Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Israël roept om recht

Schriftstudie over Psalm 137:7-9


De slotwoorden van Psalm 137 lijken koren op de molen van hen die beweren dat religie altijd uitmondt in agressie, of het nu om het christendom, het jodendom of de islam gaat. Deze psalm is een prachtige psalm met een volgens velen afschuwelijk slot.

Aan Babels stromen zaten wij gevangen,
Daar weenden wij van weemoed en verlangen.
Hoe trok ons hart naar huis, wij treurden om
Jeruzalem, des Heren heiligdom.
O dagen van weleer, o heilge stede,
Wie ver van Sion leeft, is zonder vrede.


Het is een gevoelvol gedicht, dat in allerlei variaties en uitvoeringen van popsong tot opera bekend en geliefd is. Mensen herkennen er iets in van het heimwee van gedeporteerden, asielzoekers en andere ontheemden. We denken zeker ook aan de Sjoah, aan de verschrikkingen die de Joden gedurende het Hitler-regime hebben moeten ondervinden.


De wrede vijanden in Babel spotten echter met dit heimwee. Ze strooien zout in de wonden van de ontheemden: ‘Kom, zing nog eens zo’n mooi Sionliedje! Dat kunnen jullie Joden toch zo goed?’ Jodenhaat is altijd weer indicatie van vijandschap tegenover de Eeuwige.


De pelgrims in Psalm 137 gaan niet op de tartende oproep in. In plaats van het gevraagde lied klinkt een sombere weeklacht. Letterlijk en figuurlijk laten ze de harp aan de wilgen hangen. Jeruzalem is voor de balling onvergetelijk. Zijn hand mag verlamd worden - zodat hij nooit meer een muziekinstrument kan vasthouden -; zijn tong mag voorgoed vastkleven aan zijn gehemelte - zodat hij nooit meer kan zingen - als hij Jeruzalem uit het hart verliest. De liefde voor Gods stad en huis kunnen alle vijanden bij elkaar niet wegnemen. De levende God bewerkt zelf door zijn Geest dat de Joden door alles heen trouw blijven aan Jeruzalem, tot op de dag van vandaag.


Intussen laait er kennelijk ook een andere vlam, de vlam van haat en wraakzucht. We horen deze ballingen niet zeggen ‘Vader in de hemel, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen’. Integendeel, ze prijzen de wreker gelukkig die als represaillemaatregel onschuldige kinderen wreed zal verpletteren tegen de rotsen! Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kindertjes grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal. Een exclamatie waarbij je de schrik om het hart slaat, schijnbaar een heel ernstige ‘slip of the tongue’.


Hoe kunnen zulke woorden in de Bijbel staan, terwijl ze toch het radicale tegendeel lijken te zijn van de woorden en het voorbeeld van Jezus?

Laten we niet te gemakkelijk kritisch commentaar geven. Je moet de situatie in ogenschouw nemen. Het gruwelijke beeld van het verpletteren van kindertjes tegen de scherpe rotspunten past binnen de oorlogsmethoden van die tijd (2 Kon. 8:12; Hosea 10:14; 14:1; Nahum 3:10). We kunnen hier dus denken aan het beginsel van ‘oog om oog, tand om tand’. De wreedheden van de Babyloniërs mogen als een boemerang naar hen zelf terugkeren.

Menselijkerwijs is die gepassioneerde uitroep best te plaatsen. Is het niet mooi dat de Here hieraan ruimte geeft in zijn Woord? Bij God is kennelijk begrip voor mensen die diep in hun hart zijn gekrenkt en getergd.


Wat heeft dit met geloof te maken? Wel, hier klinkt niet een oproep om zelf een wraakactie te ondernemen en wordt niet terrorisme verheerlijkt dat met zelfmoordacties werkt. Ten diepste wordt hier de zaak in Gods hand gelegd. Hij zal het onrecht zien en Hij zal het wreken.

Immers, wie Jeruzalem vertrapt, trapt op zijn hart. Wie zijn volk aanrandt, die randt zijn oogappel aan. Babel, Antiochus Epiphanes, Herodes, Hitler enzovoorts kunnen heel ver gaan, maar hun ondergang staat vast vanaf het moment dat ze hun haat en vernietigend geweld tegen het volk der Joden richten.


In Psalm 137 roept de arme en ellendige luid tot God om hulp tegenover de vijanden en blijft ondanks alles hoop vestigen op de HERE, de God van het verbond. Israëls roep om recht staat hier niet in het kader van nationalistisch fanatisme. De geestelijke strijd tussen God en de anti-machten is aan de orde. Babylon staat tegenover Jeruzalem, zoals de satan tegenover God staat. In het optreden van de vijanden blijkt een demonisch karakter.


Heeft de HERE niet zelf volgens Genesis 12 tot Abraham gezegd toen Hij hem riep uit Ur: En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden? De kinderen van Abraham in Babylonische ballingschap herinneren Hem aan zijn eigen belofte als zij vragen: ‘o God, vervloek degene die ons vervloeken?’


Hier spreekt diep vertrouwen in het rechterschap van God. Het gaat om de handhaving van Gods eer. Er openbaart zich geloofskracht en overtuiging in die op het eerste gezicht zo grove en ongeestelijke woorden.

We kunnen niet zeggen dat dit nu ‘typisch oudtestamentisch’ of erger nog: ‘typisch joods’ zou zijn. Woorden van vloek over de hardnekkige vijanden van God en zijn volk vinden we evenzeer op vele plaatsen in het N.T. Denk bijv. aan Openbaring 19 met het gejuich over de val van Babylon als bolwerk van goddeloosheid en ongerechtigheid. Of ook aan de roep om recht van ‘de zielen onder het altaar’ in Openbaring 6.

De boodschap van de Bijbel is niet zoetsappig. Zeker, zowel het O.T. als het N.T. gebieden ons de liefde tot de naaste als onszelf. Het N.T. leert ons nog duidelijker dan het O.T. dat we ook voor vijanden moeten bidden en geen kwaad met kwaad mogen vergelden. Hetzelfde N.T. spreekt echter niet minder, eerder nog indingender over de toorn van God.


Terwijl we van harte bidden om de bekering van de vijanden, verstaan we toch deze roep om recht. Het heden waarin wij leven, wordt gekleurd als de tijd van Gods geduld en genade. De tijd van het zaaien van het goede zaad van het evangeliewoord is nu aan de gang. Koren en onkruid moeten samen opgroeien tot aan de dag van de oogst. De zaaier is pas in de oogsttijd de maaier.


In deze tussentijd geven we de vijand gelovig over in de hand van Hem die rechtvaardig oordeelt, 1 Petrus 2:23. Als het goed is, haten we de zonde, maar blijven we tot het einde toe bewogen over de zondaars. We nemen tegenover de vijanden de toevlucht tot God en roepen Hem aan om redding en bescherming. We bidden regelmatig en vurig voor onze medechristenen die verdrukt worden, alsook voor Joden die gediscrimineerd en bedreigd worden. We blijven geloven dat Gods vijanden vergaan en dat Gods ballingen thuis komen.