Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Ze hebben Mozes en de Profeten

Schriftstudie n.a.v. Lukas 16:29,31

Inleiding

De christelijke kerk heeft van meet af aan het Oude Testament als het Woord van God aanvaard. Toch bleef in de kerk steeds de vraag leven hoe het Oude Testament zich verhoudt ten opzichte van het Nieuwe. Zijn de Testamenten echt gelijkwaardig? Suggereert alleen al de uitdrukking ‘Oude’ niet dat het eigenlijk afgedaan heeft en de verdwijning nabij is? Moet daarom wellicht aan het Nieuwe Testament toch een meerwaarde toegekend worden?

De uitgave van afzonderlijke Nieuwe Testamenten, zoals nog steeds gebeurt, versterkt deze gedachte nog. De woorden van Jezus in vers 29 en 31 van Lucas 16 moeten bij iemand, die voor het eerst via zo’n Testament met Gods Woord in aanraking komt, verwarrend overkomen. Zou hem dan toch het eigenlijke Woord van God onthouden zijn? Wat Mozes en de profeten, zoals Jezus het Oude Testament noemt, en waarnaar volgens Hem ‘geluisterd’ moet worden, ons als centrale heils­boodschap aanreikt, willen we vanuit Lucas 16 gaan ontdekken. Tevens willen we op het spoor komen of dat iets anders en van een lagere orde is dan de heils­boodschap van het Nieuwe Testament.

De heilsboodschap

In de eerste drie verzen van de perikoop schildert Lucas de heilsboodschap die hij wil overbrengen. Jezus vertelt daar over twee mannen:

  1. ‘Er was een rijk man’ (vs 19).
    De man krijgt geen naam. Dat is overigens niets bijzonders. In geen van zijn gelijkenissen geeft Jezus namen aan de personen die worden beschreven. Het biedt de hoorder de mogelijkheid zijn eigen naam in te vullen. Hij kan zich spiegelen.
    Van de man worden twee dingen in het bijzonder gezegd:
    • Hij heeft ‘heerlijkheid’ of ‘grootheid’. Hij bezit vermogen...om te...?! In dat opzicht lijkt hij op God, die doorgaans in zijn heerlijkheid of grootheid beschreven wordt. De rijkdom wordt hier dus als iets positiefs gezien.
    • Hij helpt met zijn ‘heerlijkheid’ de behoeftige niet. Hij denkt slechts aan zichzelf: ‘levende alle dag vrolijk en prachtig’ (vs 19). Hij doet dus met zijn vermogen niets wat er werkelijk toe doet. Daarin lijkt hij in het geheel niet op God. Op deze wijze zorgt hij er bij zijn leven reeds voor dat er een ‘onoverkomelijke kloof’ (vs 26) ontstaat tussen hem en:
  2. ‘Er was een bedelaar’ (vs 20).
    De bedelaar krijgt wel een naam. Het is de enige persoon die Jezus in een gelijkenis een naam geeft. In deze naam wordt de heilsboodschap naar zijn kern getypeerd. De naam luidt:
    • * Lazarus
      In de Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, is dat El’azar. Dat betekent: God helpt.


Het is dus typerend voor God dat Hij zijn ‘rijkdom’ of ‘heerlijkheid’ tot hulp inzet. De evangelist Johannes geeft daar een prachtige omschrijving van. Hij zegt dat we in Jezus de ‘heerlijkheid’ van de eniggeborene van de Vader zien: ‘vol van genade en waarheid’ (Joh. 1:14).

De rijke man heeft dus elke dag voor zijn deur de heilsboodschap ‘God helpt’ liggen. Als hij een navolger van God zou zijn geweest, zou hij de kloof tussen hem en de bedelaar hebben overbrugd. Als mens naar Gods beeld geschapen had hij de bedelaar ‘in zijn schoot’ kunnen laten dragen (vs 22). Hij zou als rijke ‘engelen’ (vs 22) genoeg gehad hebben om dat te doen.

Decorwisseling

‘Het geschiedde’ (vs 22). Met deze woorden wordt een nieuwe situatie ingeluid. Beide hoofdpersonen sterven. Nu is, bij wat Lucas vervolgens gaat beschrijven, de verleiding groot te denken dat Lucas een tekening wil gaan geven van hoe het leven er in het hiernamaals uit zal zien. Dat beoogt Jezus hier niet. Integendeel, de spits van zijn betoog ligt bij wat ‘Mozes en de profeten’ de rijke man, de broers van deze man en dus ook ons vertellen over de heilsboodschap van God in ons dagelijks leven hier en nu. Die mag paradijselijke trekken vertonen. Zie maar!


Verteld wordt dat Gods rijkdom daarin bestaat dat hij zijn engelen gebiedt de arme man te dragen ‘in Abrahams schoot’ (vs 22). De uitdrukking is ontleend aan het gebruik in het oosten om bij maaltijden aan te liggen op rustbanken. Daarbij rustte het hoofd van de een ‘tegen de boezem’, of anders gezegd, ‘in de schoot’ van de ander.

Het tekent een plaats van liefdevolle nabijheid (zie o.a. Joh. 1:18; 13:23). Nu is Abraham de geliefde stamvader van Israël, die bij zijn dood in het paradijs werd opgenomen. ‘In zijn schoot’ gedragen worden of ‘aan zijn boezem’ liggen betekent dus: in het paradijs, of bij ‘God helpt’, zijn. Het mooie van het beeld is tevens dat het ons, in ‘Mozes en de profeten’, praktisch verwijst naar de op aarde ‘rijke’ Abraham, die eens ‘drie mannen’, die hem passeren, aan zijn tafel nodigt (Gen. 18:1-8). Hij brengt, in tegenstelling tot de rijke man, in de praktijk dat ‘God helpt’. Abraham laat al bij zijn leven geen ‘onover­kome­lijke kloof’ (vs 26) ontstaan.


Ook de rijke man sterft en wordt begraven. Hij verblijft in het dodenrijk, de plek waar men wacht op de opstanding. Van hem worden twee belangrijke dingen gezegd:

  • Hij slaat zijn ogen op, ‘onder de pijniging’ (vs 23).
    Voor ‘pijn’ wordt een woord gebruikt voor de manier waarop men in die tijd geld op basalt keurde. Het woord geeft dus de toetsing of beoordeling van zijn leven aan.
  • Hij ‘zag Abraham en Lazarus in zijn schoot’ (vs23).
    Toegevoegd wordt: ‘van verre’. Hij ziet dus niets nieuws. Hij ziet de ‘onover­kome­lijke kloof’ die er al was toen Lazarus, ‘God helpt’, nog voor zijn poort lag. Toen had hij Lazarus in ‘zijn schoot’ kunnen opnemen. Dan had hij nu met Lazarus ‘aan de boezem’ van Abraham‘gelegen. Zonder pijn, zonder afstand.

Achteraf vragen naar El’azar, God helpt

In de pijnlijke situatie, waarin de rijke man zich bevindt, doet hij een beroep op zijn stamvader Abraham. Hij vraagt twee dingen:

  • Hij vraagt om ontferming (vs 24), om wat hij dagelijks aan Lazarus had kunnen schenken: hulp, die God schenkt. Dat is de kern, de heilsboodschap, van het verhaal.

  • Hij verzoekt Abraham zijn nog in leven zijnde broers te laten waarschuwen (vs 28), zodat zij aan de pijn zullen ontkomen.

Opmerkelijk is, dat hij nog steeds over Lazarus wil beschikken. Die moet hem verlichting brengen (vs 24), die moet zijn broers bewaren voor de plaats van de pijn (vs 28). De grondhouding van de rijke man is nog steeds niet veranderd. Immers, toen Lazarus voor zijn poort lag had hij, zonder dat hij uit eigen belang beslag had hoeven te leggen op de diensten van Lazarus, zich door ‘God helpt’ verlichting kunnen laten schenken. Simpelweg door hem ‘in zijn schoot’ op te nemen. Abraham maakt dat duidelijk in vers 25. Behorend tot het Joodse volk is de rijke man ‘een kind van Abraham’, maar dat betekent niet dat hij over bepaalde privileges kan beschikken. Die had hij wel, maar die ontving hij uit wat hij als ‘kind van Abraham’ van God gekregen had.

Het beslissende antwoord

Bij het antwoord op de tweede vraag van de rijke man, het verzoek om zijn broers te waarschuwen, spits Jezus wat Hij wil overbrengen toe. Hij zegt bij monde van Abraham: ‘zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren’ (vs 29). Dat had jij, rijke man, voorheen, toen je nog op aarde leefde, moeten doen en dat mogen je broers nu doen, terwijl ze nog in het huis van hun vader verblijven (vs 27). Jezus maakt dus duidelijk dat de boodschap die Lazarus aan de broers moet gaan overbrengen hen reeds ter beschikking staat, namelijk in het Oude Testament. Tegelijk typeert Hij de centrale inhoud van het Oude Testament. Deze luidt kort en bondig: God helpt!


Het antwoord bevredigt de rijke man echter niet. Hij wil aan de boodschap kracht laten bijzetten door een wonder: ‘indien iemand uit de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren’ (vs 30). Abraham wijst het verzoek resoluut af. Als de centrale boodschap van Gods liefde, zoals die verwoord wordt in ‘Mozes en de profeten’, de broers niet tot de uitvoering van ‘God helpt’, dus niet tot het opnemen van een bedelaar ‘in hun schoot’, brengt, zal ook iemand uit de doden dat niet doen (vs 31). Kern van het Oude Testament is en blijft: God helpt.

El’azar is vlees geworden

Als we het Oude en Nieuwe Testament met elkaar vergelijken dan zien we dat de kern van de boodschap exact dezelfde is: El’azar, God helpt. Waarin onderscheidt het Nieuwe zich dan van het Oude? In de komst van de man die bij Lucas deze gelijkenis vertelt: Jezus. Johannes vertelt dat in Hem het Woord vlees geworden is.

Het Woord dat tot inhoud heeft ‘God helpt’, is onder ons komen wonen. Naar Hem, die ‘Mozes en de profeten’ bekrachtigt, moet worden geluisterd. Maar uitgerekend Hij is toch de opgestane? Zeker, maar dat is tot op de huidige dag een teken dat weersproken wordt.

Als we luisteren naar Hem doen we dat op grond van de boodschap die ‘Mozes en de profeten’ ons hier en nu overtuigend doorgeven: God helpt. Daarbij geloven en belijden we, door Gods Geest overtuigd, dat deze boodschap in Jezus op unieke en beslissende wijze aan ons verschenen is.