Joodse datum

19 nisan 5779
pesach

Parasja van de week

27 april

PESACH

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


zevende deel uit de serie:
Het jodendom als vraag aan de kerk

De vraag naar de verwachting


‘En over een paar jaar zijn ze allemaal chiliasten’ meende een niet onvermaard christelijk gereformeerd predikant naar aanleiding van een bijeenkomst over de betekenis van Israël. Hij heeft gelijk, in ieder geval een beetje. De vraag van het jodendom waarover het deze keer gaat, is voor ons een oude bekende. Steeds weer komt de kwestie naar voren van de betekenis van het jodendom en van het Oude Testament voor de toekomstverwachting van de kerk.

De laatste van de zeven vragen

We zijn gekomen bij de laatste vraag, de zevende. Een hele weg zijn we gegaan, een volheid van zeven vragen hebben we ons laten stellen. En wanneer we ze serieus genomen hebben, is er heel wat op ons afgekomen. Bijna anderhalf jaar (sinds september 2001) zijn we bezig geweest met de ‘vragen van het jodendom aan de kerk’ en hebben we ons daarbij laten leiden door het artikel met die titel van K.H. Miskotte.


Deze zevende vraag roept een aantal van de voorafgaande vragen nog eens in herinnering. Het is een echte en waardige afsluiting. De kern van de zaak wordt op een andere, nieuwe manier aan de orde gesteld. Het gaat hier over de ‘laatste’ vraag, over het onderwerp, dat in de dogmatiek ook wel ‘de laatste dingen’ wordt genoemd, maar het heeft gevolgen voor het hele christelijke leven.

‘Allemaal chiliasten’

Ik ben begonnen, het woord ‘chiliasten’ te gebruiken, maar dat moet ik eerst nader verklaren.

Uitgangspunt voor het chiliasme zijn enkele bijbelplaatsen (Openbaring 20), waar een tijdperk van duizend jaar genoemd wordt. Dat roept vragen op. Wat is dat voor een tijd en hoe kunnen we zo’n tekst begrijpen?

Chiliasten nemen die duizend jaar letterlijk en passen die in in een toekomstverwachting, waarbij de verschillende gebeurtenissen (wederkomst, opstanding, laatste oordeel) in een systeem gebracht worden, een soort ‘tijdpad van de laatste dingen’ met twee wederkomsten en daartussen die periode van duizend jaar. Dit tijdperk wordt dan ‘gevuld’ met de realisering van oudtestamentische profetieën, die in het nieuwe testament zelden meer genoemd worden. Daartoe behoren ook veel beloften aan Israël: de terugkeer naar het Land, de herbouw van de tempel, de erkenning van de betekenis van Israël door de volkeren.

Met deze constructie worden een paar problemen opgelost: die periode van duizend jaar krijgt een plaats in de tijd en de beloften uit het Oude Testament hebben niet hun betekenis verloren, maar vinden hun vervulling in een bepaalde fase van Gods plan met de wereld.


Juist omdat het bepaalde gedeelten van de Bijbel extra serieus neemt, is zulk chiliasme een voortdurende begeleider van christenen ‘zoals wij’ en van kerken zoals de onze. Dat was al zo in de tijd van de reformatie, in de tijd van de afscheiding en in de vorige eeuw - en het is in onze tijd nog net zo.

Omdat belangstelling voor Israël daar zeer goed bij aansluit, is het nog sterker geworden sinds de stichting van de staat Israël. Dat is een concreet historisch feit en wordt gezien als het begin van de verwachte vervulling. Verschillende kerken en groepen die Israël een warm hart toedragen, hebben dan ook zo’n gesystematiseerde verwachting van de toekomst.

‘Volkomen overtuigd van de komst van de Gezalfde’

‘Ik ben volkomen overtuigd van de komst van de Gezalfde; en hoewel het lang duurt, toch hoop ik dagelijks op hem, dat hij komt.’ Zo luidt het laatste artikel van de zogenaamde ‘geloofsbelijdenis’ van Maimonides.

Geloofsbelijdenissen vinden we in het jodendom zeer zelden. Maar deze grote joodse geleerde meende toch deze tekst te moeten schrijven. In die tijd, de vroege middeleeuwen, was het nodig, een soort joods ‘antwoord’ te hebben op de vele kerkelijke belijdenissen.

De hier aangehaalde zin is een belijdenis tegen de twijfel in: ‘hoewel het lang duurt...’ - maar de overtuiging blijft, de hoop wordt tegen die lange duur in vastgehouden, dagelijks.


Heel kort en algemeen wordt de inhoud van dit geloof genoemd: de komst van de Gezalfde, de Messias. Daar zou veel over te belijden zijn, maar dat gebeurt hier niet.

Het jodendom verwacht de Messias. Daarbij heeft ‘de Messias’ niet dezelfde betekenis als voor ons de Here Jezus Christus. Er wordt verschillend gedacht over deze ‘Gezalfde’. Soms wordt er één Messias verwacht, soms meerdere, en veel liberale joden spreken graag over een messiaanse tijd. Maar verschillen mogen er zijn. Het belangrijke punt is níet - en dat is voor ons misschien wat vreemd - de precieze inhoud van de verwachting. De hoofdzaak is, dát er verwachting is: levende verwachting, uitkijken en dan ook handelen vanuit deze hoop.

Daarbij is in het joodse denken de plaats van de mens heel belangrijk. Dat hebben we al bij enkele andere ‘vragen aan de kerk’ gemerkt: toen het ging over de ‘rust’ van de kerk, over het gebed en over de verlossing.

Soms wordt de plaats van de mens als partner van God zelfs zo benadrukt, dat het bijna lijkt, alsof God van de mens afhankelijk zou zijn. Dat was ook de moeite van Miskotte. Hij had zijn leven lang de vrees, dat het jodendom daarin eigenlijk te ver ging. En toch spraken de verantwoordelijkheid en de levende verwachting van het jodendom hem zo aan dat hij het nodig vond, de kerk deze vragen door te geven.


Miskotte gaat nog verder. Hij benadrukt hier nog eens, dat het bij deze vragen niet slechts gaat om vragen van Israël, maar om vragen van de Here God zelf aan zijn kerk.

De vraag naar de verwachting wordt ons gesteld door het bestaan van Israël, ja, door het gekwalificeerde bestaan van Israël. Het volk van God leeft voort - en blijft verwachten en uitkijken naar de verlossing, naar de Messias. Het is een wat andere manier van verwachten dan we vaak in de kerk zien. Het is een actievere en ook een nog vermoeiendere vorm van verwachten, omdat het veel vraagt van de mensen, gevolgen heeft voor het handelen, het bidden, het kerk-zijn, en voor het hele leven. Zo is de aanwezigheid van het verwachtende en hopende Israël volgens Miskotte de meest indringende, de laatste vraag aan de kerk.

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

K.H. Miskotte had ook wel een chiliastisch trekje. Hij zegt dat zelf. Niet in die zin dat hij een rijk van duizend jaren en twee wederkomsten verwachtte, zoals ‘echte’ chiliasten. Maar de vragen naar de beloften voor de wereld en voor Israël lagen hem na aan het hart. Ik geloof dat we goed kunnen zeggen dat juist de vragen van de chiliasten door Miskotte goed werden begrepen en overgenomen; de antwoorden echter niet.

Daarom nam hij ook bij dit thema een vraag van het jodendom aan de kerk waar, die hij zo formuleerde: het jodendom vraagt, of wij ‘Vorst-Messias en Zijn heerlijk Rijk nog verwachten’.

Dat lijkt een overbodige vraag, want het mag toch duidelijk zijn, dat juist de kerk de wederkomst van Christus verwacht. Dat wist Miskotte ook, maar hij stelt zijn vraag met nadruk zó: het gaat niet alleen om de Messias, maar ook om zijn rijk.


Er bestaat in onze eigen christelijke verwachting een zekere spanning tussen ‘in de hemel komen’ en de ‘wederkomst’. Dikwijls is te merken wanneer iemand overleden is, hoe belangrijk voor ons mensen de troost is, dat de overledene in de hemel bij de Here God mag zijn. Het lijden, de pijn en de ziekte zijn voorbij, en daarom is er naast verdriet om het overlijden ook dankbaarheid tot God. Soms krijg ik de indruk, dat we met die troost helemaal tevreden zijn en geen verdere verwachting meer nodig hebben. Geen verwachting van wederkomst van Christus, van opstanding der doden, van laatste oordeel. Meestal is tevredenheid een deugd, maar wanneer de Here God ons méér beloofd heeft, is het goed, er eens over na te denken waarom we dat beperken.


Hier zet de vraag in van het jodendom en van Miskotte, de vraag naar het rijk en naar de bovenpersoonlijke verwachting.

Puur persoonlijk, als enkele mens of enkele ziel, kun je uiteraard alleen maar heel tevreden en eeuwig gelukkig zijn met de hemel. In de Bijbel wordt ons echter ook geleerd, verder te kijken dan onze eigen ziel en zaligheid. Want hoe is het dan met de wereld, met de ‘schepping, die in al haar delen zucht en in barensnood is’ (Rom.8)?

De genade en de liefde van God zijn begrippen, die onmeetbaar zijn, en hun betekenis en werking gaan ons verstand verre te boven. Dan moeten we als kerk oppassen, niet te eng en te krap te zijn in onze verwachting.

De persoonlijke verwachting is voor ons als persoonlijke mensen centraal, zeker in tijden van rouw. Maar er zijn ook andere tijden en dan is het ook goed om te zien, dat er met wederkomst en oordeel, met opstanding der doden en met het Koninkrijk van God toch iets nog meer en iets anders bedoeld is dan het heil van de enkele mensen. We verwachten een nieuwe hemel, en ook een nieuwe aarde.

De gevaren van de wezenlijke vragen

Voor ons als kerk is het goed, dat het jodendom er is en vraagt; dat het leeft in de verwachting dat ook de woorden van de profeten vervuld zullen worden. Met zulke vragen moeten we bezig blijven.


Die brengen gevaren en risico’s met zich mee, onvermijdelijk. Want verwachting kan ontaarden in activisme, de plaats van de mens kan te groot en te belangrijk worden, of de verwachting wordt in een systeem gestopt op een manier, die (meen ik) de bijbelse gegevens onrecht doet en de ruimte voor verwachting eng maakt. Als je die gevaren ziet denk je misschien te snel: ‘allemaal chiliasten’.

We hoeven, net zoals Miskotte, de chiliastische antwoorden niet over te nemen om het belang van de vragen te zien en te erkennen. Angst voor gevaren kan ook leiden tot een grote geestelijke saaiheid en slaperigheid - en ook dat is zèlf een groot gevaar voor de kerk. Gevaren moeten vermeden worden, maar wanneer er geen gevaren zijn, zijn we dan wel met de wezenlijke vragen bezig?


Het is merkwaardig, maar heel vaak moeten we voor het rechte belijden langs de akeligste afgronden en over de smalste richeltjes lopen. Rust en veiligheid komen later, in de toekomst van de Messias. Tot die dag mogen we ons in ons kerk-zijn steeds weer laten storen door de vragen, die anderen ons stellen.

Een heel buitengewone plaats hebben daarbij de vragen van Israël, het volk van God en onze partner in de verwachting van het koninkrijk.