Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Zonder de staat Israël ...


Op dinsdag 13 maart j.l. stond in NRC een artikel van een Israëlische vredesactivist, Uri Avnery, dat de titel droeg: ‘Israël moet afscheid nemen van de joodse staat.’ De inhoud van het artikel loog er niet om. Niet alleen de Israëlische regeringen van de laatste jaren, maar ook andere vredesactivisten als Amos Oz hebben het volgens Avnery radicaal mis, als ze menen, dat er ooit vrede in de regio kan komen bij het vasthouden aan een joodse staat. Een joodse staat is per definitie niet-democratisch - hij is immers gebaseerd op religieuze geboden, die de joodse Halacha voorschrijft. Niet-joden worden geminacht en in hun rechten beknot.


Heeft Avnery het helemaal mis? Afgedacht van zijn taalgebruik en zijn oplossing - heeft hij inderdaad niet het principiële dilemma van de staat Israël onder woorden gebracht?

Overigens - maar dat terzijde - is dit artikel een sprekend bewijs, dat er in de staat Israël nog altijd meer vrijheid van meningsuiting is dan in de Arabische landen eromheen.


In dit artikel wil ik drie dingen doen. Ten eerste: de situatie schetsen, waarin de staat Israël zich nu bevindt. Ten tweede: waarom houdt men vast aan de staat Israël als een joodse staat? Tenslotte kijk ik ernaar hoe we als gereformeerde christenen kunnen staan tegenover de staat Israël.

Wat is de situatie?

Toen eind 19e eeuw de beweging van Joden, aanvankelijk vooral uit Rusland, naar wat toen nog Palestina heette op gang kwam, woonden er hooguit enkele honderdduizenden Palestijnen in het land. Vaak behoorde de grond niet aan de inwoners zelf toe, maar zaten de eigenaars ver weg in andere Arabische landen. Je kon toen als Joden, die in grote aantallen immigreerden, de hoop koesteren, dat je met verloop van tijd de overweldigende meerderheid van de bevolking zou gaan uitmaken. Als we letten op het grondgebied van Israël, dat binnen de grenzen van 1967 - het Israël dus van vóór de verovering van Oost-Jeruzalem, de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook - ligt, dan is dat ook min of meer de werkelijkheid. En de Arabische gebieden binnen die oude grenzen zijn over het algemeen niet de brandhaarden van verzet. Die moeten we zoeken in de Gazastrook, en op de westelijke Jordaanoever, dus in de gebieden die Israël in 1967 bezette.

Wat zich nu voltrekt is een proces, dat Avnery vergelijkt met het langzaam maar zeker wegzakken van Venetië. Je ziet het niet met het blote oog, maar het is een onstuitbaar proces: de Italiaanse stad zakt weg en zal, als er niets gebeurt, door de golven verslonden worden. Zó is het ook met Israël, aldus Avnery. De oorlog tegen de Palestijnen valt niet te winnen. De bevolkingstoename van de Palestijnen is vele malen groter dan die van de Israëli’s, en het zal niet lang duren of de Palestijnen overtreffen de Israëli’s in aantal. Dan wordt het een situatie van onderdrukking, van een vorm van apartheid. Vandaar zijn pleidooi voor een radicale koerswijziging: een open democratische staat, waarin de Joden en Arabieren gelijke rechten hebben, waarin geen religieuze wetten gelden, kortom: een democratisch eiland in het Midden-Oosten.

Israël - waarom een joodse staat?

Avnery gaat in zijn artikel niet in op diverse vragen, die echter niet onbelangrijk zijn. Ik denk aan de vraag waar zo’n staat zijn veiligheid aan ontleent, als ‘neutrale’ staat tussen overwegend islamitische landen. En: hoe zullen de landen rondom reageren? Zullen ze zo’n democratisch voorbeeld om de hoek wel accepteren? Of zullen ze toewerken naar islamisering?

Stellig zijn dat vragen, die iedere Israëli stelt. Men is er gekomen, in verreweg de meeste gevallen na eigen ervaringen van vervolging en bedreiging met uitroeiing. Ze kunnen allemaal hun eigen verhaal vertellen: de Joden, die eind 18e eeuw de pogroms in Rusland ontvlucht zijn, die aan de Sjoa zijn ontkomen, die uit Ethiopië naar Israël de wijk genomen hebben. Er is in al die verhalen één gemeenschappelijke kern: de onredelijke haat tegen Joden. Onredelijk, want het valt volstrekt niet aan te geven wat ánders de haat heeft opgewekt dan alleen de afstamming van dit volk. Want overal hebben de Joden zich verregaand aangepast aan de bevolking temidden waarvan zij leefden.

Die geschiedenis van vele eeuwen jodenhaat heeft Abel Herzberg de noodzaak van de staat Israël als volgt doen omschrijven: ‘zonder de staat Israël is elke jood een ongedekte cheque’. Met andere woorden: als er niet een staat Israël is, kunnen de volkeren der wereld met de Joden doen wat ze maar willen. Er is geen regering, die voor zijn burgers opkomt, als er sprake is van achterstelling en onderdrukking, of zelfs bedreiging van uitroeiing. Dat heeft in de 20ste eeuw ook de Armeniërs parten gespeeld: dáárom konden de Turken hen massaal ombrengen! Wil men weten of het nog altijd geldt, dan is het voldoende om met de Koerden te gaan praten: een volk, verdeeld over het grondgebied van verschillende staten, die hen stuk voor stuk vervolgen, en dan met name Turkije en Irak.

Avnery heeft gelijk, als hij zegt, dat als het zo doorgaat, op den duur een ramp niet te vermijden valt. Israël heeft een vrijwel onoplosbaar probleem binnen de eigen grenzen in de vorm van een snel groeiende Palestijnse bevolkingsgroep. Het lukt niet de verlangens van de Palestijnen naar een eigen staat te onderdrukken, ook al zou je het willen. En wanneer Israël die pijnlijke beslissing voor zich uit schuift, wordt het onvermijdelijk een onderdrukkende mogendheid.

Nu is het gelukkig zó, dat het eigenlijk voor iedereen wel helder moet zijn, dat er geen andere weg is. Voor diegenen, die het niet waar willen hebben, is - cynisch gesproken - misschien nog een (paar) jaar Intifadah nodig om hen tot andere gedachten te brengen. Maar dan zullen ook zij overstag gaan, morrend of van harte.

Avnery vergeet, dat - een ander gezegde van Abel Herzberg - de staat Israël een ‘rustpunt’ in de gedachte van iedere jood is. Hier wordt hij/zij niet weggestuurd, hier kan hij/zij zichzelf zijn, als mens, maar ook in religieus opzicht. Het is ondenkbaar, dat zo’n staat vrijwillig wordt opgegeven. Niet omdat er teveel bloed voor heeft gevloeid, maar ook en vooral omdat het nog altijd nodig is. De raad van Avnery is zonder meer dwaas.

Hoe zal onze houding tegenover de staat Israël zijn?

Hoe zullen we als gereformeerde christenen staan tegenover de staat Israël? Het lijkt me duidelijk, dat we alleen maar ons erover kunnen verheugen, dat het joodse volk voor het eerst na 2000 jaar een eigen land, en ook een eigen staat heeft. Dat zou je alleen als mens al moeten zeggen, maar hoeveel meer geldt dat van gereformeerde christenen, die geloven in en zelf leven van Gods onwankelbare trouw, ondanks ónze ontrouw!?

Maar is er niet méér te zeggen? Is de stichting van de staat Israël niet een teken van Gods trouw, een bewijs dat Hij handelt in de geschiedenis, en moeten we daarom als christenen niet vierkant en door dik en dun achter de politiek van de staat Israël staan?

Op dit punt wordt onder ons vermoedelijk verschillend gedacht.

Er is de organisatie Christenen voor Israël, die - voorzover ik kan waarnemen - behoorlijk invloed heeft, niet alleen in evangelische kring, maar ook onder de lezers van ons blad. Ontegenzeggelijk zijn ze wat hun naam zegt: Christenen voor Israël. In diverse manifestaties en acties dragen ze als hun visie o.a. uit, dat Jeruzalem de ondeelbare hoofdstad van Israël is. De vraag hoe ze aankijken tegen de teruggave van gebieden, die in bijbelse tijden aan Israël geschonken werden, aan de Palestijnen wordt door hen officieel niet uitdrukkelijk beantwoord, maar het is niet onduidelijk, dat ze vóór een Groot-Israël zijn. Een pleidooi voor teruggave van de in 1967 veroverde gebieden heb ik nergens bij hen gelezen.

De laatste tijd wordt duidelijk, dat die gedachten nauw samenhangen met een bepaalde eindtijdvisie. De voorzitter van Christenen voor Israël, ds. Glashouwer, heeft volgens de berichten in enkele kranten recentelijk de machtswisseling in Israël als een ingrijpen van God toegejuicht. Voor alle duidelijkheid: Barak, een minister-president die ver wilde gaan om vrede te sluiten met de Palestijnen, maar daarvoor bij Arafat en de zijnen uiteindelijk geen gehoor vond, heeft plaats moeten maken voor Sharon, die een man van de harde lijn is. Deze Sharon heeft jaren geleden al in het Arabisch gedeelte van de Oude Stad van Jeruzalem een huis gekocht, waarop hij provocerend een menora heeft laten plaatsen, en de Israëlische vlag laat wapperen. Daarmee wil hij zeggen: hoelang jullie hier ook wonen - het is óns gebied. Ook al hebben de Verenigde Naties het ons niet toegewezen, ook al hebben we het veroverd - het is nu óns gebied. Sharon heeft vorig jaar het weer oplaaien van de Intifadah ingeluid door demonstratief over de tempelberg te lopen. Hij deed het in het bijzijn van journalisten, bewust provocerend: ook dit is óns gebied.

Was het verstandig? Ik denk, dat een ieder die ooit het bijbelboek Spreuken gelezen heeft, weet dat dit niet verstandig is. Het wekt woede, haat op. Het is een lont in het kruitvat gooien. En zo geschiedde: de Intifadah met vele honderden doden aan beide, maar vooral aan Palestijnse zijde, laaide in alle hevigheid weer op.

Maar hoe kunnen Christenen voor Israël dan de recente machtswisseling toejuichen, die uitgerekend deze Sharon aan de macht bracht, als een ingrijpen van God toejuichen?

Dat is, omdat in hun denken een bepaalde visie op de eindtijd een cruciale rol speelt. De heer Koelewijn, ook een woordvoerder van deze groepering, ziet het conflict tussen Joden en Palestijnen in apocalyptisch licht. Hij heeft eind vorig jaar geschreven: ‘De haat van de Arabieren, de haat van Arafat en de zijnen, die niet ophouden om Jeruzalem als de hoofdstad van de Palestijnse staat op te eisen, heeft alles te maken met de strijd tussen licht en duisternis.’

Nu, ik geloof wel, dat er meer speelt in het Midden-Oosten dan enkel menselijke belangen en drijfveren. Alleen weet ik ze iets minder goed te benoemen dan Christenen voor Israël daartoe kennelijk in staat zijn. En vooral weet ik, dat die strijd niet gevoerd moet worden met geweld en dwaasheid, maar dat de sterkte van Israël in stilheid en vertrouwen gelegen is. Ik besef, dat dat niet de beleving is van de gemiddelde Israëli. Maar - vertrouwen op God sluit militaire waakzaamheid niet uit, maar in.

Er moet een weg zijn, een toekomstperspectief, dat niet tégen, maar vóór de Palestijnen is. De HERE heeft Abraham ook niet alléén en slechts voor zichzelf gezegend, maar om temidden van de volkeren tot een zegen te zijn. Militair kan Israël het misschien nog een tijdje volhouden. Maar onderschat niet wat er in de harten van die jonge Israëli’s omgaat en stukgaat, die de Intifadah moeten bestrijden. Zonder perspectief. Haat roept haat op. Wortelt zich in de harten van mensen. En het is al een werkelijkheid, ook in Israël. Wie daar iets van wil proeven, moet zich op de hoogte stellen van de verering rond het graf van Baruch Goldstein, de man die enkele jaren geleden tientallen Arabieren zonder enige aanleiding doodschoot bij het graf van Abraham in Hebron - om vervolgens zelf gedood te worden.

Deze ontwikkelingen zijn er. Het is niet te ontkennen. Het lijkt me heel gevaarlijk, als mensen - om welke reden dan ook - daar de ogen voor sluiten. Help je Israël echt, wanneer je die groeperingen steunt, die zich onverzoenlijk jegens de Palestijnen opstellen? Ik vrees, dat een bepaalde eindtijdvisie, zoals die op dit moment de toon aangeeft bij Christenen voor Israël, zijn tol eist. Ik acht die nauwelijks minder dwaas dan die van de heer Avnery. Want de weg, die zij bepleiten, biedt geen enkel uitzicht op vrede.


Weet ik hoe het moet? Nee, zeker niet.

Ben ik volstrekt moedeloos? Geenszins! U kent misschien de spreuk: ‘Wie in het Midden-Oosten niet in wonderen gelooft, is geen realist.’ Wie had gedacht, dat Begin, uitgerekend de diehard Begin, vrede zou sluiten met Egypte? Sharon is een oude man. Misschien, dat met de jaren hem zoveel wijsheid geschonken wordt, dat hij in de voetsporen van Begin treedt. Misschien moest hij wel regeringsleider worden, omdat alleen hij in staat is een dergelijke politiek aan het Israëlische volk te ‘verkopen’.

Intussen is het zéér nodig, dat wij allen christenen voor Israël zijn: dat wil zeggen, dat we dankbaar zijn, dat er een joodse staat is, dat we bidden om vrede voor Israël en de volkeren, om wijsheid en mildheid bij allen die regeren. En: dat God ons ervoor bewaart Israël een weg te wijzen, die - als God het niet verhoedt - wel moet leiden naar de ondergang van de staat Israël.


Het lijkt mij veelzeggend, dat Psalm 25 uitloopt op de bede: ‘O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.’