Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


De Paasoverweging bij Abraham

Schriftstudie over Hebreeën 11:17-19


We verdiepen ons in deze Schriftstudie in een boeiend tekstgedeelte. Centraal staat de figuur van Abraham, wiens geloof door God wordt beproefd.

Hier wordt terug gegrepen op het bekende hoofdstuk Genesis 22. Abraham moet zijn zoon offeren. Dat is op zich al een absurde opdracht. Maar de werkelijkheid is nog erger, want deze zoon is de zoon van de belofte, door wie Abraham tot een groot volk zou worden. Wat God van Abraham vraagt is onmogelijk. En toch gaat Abraham op weg in het geloof dat God - om het met de woorden van Jezus te zeggen (Luk. 20:38) - ‘niet een God is van doden, maar van levenden...’

We worden in de gedeelte op het spoor gezet van de paasoverweging bij Abraham.

Niet zien en toch volhouden

Uit het geheel van de brief aan de Hebreeën is op te maken dat de volgelingen van Jezus Christus in een moeilijke situatie verkeren. Zij moeten hun geloof belijden in een klimaat van tegenstand. Ook moeten zij optornen tegen de voorstelling dat het onder de oude bedeling beter was, omdat het geloof verbonden was met de zichtbaarheid en concreetheid van de tempeldienst.

Dat brengt de schrijver van de brief (mogelijk is het een preek) ertoe in het geloofsbegrip de nadruk te leggen op de elementen onzichtbaarheid en volharding. In 11:1 staan de woorden: ‘Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.’

Om zijn geloofsbegrip duidelijk te maken put hij uit het leven van de gelovigen uit de oude bedeling. Hij laat zien dat ook zij te worstelen hadden zowel met de onzichtbaarheid van de dingen van God als met allerlei verzoekingen om van de geloofsweg af te dwalen.

In dit verband komt Abraham uitvoerig ter sprake. Vijf keer wordt er een stukje van zijn leven naar voren gehaald (vss 8, 9-10, 11-12, 13-16, 17-19).

Door het geloof offerde Abraham zijn zoon

Vanaf vers 17 lezen we in zo letterlijk mogelijk vertaling: ‘door het geloof heeft Abraham Isaak ten offer gebracht, toen hij verzocht werd, en de eniggeborene offerde hij.’


Opmerkelijk is dat in deze tekst staat dat Abraham zijn zoon metterdaad geofferd heeft. Wie de Nieuwe Vertaling ernaast legt, ontdekt dat daar het woordje ‘wilde’ is ingevoegd: ‘en hij wilde zijn eniggeboren zoon offeren’. Maar dat woordje is er in gesmokkeld, zoals ook een vergelijking met de Statenvertaling laat zien.

De gedachte van het werkelijke offer van Isaak is ook onder joodse geleerden al heel vroeg geopperd. Men gaat daarin dus verder dan de tekst in Genesis 22. Daar wordt ‘slechts’ verteld van de bereidheid van Abraham om zijn zoon te offeren. Tot een daadwerkelijk offeren komt het niet. Waarom dan toch die gedachte - ook in vers 17 - dat Abraham zijn zoon wél offerde?


In de joodse traditie kan deze gedachte zijn ingegeven door het motief van de verzoening. Het offer van de rechtvaardige Isaak, die zich bereidvaardig laat binden, brengt verzoening teweeg. We moeten daarbij bedenken dat er naar bijbels inzicht geen verzoening is dan door het storten van bloed. Dus moet Isaak wel daadwerkelijk geofferd zijn.

De gedachte van verzoening is echter in Hebr. 11 niet aanwezig, overigens ook niet in Genesis 22. De nadruk ligt niet op Isaak, zoals in de joodse traditie, maar op Abraham.


Hoe moet dan de tekst uit Hebr. 11 verklaard worden?

Het is aannemelijk dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën intentie en daad van Abraham op één lijn stelt. De bereidheid die Abraham toonde - met het slachtmes al omhoog geheven - is in feite de daad. Men kan geen speld krijgen tussen Abrahams voornemen en de uitvoering. Het ging tot op het scherpst van de snede. Het was geen spel. Abraham had geen achterdeurtje, waardoor hij voor het dramatisch moment van de dood van Isaak nog zou kunnen ontsnappen. Dat blijkt ook uit het vervolg.

Hij heeft overwogen dat God uit de doden kan opwekken

We lezen verder vanaf halverwege vers 17: ‘en hij, die de beloften aangenomen had, hij tot wie gezegd was: in Isaak zal uw zaad geroepen worden, hij heeft overwogen dat God ook bij machte is uit de doden op te wekken, daaruit heeft hij hem bij gelijkenis ook verkregen.’


Over deze overweging van Abraham lezen we niets in Genesis 22, althans niet in directe zin. Hier brengt de schrijver het naar voren om aan te geven dat Abraham tot het uiterste is gegaan. Abraham kon dat doen, omdat hij overwoog dat het uiterste van hemzelf nog niet het uiterste van zijn God is.

De vraag is dan wel: hoe weet de schrijver van de brief aan de Hebreeën deze dingen? Hoe kent hij de overwegingen van Abraham? Men kan op verschillende zaken wijzen.

We noemen de geboorte van Isaak. Uit de verzen 11 en 12 is al naar voren gekomen dat Isaak uit de dood geboren is. Abraham wordt ‘een verstorvene’ genoemd. Die geboorte van Isaak was naar de mens onmogelijk. Maar niet naar God. In dat geloof is Abraham op weg gegaan. De kennis van deze God, wiens stem hij vernomen heeft, doet hem overwegen dat God ook een weg weet wanneer Isaak geofferd zal zijn.

Dat blijkt ook - en daar vindt de schrijver steun in de tekst van Genesis 22 - wanneer Abraham tegen zijn knechten zegt: ‘... wanneer wij hebben aanbeden, zullen wij tot u terugkeren.’ Abraham spreekt in het meervoud. Nu alles nog moet gaan gebeuren is hij er al van overtuigd dat hij hoe dan ook met zijn zoon zal terugkeren. Die overtuiging kan niet anders dan betrokken zijn op die God die hem deze moeilijke weg met zijn zoon doet gaan.


Dit motief vinden we ook terug in de brief van Paulus aan de Romeinen (4:17). Blijkbaar is het een alom bekende zaak geweest, dat Abraham geloofde in de macht van God over de dood, hoewel dat in het Oude Testament nergens met zoveel woorden wordt gezegd.

Paulus haalt een woord aan over Abraham, de vader van alle gelovigen, uit Genesis (17:5): ‘Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld’. Hij voegt daar aan toe, dat Abraham deze positie kreeg voor ‘het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept’. De laatste woorden doen denken aan de schepping, maar ook aan de wonderlijke verwekking van Isaak.

Een lijn naar Golgotha?

In het geheel van het Nieuwe Testament is het opmerkelijk dat het offer van Isaak nauwelijks naar voren wordt gehaald als een voorafschaduwing van het offer van Jezus.

In het na-bijbelse geschift Barnabas gebeurt dat wel. Daar lezen we in 7:3 over het lijden van de Here Jezus. Aan het kruis wilde Jezus geen azijn (wijn) met gal drinken. Waarom niet? Omdat het de tijd van de vasten was. En in de Schriften stond geschreven, dat wie de vasten niet houdt de doodstraf moet ondergaan. We laten terzijde dat dit gebod niet sloeg op Pesach, maar op de Grote Verzoendag. Waar het om gaat is dat Barnabas dan zegt: ‘De Heer gaf dit bevel daar Hij om onze zonden het vat van de Geest (= het lichaam van Jezus) als een offer zou opdragen om zo de voorafbeelding (type) met betrekking tot Isaak, die geofferd werd op het altaar, in vervulling te doen gaan.’ Isaak op het altaar is hier dus type van Jezus aan het kruis. Maar dan zijn we in na-bijbelse tijd.


In de bijbel zelf vinden we het zo niet. Het laat zich denken dat de geschiedenis van Genesis 22 teveel misverstanden zou oproepen om voorafbeelding van Jezus’ offer te zijn. We noemen enkele aspecten, die indien ze zouden worden overgezet naar Goede Vrijdag gemakkelijk aanleiding zouden kunnen geven tot een verkeerd begrip: het element van de beproeving, waarmee God tot Abraham komt, het accent op Abraham in Genesis 22 en niet op Isaak, het ontbreken van de gedachte van verzoenend lijden in Genesis 22, verder het element van het toch niet gebrachte offer, waaraan de gedachte te verbinden is dat God dit offer ook niet wil. En zo zou er nog meer te noemen zijn.

Een lijn naar Pasen

Maar al mogen we vanuit Genesis 22 geen directe verbindingen leggen met Golgotha (Goede Vrijdag), we mogen dit hoofdstuk wel verbinden met de graftuin (Pasen). De schrijver van de brief aan de Hebreeën trekt de theologische lijn: deze God van Abraham, die de God van het leven is en zelfs daar waar de dood heerst zijn levensmacht openbaart, is de God van de Here Jezus Christus.


Abraham geeft ons, via de brief aan de Hebreeën, een geweldige Paasoverweging. Zoals Abraham God heeft leren kennen, zo heeft God zich ook in Jezus laten kennen. Die God is dezelfde toen, en nu, en altijd weer.

Die wetenschap mag mede de inhoud zijn van ons geloven. Ook dan als wij aangevochten worden en van ons gevraagd wordt het uit te houden in de verzoekingen en in de onzichtbaarheid van de dingen van God.