Joodse datum

19 adar 5779

ΦΉBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


Alle wegen leiden van en naar Jeruzalem (Boekbespreking)

door
ds. M.W. Vrijhof

in
Vrede over IsraΓ«l, jg.45 nr.4

Alle wegen leiden van en naar Jeruzalem!


Bespreking van het boek van S. Janse,
Paulus en Jeruzalem
een onderzoek naar de heilshistorische betekenis van Jeruzalem in de brieven van Paulus
uitg. Boekencentrum te Zoetermeer, 2000, 497 pagina’s; prijs: f 75,--


Wie op zoek gaat naar het voorkomen van de naam Jeruzalem in de brieven van Paulus zou kunnen denken met een dun boekje te maken te krijgen. Want naast Romeinen 15:19,25,26,31 en 1 Korinthe 16:3 kan alleen nog Galaten 1:17,18; 2:1 en 4:25,26 genoemd worden. Als we de naam Sion er bij nemen doen ook Romeinen 9:33 en 11:26 mee. Een magere oogst. Toch telt het boek, dat als proefschrift verdedigd werd aan de universiteit van Utrecht (mei 2000), bijna 500 pagina’s.


Wat is de kwestie die in dit boek aan de orde wordt gesteld? We citeren uit de inleiding van het boek: ‘In hoeverre staat het Nieuwe Testament en dan met name Paulus in de tradities van het Oude Testament en het jodendom? Is er bij hem (Paulus) plaats voor de realia van het jodendom: het land, de stad en de tempel? Of heeft Paulus, samen met de andere nieuwtestamentische getuigen, dit alles vergeestelijkt en ‘opgeheven’ in de dubbele betekenis van dat woord?’

Het gaat dus om de realia van het jodendom. Hebben we volgens Paulus in ons geloof plaats te geven aan concrete zaken als het jood-zijn van Jezus, Israël als volk, het land, de stad (Jeruzalem), de tempel? Jeruzalem is in dit boek als het ware het ‘proefstation’. Als Jeruzalem een plaats behoort te hebben in ons geloven dan ook de andere genoemde realia.


Hoe gaat de auteur te werk? Hij stelt een diepgaand onderzoek in naar Galaten 4:21-31 waar gesproken wordt over ‘het tegenwoordige Jeruzalem’ en ‘het hemelse Jeruzalem’.

Bij een eerste onbevangen lezing zou men kunnen denken: Paulus schrijft het tegenwoordige Jeruzalem af, want hij heeft door Jezus deel gekregen aan het hemelse Jeruzalem. Janse laat zien dat dit een verkeerde conclusie is. ‘Het tegenwoordige Jeruzalem’ waar Paulus afwijzend tegenover staat is een stroming in de moedergemeente Jeruzalem (‘valse broeders’), die de heiden-christenen wil dwingen tot de besnijdenis, de spijswetten, de sabbat. Zij willen dat alle gelovigen uit de volken Joden worden. Daarmee staan deze ‘valse broeders’ dicht bij de vele Joden die Jezus als Messias afwijzen en zijn volgelingen tegenstaan.

De conclusie is in ieder geval dat Paulus ‘het tegenwoordige Jeruzalem’ niet inlevert omdat hij kennis heeft gekregen aan ‘het hemelse Jeruzalem’. Dit ‘hemelse Jeruzalem’ is in Paulus’ ogen de kritische notie tegenover het Jeruzalem dat zich van God (en Jezus) af beweegt. Het gaat hem in die uitdrukking om een kritiek in de lijn van de profeten. Dat is een kritiek die vlijmscherp is, maar de band niet doorsnijdt. Zo is Paulus’ houding tegenover de ‘valse broeders’ en tegenover dat deel van het jodendom dat Jezus afwijst.


De houding van verbondenheid met Jeruzalem laat Janse zien aan de hand van de collecte, die Paulus heeft georganiseerd voor Jeruzalem. Hier komen uitvoerig de beide brieven aan de Korinthiërs ter sprake en ook de brief aan de Romeinen.

Waarom is Paulus zo rusteloos bezig geweest met die collecte - zo, dat hij zelfs zijn plan om naar Rome te komen ervoor opzij zette? Waarom wilde hij per se met een grote delegatie uit de heiden-christelijke gemeenten naar Jeruzalem gaan? Deed hij dat omdat het nu eenmaal was afgesproken (Gal. 2:10)? Of deed hij het uit diaconale overwegingen? Nee, zegt Janse, hij deed het vanuit de gedachte, die in het Oude Testament op meerdere plaatsen verwoord is, dat eens de volken zullen opgaan naar Jeruzalem en er hun schatten zullen binnen brengen. Dit is voor Paulus de vervulling van oudtestamentische beloften. Nu zal Jeruzalem (moedergemeente en heel het joodse volk) zien dat in en door Jezus het plan van God voortgang vindt. Heidenen komen en brengen hun rijkdom naar de stad.

Janse ziet hier de grote lijn van Paulus’ denken zichtbaar worden: het heil gaat vanuit Jeruzalem de wereld in en keert vanuit de wereld waar naar Jeruzalem terug om vervolgens weer de wereld in te gaan (Paulus wil zelf vanuit Jeruzalem over Rome naar Spanje reizen).

Wat Paulus concreet met de collecte wil laten zien is wat hij ‘theologisch’ heeft verwoord in Romeinen 9-11. Schematisch weergegeven: het volk Israël wijst in overgrote meerderheid Jezus af; het heil gaat naar de volken; de volken nemen het heil aan; de volken brengen God hun dank voor het heil uit de Joden; daarmee maken de volken Israël jaloers (= ijverig voor God); Israël aanvaardt Jezus als de Heilbrenger (de Messiaanse tijd breekt aan); gesteund door Israël gaat het heil opnieuw de wereld in om de hele wereld te overwinnen (Rom. 11:11,12).

Volgens Janse is de reis voor Paulus heel spannend geweest, niet alleen vanwege het conflict met de ‘valse broeders’, maar ook vanwege de verwachting van Paulus dat het moment van de doorbraak van het Messiaanse rijk (Israël erkent Jezus als Messias) aanstaande was.

De conclusie van Janse is dat de realia van het jodendom voor Paulus in de navolging van Jezus een levende realiteit zijn geweest en gebleven. Nergens schrijft hij het volk, het land, de stad, de tempel af. Hij worstelt om (het heil van) zijn volk.


Gezien de beperkte ruimte voor een bespreking is het onmogelijk de indrukwekkende studie van Janse in enkele alinea’s recht te doen. Er staan veel prachtige excursen over de brieven van Paulus, over de toekomstverwachting (apocalyptisch gehalte) in de brieven, over allegorese en typologie, over het chiliasme enz.

Het lezen van het boek is voor predikanten zoiets als schatgraven. Maar ook geïnteresseerde gemeenteleden kunnen dit boek met vrucht ter hand nemen. Het is voor wie niet wegloopt voor een pittig studieboek prima te lezen.


Tot slot noemen we een paar punten waarover doorgedacht zou moeten worden.


Allereerst: klopt het beeld van Paulus’ reis naar Jeruzalem, zoals Janse die uit de brieven destilleert, met het beeld dat we in het boek Handelingen tegen komen? In Handelingen wordt de collecte nauwelijks genoemd. Wel wordt Paulus verschillende keren gewaarschuwd dat hij in Jeruzalem gevangen zal worden genomen. En Paulus spreekt zelf over (de mogelijkheid van) ‘sterven te Jeruzalem’ (21:13). Het verlangen in de brieven, dat Israël - nu de schatten van de volken worden binnengedragen - zich zal omkeren en dat de doorbraak van de Messiaanse tijd zal aanvangen vinden we niet terug in de Handelingen. Dat is op z’n minst opmerkelijk.


Ten tweede: Paulus verwachtte de op de handen zijnde (weder)komst van Jezus. Het denkkader van de apostel over wat er staat te gebeuren zou, naar de mening van Janse, in grote lijnen bepaald zijn door het gedachtegoed uit de joods apocalyptische geschriften, die spreken van een ingrijpen van God in de gang van de geschiedenis.

Dit ingrijpen ‘in de laatste dagen’ zou dan door Paulus als volgt zijn gezien: de opstanding van Christus, zijn (weder)komst, en ‘het einde’. Tussen de (weder)komst en ‘het einde’ zit het Messiaanse rijk. Dit rijk wordt vaak het duizendjarig rijk genoemd, maar het gaat ten diepste niet om de periode, maar om de tijdelijkheid en de ‘aardsheid’ van dit rijk. Janse meent op grond van 1 Kor. 15:20-28 dat Paulus leefde in de verwachting van een dergelijk rijk. Zoals het aardse Jeruzalem een plaats heeft in de visie van Paulus zo ook het Messiaanse (aardse) rijk.

Hiermee plaatst als ik het goed zie Janse het chiliasme weer op de agenda van de theologische discussie.


Een derde punt: wanneer Paulus inderdaad verwachtte dat het grote ingrijpen van God voor de deur stond, dan is in ieder geval zijn verwachting niet uitgekomen. Heeft Paulus zich in zijn verwachting vergist?

Volgens Janse zou je dat niet moeten uitsluiten. De apostel heeft zelf - zij het in algemene zin - gezegd: wij kennen ten dele (1 Korinthe 13:12).

Dit is een ingrijpende conclusie. De vraag is of ze juist is. Of is ze juist, omdat Janse eerst een aantal brieven uit het Nieuwe testament aan Paulus heeft ontzegd? Brieven die een ander geluid laten horen? Daarbij - maar dat is weer een andere kwestie: wat hebben eventuele vergissingen van bijbelschrijvers voor consequenties voor de leer van de inspiratie van de Schriften?