Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Een priestervolk

Schriftstudie over Exodus 19:1-8 en 1 Petrus 2:1-10


In de tijd dat de tempel te Jeruzalem er nog stond, maar de Messias Zijn offer aan het kruis had volbracht, schreef Petrus zijn brief aan de vreemdelingen in de verstrooiing.

Petrus wijst in hoofdstuk 2:4 op Gods verkiezing van de Hoeksteen zoals Psalm 118:22 daar over spreekt. Die uitverkoren Steen vormt nu het draagvlak voor een uitverkoren volk. Petrus vergelijkt het met de bouw van een geestelijk huis.

Datzelfde doet Paulus in Efez. 2. Hij ziet de gemeente, afkomstig uit Joden en heidenvolken, als een gebouw op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de Hoeksteen is. Het hele gebouw wast op tot een heilige tempel in de Heere, een woonstede Gods in de Geest! Dat is dus niet meer de letterlijke tempel, maar dat is een volk.

En zelfs ook niet meer alleen beperkt tot het volk Israël! De gemeente is in het aanzijn geroepen door Gods verkiezing.


In vs. 9 geeft Petrus vier kwalificaties van deze gemeente.

  • Allereerst zijn zij een uitverkoren geslacht - dat wordt in Jes. 43:20 van het volk Israël gezegd volgens de Griekse vertaling (Septuaginta) in precies dezelfde woorden.
  • De tweede benaming: een koninklijk priesterdom, is ook uit de Septuaginta overgenomen. De HEERE zegt in Ex. 19:6: ‘Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn.’ In Openb. 1:5,6 belijdt Johannes als lid van de kerk: ‘Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden gewassen in zijn bloed en ons gemaakt tot koningen/koninkrijk en priesters.’ In de hemel (Openb. 5:10) hoort hij de 24 ouderlingen en de 4 dieren hetzelfde zeggen: ‘Gij hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen/koninkrijk en priesters.’
  • Ook de kwalificatie een heilig volk komt letterlijk uit Ex. 19:6.
  • De vierde benaming komt zowel uit Ex. 19:5 (gij zult mijn eigendom zijn) als uit Jes. 43:20. (‘Dit volk heb Ik mij geformeerd als eigendom, zij zullen mijn lof vertellen’). Petrus vat het samen als: ‘Een volk ten eigendom. Opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Hem die u geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.’

De gemeente als volk van God

Waar het nu om gaat is dat Petrus hier aanduidingen die in het OT alleen op Israël als Gods uitverkoren volk betrekking hebben, toepast op de nieuwtestamentische gemeente die uit Joden en heidenen bestaat.

In Ex. 19 staat Israël vlak voor de unieke verbondssluiting op de Sinaï. ‘Gij zult Mij ten eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is van Mij’, zegt de HEERE. Deze toevoeging: ‘de ganse aarde behoort aan Mij’ beklemtoont niet alleen het recht van God op de volkeren en zo ook op de Israëlieten, maar ook de soevereine verkiezing door God. Evengoed had een ander volk verkoren kunnen worden.

Het is opmerkenswaard dat Petrus juist uit de beginfase van Gods speciale handelen met Israël, bij de officiële verbondssluiting, het algemeen priesterschap van dit volk aanhaalt als kwalificatie van de nieuwtestamentische gemeente.


Het priesterschap van de stam Levi was dus niet altijddurend. Dat wordt ons ook in de brief aan de Hebreeën voorgehouden naar aanleiding van het unieke priesterschap van Jezus, die uit de stam Juda is gesproten en priester is geworden naar de ordening van Melchizedek (Hebr. 7:11-17).


We stellen vast dat het NT benamingen voor het volk Israël bewust toepast op de gemeente van Christus. Zij heeft daarmee dezelfde hoge roeping als Israël.

De gereformeerden hebben dit als een nieuwe bedeling van het verbond gezien. Bekend is de onderscheiding van Calvijn: het gaat in OT en NT om hetzelfde verbond; alleen de bediening verschilt.


Datzelfde is ook in vers 10 te lezen, waar Petrus onmiskenbaar Hosea (2:22) aanhaalt: ‘Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.’ De profeet sprak tot Israël, met name het tienstammenrijk, dat het door God na een tijd van eigen afval weer als zijn volk aangenomen wordt: de dochter Zonder-ontferming mag weer delen in Gods ontferming en de zoon Niet-mijn-volk mag weer van Gods verbondstrouw horen: Mijn volk zijt gij. ‘Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.’

Paulus doet met deze profetie hetzelfde. Hij citeert nog iets meer letterlijk uit de Septuaginta, in Rom. 9:25. Ook hij betrekt deze tekst op Joden en heidenen. De reden waarom Petrus en Paulus dat doen is gelijk. Zij laten zien dat het alleen uit Gods genadige verkiezing is dat Israël is aangenomen en dat Hij evenzo vrij is om ook de heidenvolken tot Zijn heil te bestemmen. Hoewel Hosea zelf niet spreekt van de heidenen, toch bevat de in zijn profetie gelegde nadruk op de vrijmacht van Gods genade jegens zijn volk alles wat nodig was om het afkerige Israël duidelijk te maken dat God de heidenen in zijn plaats kon stellen.

Maar er is óók te zeggen dat wanneer Paulus de toebrenging van de heidenen ziet als de vervulling van Gods belofte, eens tot de tien stammen van Israël gesproken, er dan des te meer de verwachting mag zijn dat de HEERE zijn eigen volk nog zal toebrengen.

Er is maar één priestervolk

Volgens het nieuwtestamentisch getuigenis is er maar één priestervolk: de gemeente uit Joden en heidenen bestaande. Zoals God eens één volk uit de heidenvolken verkoos, wordt nu uit alle volken een volk gevormd.

Dat wordt ook met zoveel woorden gezegd door Jakobus op het apostelconvent in Jeruzalem: ‘God heeft eerst erop acht gegeven uit de heidenen een volk aan te nemen door zijn naam’ (Hand. 15:14). In het boek Handelingen wordt dat nog een keer gezegd, nl. door Christus in een nachtgezicht aan Paulus in Korinthe: ‘Ik heb veel volk in deze stad’ (Hand. 18:10). Verder gebruikt Handelingen op andere plaatsen het woord volk om er Israël mee aan te duiden.

In Joodse oren moet de uitspraak van Jakobus op het apostelconvent bijna godslasterlijk geklonken hebben; heeft God ook uit de heidenen een volk genomen? Er was immers een grote tegenstelling tussen Gods volk en de heidenvolken.


Het nieuwe van het NT is dat het het woord volk gebruikt als naam voor de gemeente van Jezus Christus. Zij is een nieuwe eenheid, het heilige volk van de laatste dagen, dat ontstaat en bestaat dankzij het verzoenend en verlossend handelen van zijn Messias. Hun geestelijke offers zijn alleen door Jezus Christus aangenaam voor God (1 Petr. 2:5).


Nadat we dit hebben vastgesteld (en daarmee het goed recht van de reformatorische visie op gemeente en verbond en kinderdoop), blijft er nog heel wat stof tot nadere bezinning over. Teveel om nu op te noemen.

Ook wat de priesterdienst van de gelovigen allemaal inhoudt is een onderwerp apart. Dat loopt van de dienst der gebeden en het offer der lippen tot concrete levensheiliging. Dit alles ‘in Christus’.