Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Kinderen van de duivel?

Schriftstudie n.a.v. Johannes 8:12-59


De uitspraak van Jezus in Johannes 8 vers 44 ’U hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen’, wordt wel één van de meest anti-Joodse opmerkin­gen van het Nieuwe Testament genoemd. Jezus is in gesprek met Joden. Deze Joden hebben zich net beroepen op het feit dat zij nageslacht van Abraham zijn. Vervol­gens zegt Jezus tegen hen: ‘Jullie hebben de duivel tot vader.’ Niet Abraham, maar de duivel is hun vader.


Nu is het zo dat het behoren tot het nageslacht van Abraham bepalend is voor de identiteit van deze en alle andere Joden. Als Jezus volgens de evangelist Johannes zegt dat zij kinderen van de duivel zijn, lijkt Hij daarmee een uitspraak te doen over elke Jood. In plaats van kind van Abraham te zijn, zijn dan alle Joden kinderen van de duivel. Zo uitgelegd wordt het hele Joodse volk gedemoniseerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze uitleg leidt tot de conclusie dat dit één van de meest anti-Joodse opmerkingen in het Nieuwe Testament is.

Terecht is deze uitleg en conclusie in het verleden al door verschillende theo­logen aangevochten. Er is een andere uitleg en andere conclusie mogelijk. Om daar te komen, kijken we eerst naar de context waarin deze woorden gesproken zijn.

Jezus als Rabbi

In Johannes 8 komen we Jezus tegen zoals we Hem vaker tegen komen in het vierde evangelie: namelijk, terwijl Hij onderricht geeft. Jezus voert verschillende leer­gesprekken in de tempel (vs. 20, 59). Met wie voert Hij die gesprekken?

Gesprekspartners

In vers 13 worden als gesprekspartner ‘de Farizeeën’ genoemd en in vers 22 ‘de Joden’. Om Joden gaat het ook in vers 31, maar Johannes benadrukt dat het daar gaat om Joden ‘die in Hem geloofden’. Jezus heeft dus in Johannes 8 verschillende gesprekspartners. Dat brengt ons bij de vraag: wie zijn zijn gesprekspartners in vers 44?


De eerste gedachte gaat uit naar ‘de Joden die in Hem geloofden’ uit vers 31. Deze gedachte geeft echter wel een probleem. Hoe is het mogelijk dat zo’n grote vijand­schap ontstaat in een gesprek van Jezus met Joden waarvan gezegd wordt dat zij in Hem geloofden? Kijkend naar het gespreksverloop zou je namelijk zeggen dat het in vers 59 nog steeds om dezelfde gesprekspartners gaat. Dat zou betekenen dat bij de Joden die in Jezus geloofden tijdens het gesprek zo’n grote omwenteling plaatsvindt dat ze Hem zelfs willen doden. Is dat mogelijk? Ze geloven toch in Hem?

Dat het niet onmogelijk is dat zogenaamde gelovigen geen werkelijke volge­lingen van Jezus blijken te zijn, kunnen we opmaken uit Joh. 2:23-24.

Als Johannes 8:44 gezegd is in een leergesprek, is ook de harde toon niet vreemd, als we kijken naar andere leergesprekken (vergelijk Joh. 6:60-66). Als Johannes de Doper in Matteüs 3:7 de Farizeeën ‘adderengebroed’ noemt, slaat hij dezelfde toon aan als Jezus doet in Johannes 8. Adderengebroed kan immers ook verwijzen naar de Satan als de slang.

Overigens kwam stevige taal binnen het zeer diverse jodendom vaker voor. De onderlinge discussies tussen Sadduceeën en Farizeeën, de verschillende facties binnen de Farizeeën en de tal van andere groepen in die tijd waren zeer intensief.


Blijft natuurlijk wel de vraag liggen waarom de spanning in Johannes 8 zo hoog oploopt dat Jezus’ gesprekspartners Hem in vers 59 willen doden. Om dat te begrijpen, moeten we naar de inhoud van het gesprek kijken.

Inhoud

Stond in het gesprek van vers 12-20 de betrouwbaarheid van Jezus’ getuigenis centraal, in de verzen daarna wordt vooral nadruk gelegd op het aannemen van dat getuigenis. Wat in deze verzen gezegd wordt, staat in het kader van een rechtsgeding. Er wordt een proces gevoerd waarbij het gaat om een betrouwbaar getuigenis.


Waarvan getuigd moet worden, is de waarheid. Het getuigenis is de belijdenis van Jezus als de ‘Ik ben’.

Keer op keer wijst Jezus er ook in dit gedeelte op dat Zijn werk nooit losstaat van de wil van de Vader. De eenheid tussen Hem en de Vader wordt wel heel scherp geformuleerd in vers 24: ‘Indien u niet gelooft, dat Ik ben.’

Zowel Exodus 3:13-14 als Jesaja 43:10 klinken in dit vers door. Jezus gebruikt in vers 24 het ‘Ik ben’ als de Naam van God (Ex. 3) en maakt er tegelijkertijd aan­spraak op dat Hij de door God Gezondene is (Jes. 43).

Dat Jezus door God gezonden is, wordt letterlijk gezegd in vers 26, 29 en 42. In vers 29 wordt ook nog eens de eenheid tussen de Zender en Jezus onderstreept door te stellen dat deze met Jezus is, dat Hij Jezus niet alleen heeft gelaten en dat Jezus in alles Zijn wil doet. Jezus benadrukt dat Zijn herkomst anders is dan die van Zijn gehoor als Hij zegt dat Hij van boven is en niet van de wereld (v. 23). In tegen­stelling tot de wereld is Hij zonder zonde (v. 46).


De felle reactie van de Joden op de herhaling van dit ‘Ik ben’ in vers 58 laat nog eens zien dat Jezus met deze woorden aanspraak doet op het aan God gelijk zijn.

Zij hebben zich gerealiseerd dat Jezus zichzelf op deze wijze heel direct met de HERE verbond. Op het gebruik van de Naam stond de doodstraf, zo vertelt de Misjna in traktaat Sanhedrin 7:5. De godslasteraar is niet schuldig, totdat hij de Naam uit­spreekt (vergelijk Lev. 24:15-16). Als Jezus in vers 58 de Naam gebruikt, verandert de houding van Zijn gehoor onmiddellijk. Ze willen Hem stenigen. Dat is de straf die staat op godslastering.


Wat Jezus Zijn gesprekspartners verwijt, is dat ze Zijn getuigenis op dit punt niet aannemen. Alleen door Zijn getuigenis aan te nemen, kunnen ze vrij zijn (v. 32). Uit vers 34 is duidelijk dat Hij het heeft over vrij zijn van zonde.

Zonde is hier vijandschap tegenover de wil van God. Deze vijandschap tegen­over God uit zich nu heel duidelijk in het ongeloof in Jezus. Het niet aannemen van Jezus’ woorden gaat tegen de wil van God in. Jezus spreekt immers Gods woorden (v. 28) en doet immers Gods wil (v. 29). In Hem is geen zonde (v. 46).


De Joden waarmee Hij spreekt, menen op grond van hun afkomst van Abraham te kunnen concluderen dat zij, omdat zij Abrahams kinderen zijn, vrij zijn (v. 33). Jezus maakt duidelijk dat juist in wat de kinderen ‘doen’ een aanwijzing ligt voor wie hun vader is (v. 34, 39, 41). Zij doen wat hun vader doet.


In dit gedeelte komen drie vaders ter sprake: Abraham, God en de duivel.


Jezus’ gesprekspartners zeggen Abraham als vader te hebben (v. 33, 39). Jezus kijkt naar hun daden en stelt: als u kinderen van Abraham bent, doe dan wat Abraham deed. Als zij dat gedaan zouden hebben, zouden zij zich in Jezus’ komst verheugd hebben (zie ook vers 56). Hun daden tonen niet dat zij kinderen van Abraham zijn.


Jezus’ gesprekspartners zeggen God als Vader te hebben (v. 41). Jezus kijkt op­nieuw naar hun daden en stelt: als God jullie Vader is, zouden jullie Mij liefhebben (v. 42)


Kijkend naar hun daden kan Jezus over hun vader geen andere conclusie trekken dan deze: zij hebben de duivel als vader. Kortom: als je daden niet zijn zoals dat hoort bij kinderen van Abraham en kinderen van God, dan kan dat ook niet je werkelijke identiteit zijn, maar dan ben je een kind van de tegenstander, de duivel.


De woorden van Jezus zijn niet gericht tegen deze Joden omdat ze Jood zijn, maar omdat ze geen werkelijke volgelingen van Hem zijn (v. 31) en door hun daden tot de door de duivel (v. 44) beheerste wereld blijken te behoren.

Hier is geen sprake van antisemitisme. Want Jezus zegt niet dat zij onder het oordeel zijn vanwege hun afkomst. Hij ontkent die afkomst ook niet (v. 37).


De strekking van heel Jezus’ betoog in Johannes 8 is dat er eenheid moet zijn tussen je identiteit en je daden. Dat zal deze Joden niet vreemd in de oren ge­klonken hebben. Het sluit volkomen aan bij hun denken.


Jezus trekt de volgende lijn: Kinderen van Abraham moeten zich ook gedragen als kinderen van Abraham. Abraham verwachtte de Messias en Jezus betuigt dat te zijn. Abrahams kinderen moeten nu blij zijn met Jezus en hem ontvangen. Jood-zijn, zo zegt Jezus dus, verplicht tot iets. Laat dan ook zien dat je Jood bent, namelijk door in Jezus te geloven.


Doe je dat niet, dan blijkt uit je daden dat je de leugens van de duivel aanneemt, in de macht van de duivel bent en tot de wereld behoort (v. 44-45). Uit vers 23-24 blijkt dat een ieder die van de wereld is, in zijn zonden zal sterven. Wat Jezus zegt is niet anti-Joods, maar anti-wereld.


Jezus wil bij Zijn gehoor, zoals bij ieder ander mens, doorprikken, dat zij tot erkenning komen van wie zij zijn tegenover Hem en Zijn hemelse Vader.


Om aan het oordeel te ontkomen, moeten Jezus’ woorden aangenomen worden en moet geloofd worden dat Hij ‘Ik ben’ is.