Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Loofhuttenfeest op de kerkelijke kalender?

Een blijvende vraag


Op de eerste dag van het Loofhuttenfeest (Soekot)is de profetenlezing Zacharja 14. Elk najaar, zo ziet de profeet, zullen de volken optrekken naar Jeruzalem om de God van Israël als Koning van heel de aarde te aanbidden èn om het feest van de loofhutten te vieren. Daarna keren de heidenvolken terug naar het land van hun herkomst, diep onder de indruk van de Naam en het Feest in het midden. Waarom worden de volkeren uitgerekend tijdens Soekot, genodigd als pelgrim naar Jeruzalem te komen?

De loofhut

Tussen Egypte en Kanaän strekt zich de woestijn. In dat land over de rand is alleen doorkomen mogelijk onder begeleiding en bescherming van de Eeuwige. De woning is een tent, niet veel meer dan een hut. Een vaste woon- en verblijfplaats is er niet.

Dit leven onderweg mag Israël niet vergeten. Telkens wanneer straks in het land de volle zomer is geweest, zullen natuur en geschiedenis samenkomen in de hut van loof. Zoals dit wankele bouwsel is het leven op aarde. De wanden zijn sterk genoeg om de wind te trotseren, maar in een slaande storm zullen ze het mogelijk begeven. En zo hoog mogen ze niet zijn opgetrokken, dat hun schaduwen het zonlicht zouden weren. Boven het hoofd is het dak waardoor de sterren aan de hemel zichtbaar blijven. Een dak van vertrouwen. Veiligheid is vrucht van vertrouwen en niet resultaat van kracht. In de kanteling van zomer naar herfst vindt Israël beschutting onder de vleugels van de Eeuwige, zoals een kuiken die vindt bij de moederhen.

Israël en de volken

De gedenkdagen van Israël koesteren de intimiteit van het verbond tussen de Eeuwige en zijn volk. De verkiezing van Israël is evenwel niet bedoeld als een ‘onderonsje’ tussen God en één volk met uitsluiting van de andere. Aan het Loofhuttenfeest kan de methode van Gods gaan door de geschiedenis worden afgelezen: vanuit Israël naar de einden van de aarde. De loofhut is wijd geopend naar de vier windstreken. Tijdens Soekot werden door Israël zeventig offers gebracht ter verzoening voor de wereld.

Zacharja 14 laat deze relatie tussen Israël en de volken zien. Maar ook: wie van de volkeren niet mèt Israël Soekot wenst te vieren, zal geen regen ontvangen (14:17) en tenslotte dus geen bewoonbare aarde onder de voeten meer vinden. In dit profetische spoor is later ‘het gebod van de loofhut’ verwoord: de uitnodiging aan de volken om Loofhuttenfeest met Israël mee te vieren als een test voor hun geloof in God.

Resoneren

De in onze dagen hervonden ontmoeting met het Joodse volk - ná de gruwelen van de Grote Nacht en ná het begin van een terugkeer van Israël uit de oorden van ballingschap - heeft zich te hoeden voor al te stellige woorden (Rom. 11:20). Wat is een goed werkwoord van relatie? Bij rabbijn Irving Greenberg, die aan de hand van de Joodse gedenkdagen het mooie boek The Jewish Way schreef, trof ik het werkwoord resoneren. Greenberg zegt te schrijven ook voor niet-Joden die de visioenen van het jodendom willen verstaan, om daarmee te ontdekken hoe het jodendom resoneert in hun eigen godsdienstige leven. Het leven van Israël wil weerklank, dat is: weer klánk vinden in het leven van de gemeente van Christus.

Het Evangelie naar Johannes

Johannes schildert in zijn evangelie de weg van Jezus tijdens de viering van Soekot (Joh. 7:2-10:21). Wanneer we het ‘loofhuttenevangelie’ volgens Johannes openen, volgen we Jezus aan de hand van de Joodse kalender in het najaar. We zien Jezus als de Verborgene (7:2-13), als de Leraar (7:14-36), als het Water des levens (7:37-53), als het Licht der wereld (8:12-9:41) en als de Goede Herder (10:1-21). De namen die Jezus hier draagt, verwijzen stuk voor stuk naar de tocht van Israël door de woestijn. Als Water en als Licht, als Herder en als Leraar: zó zien we Jezus getekend tijdens de viering van het loofhuttenfeest in Jeruzalem. Jezus ‘legt zichzelf uit’ in woorden van de woestijn, leest zó tijdens Soekot de Schriften van Israël wakker.

Hoe kan de kerk glans en gloed van het Loofhuttenfeest hervinden? Door te (her)ontdekken hoe Jezus zelf ons het geheim van dit feest binnenvoert, hoe Hij zelf tussen Pasen en Kanaän ons voorgaat in die grote en vreselijke woestijn van vurige slangen, schorpioenen en droogte (Deut. 8:15).

De kerkelijke kalender

De kerk kent wel de vertaling van Pesach en Sjawoeot, Pasen en Wekenfeest, in de lente, maar niet van het derde pelgrimsfeest van Israël in het najaar. Jezus in het voorjaar is de kerk bekend, de Jezus van het najaar nauwelijks. Trouwens de hele zevende maand op de Joodse kalender, waarin de grote gedenkdagen van het najaar vallen, is in het kerkelijke jaar ‘verdonkeremaand’ (W. Barnard). Langzaam maar zeker gleed na Pinksteren de kerkelijke jaarkring weg in een ‘feestloze’ helft. Het wachten was tot de adventsweken weer in zicht kwamen. De kerk leefde blijkbaar zozeer vanuit de ene kiem van het Paasfeest, dat Pasen het hele jaar vulde. Kunnen we de pool van het najaar, die van Pasen in de woestijn, terugvinden? Zullen we ooit het feest van de volle maan in de lente weer vieren samen met het feest van de volle maan in de herfst?

De Openbaring aan Johannes

Vaak zien kunstenaars eerder en scherper dan theologen. De gebroeders Van Eyck hebben op het Lam Gods retabel in de kathedraal van Gent het visoen van Zacharja 14 in éénheid met de Openbaring aan Johannes gezien èn verbeeld (zie het artikel over ‘het Lam Gods’ in V.o.I. 43-4). Maar wat te denken bij de kanttekeningen van de Statenvertaling naast Zacharja 14:16? ‘In het optrekken naar Jeruzalem beschrijft de profeet de inwendige godsdienst van de kerk van het Nieuwe Testament door de uiterlijke godsdienst die in het Oude Testament gebruikelijk is geweest.’

Verdringing van het Loofhuttenfeest in de kerk vertoont een onmiskenbare parallel met de weerstand tegen de opening van het laatste bijbelboek. De Openbaring biedt een uitgewerkte ‘orde van dienst’ voor een kerkelijke viering van Loofhuttenfeest. Liturgie voor de kerk onderweg in de woestijn. Maar wilde de kerk nog wel onderweg zijn?

Zacharja schetst de contouren van het bestaande Jeruzalem. Dan ziet hij hoe een nieuwe schepping de oude binnentrekt. Hij ontwaart in het licht van de unieke dag waarop geen nacht meer volgen zal, stromen van levend water uit de flanken van de stad. Deze wereld en de komende schuiven in elkaar, zoals wanneer twee diabeelden op het scherm over elkaar glijden: het ene gaat terwijl het andere komt.

De oude kerk heeft van dit leven tussen de tijden diepgaand geweten. Zij vormde een minderheid in de volkerenzee, zonder macht en kracht, als een hut van loof. De gemeente besefte nog dat het feest van de loofhutten onderweg ook voor haar was bedoeld. Loofhuttenfeest werd herkend als teken van het duizendjarige rijk. Wachten op de nieuwe schepping is naar het bijbelse grondwoord een wandelen (Jes. 40:31), een onderweg blíjven. Het is een loofhutten­bestaan.

Wat is van dit wandelen gebleven? Najaars-elementen raakten op drift door het kerkelijke jaar en vonden soms een vaste ligplaats in het voorjaar. Denken we aan de palmtakken van Soekot waarmee gezwaaid wordt op de Palmzondag. Ook zijn er vandaag groepen christenen die elk najaar naar Jeruzalem optrekken om Loofhuttenfeest te vieren. Naast aansluitingen kunnen hier kortsluitingen ontstaan. Het visioen van Zacharja kan niet zomaar, met overslaan van de geschiedenis van de wereldkerk, geplaatst worden op het toneel van Jeruzalem vandaag. Waaraan we in de eerste plaats denken? Aan de eredienst van de gemeente.

Kerstfeest in het licht van Loofhuttenfeest

Zoals we weten is het kerstfeest laatkomer in de rij van gedenkdagen. Pas in de loop van de vierde eeuw begon Rome een geregelde viering als bevestiging van het dogma van de incarnatie. Daarbij was de datum geënt op het bestaande midwinterfeest van heidense origine. Vier weken van Advent vormen sinds de vijfde eeuw de opmaat. Maar ook zijn er tellingen van zes of zelfs negen weken.


Mijn visioen is de weken van Advent jaarlijks te beginnen in het najaar, rond de tijd waarin het Joodse volk het loofhuttenfeest viert, om en nabij de achttiende zondag na Pinksteren. Wat mij betreft zou zó het nieuwe kerkelijke jaar mogen beginnen. De overgang van zomer naar herfst voelt aan als een jaarwisseling. Het begin van de herfst roept diepe gevoelens van verlangen op, van verwachting. Joodse Nieuwjaar valt in de herfst, een half jaar nà de lente. Of, het is maar hoe je telt, een half jaar vóór de nieuwe lente. Zoals elke nieuwe dag begint met de avond tevoren, begint een nieuw jaar met de herfst. Onze ogen zien avondschemering en vallende nacht, onze oren horen van een ochtendschemering en een ongekend nieuwe dag.

Vanuit het appèl van de eerste dag van Soekot, gaat de kerk dan op weg, opnieuw een kerkelijk jaar lang. Zacharja 14 wil eindelijk dóórklinken tot in de oren van de kerk, op de tonen van de sjofar, de ramshoorn, resoneren. De kerk zal gehoor geven aan de uitnodiging uit haar vaste woon- en verblijfplaatsen op te breken en als pelgrim op te trekken naar Jeruzalem. Zacharja schildert hoe het perspectief van de ene dag zonder avond en nacht (14:7) nu nog zich beweegt op een ritme van jaar tot jaar (14:16). Daarbij herhaalt zich de geschiedenis echter niet zonder meer. Volgend jaar in Jeruzalem zal ànders zijn dan dit jaar.