en groot kan maken, al naar dat Hij wil.

Dan vraagt hij ook aandacht voor het poëtisch gehalte van de profetieën. ‘De poëzy is het kleed, dat God bijzonder voor de profetie gekozen heeft.’ Als leerling van Bilderdijk acht Da Costa het als dichter geïnspireerd worden de hoogste bezieling die een mens kan krijgen. Alleen de dichter kan op het moment der inspiratie het leven doorlichten. Dat kan de wetenschap niet. Toch onderscheidt hij nauwkeurig tussen menselijk dichterschap en de profetie van de Schrift. ‘Wie bezield is, moet dichterlijk spreken, en de profetie is niet alleen hoogste bezieling, maar Goddelijke inspiratie.’ Toch hebben we de profetieën niet als poëtische schilderingen op te vatten; wij zien ze tot op de letter vervuld.

Daarom stelt Da Costa dat de profetieën niet mogen worden vergeestelijkt. Met het oog op de door hem voorgestane duizendjarige regering van Christus op aarde stelt hij: ‘Ik zou niet weten, waarom het niet mogelijk ware voor Christus, zowel op de aarde te regeren als erop geleden te hebben (...) Neem het koningrijk en de regering van Christus op aarde weg en gij verscheurt dertig, veertig kapittels van de Schrift.’

Evenwel weet Da Costa ‘dat een Christen zich niet mag tevreden houden met bloot staatkundige vertroostingen.’ Daarom wil hij voor zowel een geestelijke als een letterlijk, concrete vervulling pleiten. De geestelijke, die vooral Christus’ betekenis voor de Nieuwtestamentische kerk betreft, en waar het Nieuwe Testament ons in voorgaat, maar daarnaast ook de letterlijke die Gods heil voor Zijn volk Israël aangaat.

‘Laat ons dan niet scheiden wat God heeft vereenigd, en wat in die vereniging alleen Goddelijk is en blijft, maar door de scheiding ophoudt Goddelijk te zijn en menschelijk wordt.’

Tenslotte nog een laatste opmerking: Het kenmerk van de profetie ‘moet raadselachtigheid zijn, zoo, dat zij niet letterlijk en toch ook wel letterlijk, eigenlijk en toch ook weder niet eigenlijk kan vervuld worden. Altijd moet men tot op den tijd der vervulling toe in het onzekere blijven niet dat, maar hoe de profetieën zullen vervuld worden. De profetische taal is bij uitnemendheid de taal van een verborgen God, zoo als God zich dan ook bij voorkeur in de profetieën noemt.’

Da Costa’s uitleg

Wie vervolgens nieuwsgierig is naar de concrete uitleg van de profetieën zal enigszins teleurgesteld worden. Da Costa wilde zich namelijk niet in allerlei fantasieën verliezen. Het voornaamste dat hij bij alle profetische gedeelten over het toekomstige Koninkrijk steeds weer benadrukt is dat Gods heil in Jezus Christus ook een werkelijk aards regeren van deze Koning van Israël zal inhouden. Daartoe zal ook het Joodse volk terugkeren naar het land der vaderen.

Hieronder volgen de opvallendste opmerkingen die Da Costa over de profetieën ten beste gaf.


Zo spreekt Jes. 9 en 11 over Christus’ heerschappij op de troon van David en ook dat de dieren (bijv. de wolf en het lam) ook in de herstelling zullen delen.


Bij Jes. 60:9 (schepen van Tarsis zullen uw kinderen van verre brengen) zegt Da Costa: ‘Onder Tarsis wordt een grote Europesche zeemogendheid verstaan. Ook deze zou de kinderen Israëls naar hun land voeren. De Engelschen rekenen zich dit Tarsis te zijn, en zoo het eene dwaling is, het is nogtans een schone dwaling (...) Engeland denkt het alleen te zijn, maar ik hoop en wensch, dat het eene verenigde Hollandsch-Engelsche vloot mag zijn, die dat schone werk ten uitvoer brengt.’ Dit is een van de weinige keren dat Da Costa heel concreet een profetie op zijn eigen dagen toepast.


N.a.v. Jes. 66:19 spreekt Da Costa de stellige verwachting uit dat God het volk Israël tot een volk van zendelingen zal maken, die de wereld zullen overstromen met geloof.


Bij Ezech. 36:28 (En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb) tekent Da Costa aan: ‘Gij ziet, het land moet erbij zijn, om de zaak niet los te maken van Israël en haar te vergeestelijken. Niet de Christelijke Kerk heeft een eigen land, maar Israël, en dat volk en zijn land zijn één. Nooit is de Schrift zoo geestelijk, dat zij het stoffelijke vergeet; dat wij het dan ook niet vergeten, of zouden wij nog geestelijker willen zijn dan God en zijn Woord? Reeds zien wij de tijden naderen, waarin de mogelijkheid van de vervulling eener zoodanige belofte duidelijk wordt; immers worden de afstanden zoodanig weggenomen, dat ten laatste niets ligter wezen zal, dan dat alle volken zich bij vertegenwoordiging te Jeruzalem vereenigen.’

En bij het bekende Ezech. 37, over de herleving van de dorre doodsbeenderen - nadat hij ook op de individueel geestelijke betekenis heeft gewezen: ‘Zien wij nu niet op den enkelen Jood, die ons op den weg voorbijgaat, maar op geheel dat volk, in zijne nationaliteit, historie en actualiteit of tegenwoordige houding en toestand, ja dan moet ik zeggen: de dorre beenderen, die zoo lang stil lagen, beginnen zich te bewegen.’


In Dan. 7:9 ziet Da Costa niet het laatste oordeel, ‘maar den val van het tegenwoordig Statenstelsel; het oordeel over de aardsche magten der volken, met de Christusregering erbij.’


Bij Hos. 1:11 (De kinderen van Juda en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen en uit het land optrekken): ‘Deze vereeniging van Israël en Juda onder één hoofd heeft tot heden niet plaats gehad, daarom zijn onze oogen nog op de toekomst van Palestina gerigt (...) God heeft zijn eigene ontwerpen en voert ze ook alleen uit; ons zijn ze te hoog en te groot. Nogtans er is eene beweging ook onder de menschen tot vervulling der profetieën. Gelijk men landen ontdekt, zoo ontdekt men thans ook onbekende volksstammen, en waarom dan ook niet eenmaal de stammen van Israël? Intusschen verwisselen de Joden reeds zelven hunnen naam van Jooden in dien van Israëlieten, alsof zij er een gevoel van hebben dat het twaalfstammige volk moet hersteld worden.’

Hos. 3:4 (De kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst en zonder offer) - ‘Christus heerscht over hen zonder dat zij het weten.’ Dit was trouwens ook de vaste overtuiging van Da Costa’s leermeester Bilderdijk.

Hos. 3:5 (Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren en zoeken de HEERE, hun God en David, hun Koning) - ‘Israëls verheerlijking is geene bloote nationale verheerlijking, neen, het is de verheerlijking van Christus, maar als den koning der Joden. Was Israëls uitgang uit Egypte een wedergeboorte, het was onder de Wet; doch Israël zal niet meer wettisch maar evangelisch hersteld worden.’


Een laatste voorbeeld: bij Zach. 12:11 (Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn) zegt Da Costa dat zo’n rouwplechtigheid van een heel volk uniek is in de geschiedenis ‘en welligt dat wij eruit moeten afleiden, dat de Joden onbekeerd naar hun land zullen terugkeeren, en dáár zullen bekeerd worden, want het is moeijelijk zich voor te stellen, bij de algemeene verstrooijing, dat ieder Jood op zijne plaats zal bekeerd worden. Er schijnt eerst een zamenvloeijing dezer wateren te moeten zijn.’


Het is opmerkelijk dat er binnen de reformatorische kerken sinds de stichting van de staat Israël opnieuw een bezinning op gang is gekomen over de plaats en de betekenis van het Jodendom. Daarbij behoort ook een opnieuw luisteren naar wat de profetieën te zeggen hebben. Zonder het bij voorbaat in alles met Da Costa eens te hoeven zijn, kan het vruchtbaar en verrassend zijn ook te luisteren naar deze Joodse stem, zoals die in de negentiende eeuw klonk. Da Costa leert ons aan het begin van de eenentwintigste eeuw met verwachting te leven aangaande Gods bemoeienis met Israël en de volken.