Joodse datum

19 nisan 5779
pesach

Parasja van de week

27 april

PESACH

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Pesach

Schriftstudie n.a.v. Exodus 13:8-10


Bij de voorschriften voor de viering van Pesach hoort ook de vraag van het kind naar de betekenis van het feest. ‘Waarom is deze nacht anders dan de andere nachten?’. Het antwoord op die vraag levert een uiterst boeiende leesregel voor de Schriften op en een treffende illustratie van het bijbelse kernbegrip ‘gedenken’.


Wanneer je een feest wilt vieren, is het nodig om te weten welk feest het is, waarom het een feest is, wat de aanleiding voor een feest is. Dat komt er heel duidelijk uit rond de viering van Pesach. Het grote feest van uitleiding en bevrijding van Israel uit het slavenhuis heeft heel wat te vertellen. Dat is ook een plicht bij de viering van dat feest.


Om te beginnen, de tekst:

8 En op die dag zult gij uw zoon uitleggen: Dit is ter wille van wat de HERE mij heeft gedaan bij mijn uittocht uit Egypte.
9 Het zal u zijn als een teken op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet des HEREN in uw mond zij; want met een sterke hand heeft de HERE u uit Egypte geleid. 10 Gij zult deze inzetting onderhouden op haar vaste tijd, van jaar tot jaar. (NBG)

Verwante teksten zijn:

Ex. 12: 26/27:

26 En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u,
27 dan zult gij zeggen: het is een Paasoffer voor de HERE, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde...


Ex. 13: 14:

En wanneer uw zoon u later zal vragen: Wat betekent dat? Dan zult gij tot hem zeggen: Met een sterke hand heeft de HERE ons uit Egypte, uit het diensthuis, geleid.


Deut. 6: 20/21:

20 Wanneer later uw zoon u vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen, die de HERE, onze God, u opgelegd heeft?
21 dan zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte, maar de HERE heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid...

Aantekeningen bij de vertaling

  • De woordstam n-g-d wordt zeer uiteenlopend vertaald. De betekenis is melden, meedelen, vertellen, verhalen, verklaren. De laatste betekenis ‘uitleggen’ (zie NBG) heeft mijn voorkeur, omdat er niet alleen gesproken wordt over wat er aan de hand is bij de viering van Pesach (...op die dag...; dit...), dus de inhoudelijke kant van de zaak. Maar het heeft ook alles te maken met de voorschriften uit Ex. 12 (Paasoffer van kleinvee; ongezuurde broden), en de andere attributen die bij de sedermaaltijd behoren.
    In dit verband mag ook de hagada ter sprake komen. Dit naamwoord is afgeleid van de werkwoordstam n-g-d. Het heeft tot op heden de betekenis van een boek dat gelezen wordt bij de seder. Zeer onlangs is er een nieuwe versie verschenen: De brede Hagada.
  • Een herinnering (zikron, van z-k-r = gedenken) tussen uw ogen.
    De SV heeft ‘gedachtenis tussen uw ogen’ en de HSV gedachtenisteken. Bij gedenken gaat het niet om een herinnering aan vroegere gebeurtenissen, maar om een tegenwoordig stellen van verlossende daden die vroeger hebben plaats­gevonden, en ook de verwachting dat in de toekomst evenzeer verlossende daden tot stand zullen komen.
  • Wet des HEREN (vs 9), (Thora) hier beter weer te geven met ‘onderricht’ (Naardense Vert.) of aanwijzing.

Nadere verklaring

In vers 8 gaat het, gezien de context, ineens over iets anders dan de wet op de eerstgeborenen (zie vers 1). Maar tegen die achtergrond is het wel opvallend dat de zóón vraagt (vs 14) danwel uitleg krijgt (vs 8). Waarom de zoon?

Omdat het eerstgeborene van de jongens in het geding is. De lossing van de eerstgeboren zonen is, gezien de historische achtergrond van de tiende plaag, een bevrijding uit de dood.

Wie dus met ‘kinderen’ (kanttek. SV en ook NV) vertaalt, laat dat aspect wel wat liggen. Het is overigens boeiend dat de NV dan zegt: Zo gedenk ik wat de HEER voor mij gedaan heeft, toen ik wegtrok uit Egypte. Een fraaie omschrijving, dat wel, maar zo staat het er niet.


Van groot belang is hier de nadruk op het persoonlijke ‘mij/mijn’. Wanneer dat generaties en zelfs eeuwen later wordt gezegd, dan zou dat vreemd klinken, want iedereen weet dan dat de vader nooit in Egypte is geweest. Tenzij hij het verhaal zo leest, alsof hij er zelf bij was en het zijn zonen zo vertelt, dat ze zich erin kunnen verplaatsen en het herkennen.

In dat verband is het boeiend om het commentaar van Rabbi Gamaliël te lezen (Mishna-tractaat Pesachiem 10.5):

“In elke generatie moet ieder zichzelf zo beschouwen, alsof hijzelf uit Egypte is gekomen, want er staat geschreven: En je zult je zoon vertellen op die dag, en zeggen: het is omwille daarvan, wat de HERE voor mij gedaan heeft toen ik ontkwam uit Egypte’. Daarom is het onze plicht om te danken, te prijzen, te verheerlijken, te eren, te verhogen, groot te maken en te zegenen Hem die deze wonderen verricht heeft voor onze vaderen en voor ons. Hij leidde ons uit van de slavernij tot de vrijheid, van zorg tot vreugde, van rouw tot feest­dag, en van de duisternis tot een groot licht, en van slavernij tot verlossing; Dus laten we voor Hem het Halleluja (Hallel-psalmen) zeggen”.


In het vervolg van de tekst wordt gesproken over het teken op de hand en de gedachtenis tussen de ogen. Dat heeft een sterke verwantschap met het Sjema Jisrael, (‘Hoor, Israël’) zoals we dat kennen vanuit Deut. 6:8. Maar nu wordt de reden eraan toegevoegd. In een kruislingse vergelijking correspondeert de zinsnede tussen de ogen met de woorden onderricht van de HERE in uw mond(of: op uw lippen), maar ook het andere: de zinsnede teken op uw hand correspondeert met de woorden met een sterke hand heeft de HERE u uit Egypte geleid .

Aldus blijkt er ook een eenheid van woord en daad te bestaan, niet alleen in het spreken en handelen van de HERE, maar ook wordt dat gevraagd voor in het spreken en handelen van Israël, en van allen die het mogen horen en zich daarbij betrokken weten.


Tenslotte wordt gesproken van een inzetting die onderhouden moet worden, ieder jaar. Dat heeft te maken met de viering van Pesach op de vastgestelde tijd. Die tijd is hier dus onbeperkt, dat wil zeggen: het gaat door tot in de eeuwen der eeuwen.

Voor de christelijke gemeente wil het ook iets zeggen. Dan denk ik niet zozeer aan de berekening van de Paasdatum, en ook niet aan het aanleggen van tefillien, Gebedsriemen met ‘doosjes op hoofd en hand/arm’). Belangrijker is de intentie, de bedoeling ervan. Zoals Jezus rond de Pesachviering de sedermaaltijd heeft ingesteld tot de Maaltijd des Heren, met daarbij de opdracht: Doe dit tot mijn gedachtenis, zo worden we aangespoord om niet alleen met Pasen, maar in alle tijden de grote daden van de HERE te verkondigen, totdat Hij komt.

Ook wij mogen het zo doen, alsof we er zelf bij geweest zijn en het hebben beleefd. We mogen het doorgeven aan de komende generaties. Dat geldt in het bijzonder voor het Paasgebeuren. Maar vandaaruit mogen we de hele Schrift horen en verstaan.