Joodse datum

14 adar 5779

ΦΉBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Judaica in Apeldoorn


Aan onze Theologische Universiteit in Apeldoorn wordt het vak Judaica gegeven. Wat is dat eigenlijk? Wat heb je er aan? Wie krijgen er mee te maken? Met deze vragen ging ik naar Apeldoorn. Ik maakte daar een college mee, en legde m’n vragen neer bij de docent, drs. M.C. Mulder.

Een college Judaica

Het college dat ik ging volgen was op dinsdag 6 november; het begon om 13.00 uur. Ik ontmoette voor die tijd drs. Mulder al even, die al vroeg was vertrokken uit zijn woonplaats Goes. Hij vertelde alvast iets over de colleges die hij ging geven.

Het zijn colleges voor het B-jaar, dus voor de studenten die de propedeuse (waarin ze o.a. het Hebreeuws hebben geleerd) net achter de rug hebben, en die nu meer theologische vakken krijgen. Daar hoort dus meteen al Judaica bij. Vroeger stond dit vak niet op het rooster; je kon het alleen doen als bijvak bij de doctorale studie. Nu krijgen alle studenten dit vak, in het tweede jaar. Het is een paar jaar geleden begonnen met 4 college-uren, maar er is zo langzamerhand steeds wat bijgekomen, en nu wordt in totaal 12 uur college Judaica gegeven. Dat gebeurt op zes dagen, en telkens is dan het eerste uur een hoorcollege, het tweede een werkcollege.


Het hoorcollege gaat deze keer over ‘de zeven middot van Hillel’. Hillel leefde in de tijd van Herodes (37 vóór tot 4 na Chr.). Hij stelde zeven regels op die gelden bij de uitleg van de tora. Voor ons lijken de tekstverwijzingen bij de rabbijnen vaak nogal willekeurig en puur associatief. Wij stuiten daar ook op in het N.T.: op een manier van uitleggen of uitwerken van oudtestamentische teksten, die wij moeilijk kunnen volgen. Toch is die uitleg niet zo willekeurig als het lijkt. Er zijn wel degelijk regels voor - met name als het gaat om de halacha (de regels voor het joodse leven). In het eerste college-uur wordt een aantal regels van Hillel behandeld. (zie verder het kader: de zeven regels van Hillel)


Na een koffiepauze komt het tweede college-uur. We lezen een gedeelte uit de pesach-haggada, de liturgie bij de pesachmaaltijd, nl. de midrasj, de uitleg van Deut. 26:5-8. We lezen de Hebreeuwse tekst. De studenten hebben dit voorbereid (dat was althans wel de bedoeling!); ze geven hun vertaling van en hun commentaar op de uitleg. Die uitleg wordt vooral gegeven in de vorm van citaten, met name uit Exodus. Vele daarvan zijn wel duidelijk, maar er zijn er ook waarvoor of waarbij je wel wat dieper moet graven. De vraag komt op of de Joden bij hun pesachviering zich bewust zijn van de gedachten en discussies die achter deze midrasj zitten. Drs. Mulder antwoordt: diezelfde vraag kun je ook stellen bij onze preken: ook daarbij wordt niet alles begrepen en opgepikt, wat er wel inzit.

Een uur is gauw om. De docent vertelt alvast dat er nog een paar bijzondere dingen gaan komen in de pesach-haggada; we zullen dat zien op het volgende werkcollege. Het hoorcollege zal de volgende keer gaan over de liturgie, met name over de structuur en inhoud van diverse gebeden.

In latere colleges zullen o.a. ook de vragen over de verhouding van kerk en Israël aan de orde komen.

Een paar vragen aan drs Mulder

Kun je iets vertellen over hoe je je met Judaica bent gaan bezighouden?

Het Jodendom heeft al lange tijd mijn bijzondere interesse gehad. Tijdens mijn studie in Utrecht kreeg ik de gelegenheid mee te gaan met een studiereis naar Israël, die heel veel vragen heeft losgemaakt.

Wie zich intensief met de vragen bezighoudt die door Israël aan de kerk worden gesteld, ontdekt dat veel van wat wij als vanzelfsprekend beschouwen in ons theologisch denken, op een heel andere manier benaderd kan worden. Bovendien wordt door het Joodse volk gedacht, gesproken en geleefd met Gods openbaring op een manier die voor ons geheel nieuwe dingen aan het licht brengt. Je ziet dat door je eigen traditie er een eenzijdigheid in je blikveld kan komen. In die zin waren de vragen die losgemaakt werden een grote uitdaging.

Tijdens de studie in Utrecht en later in Apeldoorn heb ik gelegenheid gehad hierover door te denken. Onder begeleiding van prof. dr. M. Boertien heb ik ook nader kennis gemaakt met de Rabbijnse theologie. Daarbij ging er een wereld voor mij open.

Met name de manier waarop Joden tot God naderen in de lofprijzing en in de gebeden raakt mij telkens weer op een diepe manier. Zij spreken de taal van de psalmen en kunnen die zingen zoals ze drieduizend jaar geleden zijn opgeschreven en de eeuwen door zijn beleefd en beleden. Zo af en toe bezoek ik een synagoge. Juist in de gebeden kan ik een diepe eenheid beleven, terwijl je dan tegelijk de pijn voelt van het verschil dat er is.

Hoe ben je ertoe gekomen om het vak Judaica in Apeldoorn te doceren?

Nadat prof. Boertien jarenlang de studenten in de doctoraalfase had begeleid voor het vak Judaica, ontstond er een vacature op dit gebied. Men vroeg mij de doctoraalstudenten te begeleiden voor het bijvak Judaica.

Ik heb toen het verzoek gedaan om ook een aantal colleges te mogen geven, om in elk geval samen een Hebreeuwse tekst te kunnen lezen. Daarvoor kreeg ik toestemming van het curatorium.

Er zijn niet veel doctoraalstudenten die de schaarse studieruimte die er is gebruiken voor de studie van Judaica. Daarom is in een later stadium gevraagd of er ook een aantal kennismakingscolleges gegeven kon worden, om aan alle studenten in een eerdere fase al iets over het Jodendom te vertellen. Ik heb dat met veel plezier gedaan en merk dat daardoor de interesse van een aantal studenten gewekt is, zodat nu ook in een latere fase van de studie vaker aandacht gegeven wordt aan Judaica. Bijvoorbeeld door het invullen van een blok vrije studieruimte met een onderwerp over het Jodendom.

Zien de studenten het nut van Judaica?

Inmiddels is het vak Judaica uitgegroeid tot een vast onderdeel in het tweede jaar. Er is ruimte om iets meer door te geven. Hoe meer je ervan ziet, des te duidelijker zal het worden dat de kennismaking met het Jodendom van groot belang is voor ons.

Judaica is van belang om het Nieuwe Testament goed te begrijpen. De bijbelschrijvers van het Nieuwe Testament waren Joden, die spraken en dachten op een manier zoals je die vandaag nog kan tegenkomen in de Rabbijnse geschriften. Er was en is natuurlijk een groot verschil van inzicht tussen Rabbijnen en de schrijvers van het Nieuwe Testament over de vraag wie Jezus is. Maar dat neemt niet weg, dat zij in de manier van denken en redeneren en in de manier waarop zij omgaan met Gods woord in het Oude Testament in een aantal opzichten dichter bij het Nieuwe Testament staan dan wij. Daarom kan de kennisname van de Joodse bronnen ons de ogen openen voor elementen van de uitleg van het Nieuwe Testament, waar we anders wellicht aan voorbij zouden gaan.

Maar dat is niet het enige. Judaica is niet slechts een hulpmiddel bij de exegese van het Nieuwe Testament. Wie zich met het Jodendom bezighoudt, komt het levende volk van Gods verbond tegen, zoals dat al de eeuwen door tot aan vandaag bidt, leest uit Gods woord en een geschiedenis van geloofsvervolging en geloofsverwachting doormaakt. Niemand kan lid zijn van de kerk zonder zich rekenschap te geven van de verbondenheid met Israël, historisch, maar ook voor het gesprek van vandaag. Ook dat komt op de colleges aan de orde.

Is het tweede jaar een goed moment om dit onderdeel van de studie aan de orde te stellen?

Het is zeker goed om vrij vroeg in de studie al wat kennis te maken met het Jodendom. De studenten kunnen dan inmiddels het Hebreeuws lezen. In het tweede jaar past de bestudering van de geschiedenis van het Jodendom van de vierde eeuw voor Christus tot aan de eerste eeuw van onze jaartelling. Ook een eerste kennismaking met de rabbijnse benadering van de Bijbel, een stukje rabbijnse theologie en een onderdeel liturgie past goed in deze fase.

Het zou mooi zijn als er in een latere fase van de studie op een aantal theologische aspecten nog dieper kon worden ingegaan. Dat is tot nu toe alleen het geval, wanneer een student kiest voor Judaica als doctoraal bijvak. Ik zou het toejuichen, als er b.v. in het vierde jaar van de studie een onderdeel van nadere theologische bezinning op het Jodendom voor iedere student zou terugkomen.

Is er een koppeling met de reis naar Israël, die de Apeldoornse studenten maken?

Tot nu toe is dat niet het geval. Na de vorige reis van de studenten naar Israël zijn er wel veel indrukken meegenomen, die in de studie verwerkt worden. Maar voor de meesten zijn de colleges Judaica dan al verleden tijd. Mogelijk is hier in de toekomst een nauwere koppeling te maken.

Zal er nog wat veranderen voor Judaica wanneer de hele studieopzet verandert, door de invoering van de BaMa-structuur in het universitaire onderwijs?

Voor het vak Judaica zal er niet veel veranderen in de nieuwe studieopzet. Het nadenken over de plannen voor de nieuwe studiestructuur heeft voor Judaica al eerder tot gevolg gehad, dat het vak als vast omschreven onderdeel in het leerplan is opgenomen. Voorheen ging het daarbij alleen om een eerste kennismaking met de vroege geschiedenis van het Jodendom en met het Rabbijnse denken; nu is er voor gekozen in dezelfde cursus ook aandacht te geven aan de genoemde actuele vragen rond de verhouding van kerk en Israël. In feite is de nieuwe structuur voor Judaica twee jaar geleden al ingevoerd.

Het is zeker een felicitatie waard, aan het adres van de docent én van de studenten, dat het vak Judaica zo een plaats in de theologische studie heeft gekregen. Ds Mulder, hartelijk bedankt voor de mogelijkheid om de colleges te volgen, en voor de beantwoording van de vragen - en nog veel goede uren met de Apeldoornse studenten toegewenst!

Het college over de zeven regels van Hillel

Drs. Mulder komt nog even terug op wat in een vorig college al behandeld is.

De eerste regel is die van kal wachomer. Letterlijk vertaald: ‘licht en zwaar’. Het gaat om conclusies vanuit het lichtere naar het zwaardere, of vice versa, met een ‘hoeveel te meer ...’ Bijvoorbeeld: José ben Jochanan zei: spreek niet te veel met een vrouw; dat geldt voor de eigen vrouw, hoeveel te meer dan (‘kal wachomer’) voor andermans vrouw. En: een sabbat is in een aantal opzichten ‘zwaarder’ dan een jom tov, een feestdag (bv. Pesach); als iets op een sabbat is toegestaan, hoeveel te meer dan op een jom tov - en omgekeerd: als iets op een jom tov al verboden is, hoeveel te meer dan op een sabbat. Voorbeelden van dit redeneren in het N.T. zijn Matt. 7:11 en Rom. 8:32.

Ingewikkelder wordt het nu bij de tweede regel, gezera sjawa. Hierbij gaat het om een conclusie op grond van analogie - een gelijkheid van woorden, vormen of gedachten. Een voorbeeld: Hillel stelde vast dat het pesachoffer als dat zo uitkomt ook op sabbat geslacht moet worden, want: bij het dagelijkse offer staat geschreven: ‘op de bepaalde tijd’ (Num. 28:2), en bij het pesachoffer staat ook ‘op de bepaalde tijd’ (Num. 9:2)’; bij het dagelijks offer is duidelijk dat het ook op sabbat gebracht moet worden (Num. 28:10), en op grond van het gelijke woord moet dezelfde regel ook voor het pesachoffer gelden.

Een voorbeeld uit het N.T. is Hand. 13:34, waar Jes. 55:3 wordt aangehaald als voorzegging van de opstanding - maar daar gaat het in Jes. 55 toch niet over?! toch wel, als je het verbindt met Ps. 16:10; op beide plaatsen horen we de stam ch-s-d (in ‘gunstbewijzen’ en ‘gunstgenoot’, in Hand. 13 beide keren vertaald met ‘(het/de) heilige’).

De volgende regels gaan over de binjan av, het ‘bouwen van een vader’. Een bepaald gedeelte, of de combinatie van twee gedeelten worden een ‘vader’, waar een aantal ‘zonen’ bij horen. Een voorbeeld: in Deut. 17:2 staat: ‘wanneer een man of vrouw aangetroffen wordt, die doet wat kwaad is in de ogen van de Here...’ In datzelfde gedeelte blijkt dat twee of drie getuigen nodig zijn (17:6). Dan wordt vanuit deze ‘vader’ geconcludeerd dat andere teksten met eenzelfde uitdrukking ‘wanneer aangetroffen wordt’ (18:10, 22:22, 24:7) ook bedoelen: door meerdere getuigen.

Drs. Mulder behandelt wat korter ook de andere regels. Het is wel duidelijk dat de uitleg van de tora niet zo willekeurig is als het lijkt - maar ook dat het wel om een heel andere manier van denken gaat. Allerlei verbanden spelen een belangrijke rol: zeker het verband waarin een tekst staat (de context wordt vaak niet meer geciteerd, maar speelt wel een rol; hij klinkt mee wel voor de goede verstaander), maar ook verbanden die men ziet door teksten op allerlei manieren met elkaar te vergelijken en combineren. Steeds zie je, bij de Schriften en de uitleg: er zit meer achter...