Joodse datum

19 adar 5779

ΦΉBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Een conflict om de verkondiging van Gods vrije genade

Bijbelstudie over Galaten 2:1-10


Uit de brief aan de Galaten blijkt dat Paulus het nodige heeft te stellen met bepaalde tegenstanders. Echter, hij richt zich met dit schrijven niet rechtstreeks tot hen, maar tot de gelovigen in Galatië. De apostel ziet de gemeente als slachtoffer van een religieuze propaganda, die hij betitelt als evangelie dat de naam van evangelie niet waard is (1:7). Daarbij moet Paulus constateren dat de gelovigen grenzeloos in verwarring zijn gebracht (1:7; 5:10). Zonder twijfel gaat het hier om gelovigen van heidense afkomst.


De vraag is in welke richting de tegenstanders van Paulus zijn te zoeken. Tegelijk ontvangen wij daarmee inzicht in de boodschap waarmee deze mensen de heiden-christelijke gemeenten in Galatië bestoken.

Het valt op dat de apostel in dit kader een bezoek ter sprake brengt dat hij en Barnabas aan de joods-christelijke moeder-gemeente in Jeruzalem hebben gebracht. Uiteraard brengt Paulus dat hier niet zonder reden ter sprake. Er moet een relatie tussen beide zijn: enerzijds de strijd die hij moet voeren tegen de dwaalleer die de gelovigen in Galatië zo in verwarring brengt, en anderzijds zijn bezoek aan Jeruzalem.

De waarheid van het evangelie bedreigd

Uit de brief wordt duidelijk dat - naar de mening van de apostel - de waarheid van het evangelie zoals hij die de Galaten heeft verkondigd, wordt bedreigd. In het geding lijken daarbij te zijn de besnijdenis en het houden van feestdagen (5:2).

De apostel spreekt in dit verband over het ‘binnensluipen van pseudo (= valse) broeders’ (2:4). Het is duidelijk, dat Paulus in Gal. 2:4 over deze mensen spreekt in relatie tot zijn bezoek aan Jeruzalem. Daar wordt hij met deze mensen geconfronteerd. Maar het is aan te nemen, dat Paulus tegelijk ook diegenen op het oog heeft die in de Galatische gemeenten zijn opgedoken en deze in verwarring brengen.


Om vast te stellen welke afwijking van het door Paulus verkondigde evangelie het betreft, is het van belang te ontdekken welke de betekenis is van het vermelden van zijn bezoek aan de moedergemeente van Jeruzalem.

Vooral de opmerking dat Paulus en Barnabas in gezelschap zijn van hun medewerker Titus, die van Griekse (= heidense) afkomst is en van wie met nadruk wordt vermeld dat hij onbesneden is, kan in het geheel niet zonder betekenis zijn.

Het is aan te nemen dat het gaat om het bezoek dat Paulus aan de moedergemeente heeft gebracht in het kader van de controverse tussen Antiochië en de gemeente in Jeruzalem. Lukas vermeldt in Hand. 15:1vv een conflict dat zijn oorsprong vindt in het optreden van ‘sommigen, uit Judea gekomen, die de broeders in Antiochië leerden: indien gij u niet laat besnijden naar het gebruik van Mozes, dan kunt gij niet behouden worden.’ In het door Paulus aangeduide bezoek aan Jeruzalem zouden wij dan te maken hebben met wat ons in Hand. 15 wordt beschreven als het zogenoemde Apostelconvent.

Principieel verzet

Uit wat Paulus in Gal. 2:2 vermeldt omtrent de reden van zijn bezoek aan Jeruzalem, wordt duidelijk hoezeer het optreden van hen die uit Jeruzalem naar Antiochië waren gekomen om de gelovigen onder het juk van de wet van Mozes te brengen, de apostel emotioneel sterk heeft aangegrepen.

Hij schrijft aan de Galaten, dat hij in Jeruzalem het evangelie zoals hij dat onder de heidenen had verkondigd hun - d.i. de gemeente te Jeruzalem - voorlegde, en afzonderlijk aan hen die in aanzien waren, ‘opdat ik niet vruchteloos liep of gelopen had.’ Blijkbaar gaat het Paulus erom dat vast te stellen. Het eventueel vruchteloos zijn van de apostel heeft dus nadrukkelijk te maken met zijn verkondiging onder de heidenen.

Het lijdt geen twijfel, dat het hier gaat om Paulus’ prediking van het in Christus’ persoon en werk besloten heil, het evangelie van Gods vrije genade in Jezus Christus. De apostel heeft met klem gepredikt dat de heidenen in dat heil mét Israël mogen delen, zonder daarbij gedwongen te worden tot de onderhouding van de Wet i.c. de besnijdenis en het houden van feestdagen.


De vraag naar de betekenis het ‘vruchteloos gelopen hebben’ van de apostel wordt uiteraard mede bepaald door de fanatieke bestrijding door hen, die hij aanduidt met ‘valse broeders’. Zij verwijten Paulus dat het evangelie dat hij onder de heidenen verkondigt van de vrijheid in Christus, niet het ware evangelie is. Zij zijn van mening dat hij daarbij God niet aan zijn zijde heeft.

Het is duidelijk dat het begrip ‘valse broeders’ dat Paulus gebruikt iets weergeeft van de heftigheid van de debatten. Moet Paulus aan de ene kant toegeven dat zij als broeders zijn te kwalificeren, aan de andere kant wil hij ze niet als zodanig accepteren. Hij is van mening, dat zij met hun wettische interpretatie van het evangelie de gelovigen tot slavernij brengen (2:4). Daarom staan deze mensen voor Paulus buiten de waarheid van het evangelie.

Samen met de heiligen

In ieder geval wil de apostel er van verzekerd worden via de gesprekken in Jeruzalem, dat hij ‘niet vruchteloos liep of gelopen heeft’. Daartoe wil Paulus aan de Jeruzalemse gemeente de verkondiging voorleggen, zoals hij die gebracht heeft aan de heidenen.

In het woord ‘voorleggen’ ligt niet de kwalificatie van goedkeuring of toestemming vragen. Die intentie heeft de apostel in het geheel niet; daarvoor is hij te zeer overtuigd van de geldigheid van het door hem aan de heidenen verkondigde. Immers, schrijft hij: ‘al zouden wij of een engel uit de hemel een evangelie verkondigen afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.’ (1:8)

Wat Paulus beoogt is een uitspraak van Jeruzalem over de opvatting van de ‘valse broeders’, die met grote stelligheid beweren dat de prediking, die Paulus brengt afwijkend is van wat de apostelen hebben geleerd. Aan een uitspraak daarover is Paulus alles gelegen. Zou namelijk door Jeruzalem de conclusie worden getrokken, dat Paulus met zijn verkondiging niet op de rechte weg is, dan zou daarmee de eenheid onder de gelovigen worden verbroken, hetgeen door Paulus wordt opgevat als een vruchteloos gelopen hebben. Hij zou dan immers zelfstandig verder moeten gaan met een deel van de kerk, het heiden-christelijke. Gezien de overtuiging van de apostel dat Gods heilsplan zich richt op zowel jood als heiden, is dit voor hem een onmogelijke weg.

Paulus heeft in het voorleggen van zijn verkondiging aan Jeruzalem nadrukkelijk de eenheid van de kerk op het oog.


Het is duidelijk, dat de ‘valse broeders’ in Jeruzalem zich van hun kant in dit proces hebben laten gelden. Paulus deelt daarover in de Galatenbrief mee ‘dat hij, vanwege de waarheid van het evangelie, voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg is gegaan.’ (2:5) Het gaat de apostel om het heil in Christus Jezus voor beiden, zowel jood als heiden. Daarom gaat hij geen moment opzij.


Paulus legt het door hem onder de heidenen verkondigde evangelie in het bijzonder voor aan hen die in aanzien zijn in de Jeruzalemse gemeente (2:2). Dat levert de apostel het oordeel op van legitimiteit van zijn verkondiging onder de heidenen. Het evangelie zoals hij dat verkondigd heeft onder de heidenen, zonder de verplichte onderhouding van de Wet i.z. besnijdenis en sabbat, wordt als wettig evangelie erkend door hen, die Paulus met opzet als autoriteit opvoert. Hij schrijft: ‘toen zij zagen dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen was toevertrouwd, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, en toen zij de genade opmerkten die mij geschonken was, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij de hand.’ (2:8) Men zag hoe God door Paulus aan het werk was onder de heidenen, welke zegenrijke resultaten daarbij zichtbaar waren geworden (Hand. 15:12). Daarmee werd duidelijk hoe door God ook aan hem het apostolaat was toevertrouwd, evenals aan Petrus.

Als bij het aangaan van een verbond wordt het geheel met handslag bekrachtigd. Deze handslag geldt als een openlijke bezegeling van de blijvende gemeenschap. Daarbij gaat het niet om Petrus en Paulus, maar om enerzijds Jeruzalem en haar missionaire praktijk onder de besnedenen, en aan de andere kant die van Antiochië onder de onbesnedenen.


Om de gemeenschap tussen gelovigen uit de besnedenen en de onbesnedenen nadrukkelijk tot uitdrukking te brengen, moesten de heiden-christelijke gemeenten, schrijft de apostel, ‘de armen blijven gedenken’. Hoewel uit de Galatenbrief niet onmiddellijk duidelijk wordt welke armen worden bedoeld, mag uit Rom. 15:26 worden afgeleid dat het hier de armen van de Jeruzalemse gemeente betreft, waarvoor Paulus zich, zoals wij lezen in zijn brieven, bijzonder bij de heiden-christelijke gemeenten heeft ingespannen.

Dat Paulus in de inzameling voor de gemeente van Jeruzalem heel Israël op het oog heeft, is een mogelijkheid (Hand. 24:17). In dat geval draagt de collecte iets in zich van het ‘Israël tot jaloersheid verwekken’. (Rom. 11:13)

Blijvend conflict

Dat de apostel juist in de Galatenbrief deze controverse over de verkondiging van het evangelie aan de heidenen ter sprake brengt, met daarbij ook het resultaat van de gesprekken met Jeruzalem, moet een reden hebben. En die reden kan niet anders gelegen zijn dan in het feit, dat hoewel de legitimiteit van de verkondiging van Paulus onder de heidenen op het Apostelconvent nadrukkelijk werd vastgesteld, er binnen de kring van de gelovigen uit de joden voortdurend bleven die zich daarmee niet konden verenigen. Deze mensen probeerden blijkbaar steeds weer terug te gaan achter de besluiten van het Apostelconvent.


Heel de Galatenbrief is er een duidelijk bewijs van hoezeer voor de jonge kerk het bestrijden van het onderhouden van de Wet als noodzakelijk tot het delen in het heil óók voor de heidenen, actueel bleef. Er was sprake van voortdurende bedreiging voor de tijdens het Apostelconvent gevonden eenheid. Het conflict tussen Paulus en Petrus, dat ons beschreven wordt in Gal. 2:11-14 is daarvan een duidelijk bewijs.