Joodse datum

19 nisan 5779
pesach

Parasja van de week

27 april

PESACH

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Trefwoord

A. Brons

Mogen wij u voorstellen...

Ds. Aart Brons en mevr. Tineke Brons


Vorig jaar beëindigde drs. Kees Jan Rodenburg zijn werk als Israël­consulent met als standplaats Jeruzalem. Namens het Centrum voor Israëlstudies (CIS), het samenwerkingsverband van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB), de Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) en de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) heeft hij ruim zes jaar lang in Israël gewerkt. Het afgelopen jaar is naar een opvolger gezocht. Deze werd gevonden in ds. A. Brons. Per 1 september is hij in functie getreden. Ter voorbereiding op zijn taak zullen hij en zijn vrouw een training volgen in Engeland.


Graag willen we als redactie van Vrede over Israël ds. Brons en zijn vrouw aan u voorstellen.

Het onderstaande artikel is de neerslag van de antwoorden die de nieuwe Israëlconsulent gaf op de vragen die we hem voorlegden. We zijn hem dankbaar voor de beantwoording. We spreken de wens uit dat ds. Brons onder de zegen van de God van Israël en tot zegen van Israël en de kerken behorend tot het samenwerkingsverband mag werkzaam zijn.

Kunt u iets vertellen over uw levensloop en uw gezinsverband?

Ik werd 54 jaar geleden geboren in Mijdrecht, waar mijn vader (op 21-jarige leeftijd) predikant was geworden in de Chr. Geref. kerk. Een belangrijk deel van mijn jeugd woonde ik in Veenendaal, tegenover het Christelijk Lyceum, waar ik het VWO heb gedaan. Met Grieks en Latijn - want ik wilde toen al graag dominee worden. Ik ben aansluitend theologie gaan studeren in Apeldoorn.

In Veenendaal heb ik mijn vrouw leren kennen, Tineke Annot. We trouwden eind 1978, en woonden tot 1983 in Apeldoorn. In dat jaar werd ik predikant, in Vlissingen. In 1991 gingen we naar de andere hoek van het land, voor twee gemeenten tegelijk: Wildervank-Veendam en Zuidlaren. En van 1997 tot voor kort stond ik in Kampen.

In Vlissingen werden onze drie dochters geboren. Die zijn nu inmiddels al weer een tijdje ‘het huis uit’. Wij zijn sinds november vorig jaar ook opa en oma.

Kunt u nog iets meer zeggen over uw theologische vorming, en speciale interesses?

Ik heb dus gestudeerd in Apeldoorn, waar in die tijd J. van Genderen, B.J. Oosterhoff, W. van ’t Spijker, W.H. Velema en J.P. Versteeg hoogleraar waren. Ze hebben allemaal het nodige bijgedragen aan mijn vorming, maar ik wil toch prof. Oosterhoff en vooral ook prof. Versteeg in het bijzonder noemen. Ik had ook (en heb nog) het meest met de Bijbelse vakken, vooral exegese Oude en Nieuwe Testament.


Heel belangrijk is voor mij geweest dat ik na het eerste studiejaar in Apeldoorn (een jaar waarin we vooral veel Hebreeuws kregen) een reis naar Israël kon maken. Meteen werd toen duidelijk dat mijn kennis van het Hebreeuws nog niet veel voorstelde. Ik werd toen door Joden “jaloers gemaakt” (om die in Rom. 10 en  Rom. 11 zo belangrijke woorden maar eens te gebruiken). Ik zie nog voor me hoe in de synagoge in Tiberias een jongetje mij de gebeden in het boek aanwees; zo jong als hij was wist hij precies waar we waren en las het heel vlot, maar voor mij ging het veel te snel...

Ook op andere manieren maakte het Joodse volk en hun godsdienstig beleven diepe indruk op mij - weer te geven met de uitdrukking “Am Jisra’eel chai!”
(= het volk Israël leeft). Het was in 1975; het wonder van het leven van Israël als volk in het land was tastbaar - zeker ook door een bezoek aan Yad vaShem, het holokaust-museum. Ik werd enorm gefascineerd door alles wat ik zag.

Er was toen nóg iets dat diepe indruk op mij maakte: Dominus flevit, de kapel op de plek waar Jezus geweend zou hebben over Jeruzalem. Die plek gaf mij niet alleen een schitterend uitzicht op Jeruzalem, maar ook een andere kijk: als het ware met de ogen van Jezus, die daar ergens stond, vlak voor Zijn grote lijden. Maar Zijn wenen was één en al bewogenheid over Jeruzalem, over wat daar gebeurde en nog zou komen: “och, dat gij op deze dag verstond wat tot uw vrede dient...


In mijn studietijd heb ik mij vervolgens bijzonder beziggehouden met beter Hebreeuws leren, met het jodendom en met de vragen op het terrein van de relatie kerk en Israël. Ik werd bijzonder geboeid door de Joodse filosoof en theoloog Martin Buber, en met name ook door de manier waarop hij de Bijbel las en vertaalde.


Later kreeg mijn bezig-zijn met Israël een vervolg: in 1992 werd ik lid van deputaten Kerk en Israël. Daardoor heb ik het werk van ‘onze Israëlwerkers’ H.M. van der Vegt en C.J. van den Boogert meer van nabij gevolgd, en naderhand ook dat van C.J. Rodenburg, die daar mede namens ons was, als Israëlconsulent van het CIS. In het deputaatschap Kerk en Israël neemt ook de bezinning een belangrijke plaats in. Ik heb er heel veel van mogen leren.

Eén van de manieren waarop ik mijn bijdrage leverde was het verzorgen van de website van deputaten kerk en Israël (www.kerkenisrael.nl). Later kwam daar ook www.centrumvoorisraelstudies.nl bij.

U hebt gereageerd op de advertentie om te solliciteren naar de functie van Israëlconsulent. Was het de eerste maal dat u de overtuiging kreeg dat daar voor u een roeping ligt, of was dit al eerder het geval?

In de 90-er jaren ben ik ook op een bepaald moment erg bezig geweest met de vraag of er een roeping voor mij in Israël zou liggen. Er gebeurden toen ook een paar dingen, die mij een bijzondere vingerwijzing leken. Maar het ging toch niet door. Dat vond ik toen enerzijds heel moeilijk: je denkt Gods leiding en roeping duidelijk te zien, maar het blijkt toch niet Zijn weg te zijn. Anderzijds was het toch ook wel een opluchting; het zou heel veel gevraagd hebben van mij en zeker ook van het gezin. Onze situatie is nu anders. Tineke en ik zijn heel blij dat we alsnog naar Israël kunnen gaan, maar nu in — wat onze gezinssituatie betreft — makkelijkere omstandigheden. We hebben ook het gevoel dat alsnog puzzelstukjes op hun plek vallen en zijn verwonderd over de weg die de Here met ons gaat en ging. We vertrouwen op Hem, ook voor de toekomst. Dan blijft het nog spannend, en er zal veel gevraagd worden. Maar we gaan niet alleen!

Wat ziet u als de voornaamste taak in de ontmoeting met Israël?

Ik wil daar zijn als Verbi Divini minister, dienaar van het Goddelijke Woord. Dat mocht ik zijn in de diverse gemeenten. Dat wil ik ook zijn in Jeruzalem, zij het daar wel op een totaal andere manier... Ik heb daar geen ‘eigen gemeente’, maar mag de HERE en Zijn Woord dienen in het contact met Israël.

Mijn gebed is dat Gods Woord daarin tot zijn recht zal komen. En wel: 1) In hoe ik het zal verstaan — ook daar nog beter hoop te gaan verstaan, bij de concreetheid van ontmoetingen en vragen. En 2) in hoe ik het Evangelie mag doorgeven, als getuige van Jezus de Messias.

Belangrijk hierbij is dat het in verbondenheid met de kerken gebeurt.

Welke opdracht krijgt u vanuit het CIS mee voor uw werk in Israël?

De uitgebreide taakomschrijving is terug te vinden op de website van het CIS. Als het gaat om de kern, denk ik aan de kernwoorden voor wat het CIS wil in de Joods-christelijke ontmoeting: luisteren, dienen en getuigen. In mijn werk zal het vooral gaan om luisteren en getuigen.

Het luisteren staat niet voor niets voorop. Daarmee begint het. Dat is in deze relatie zo mogelijk nog belangrijker dan in andere. Twee kanten zijn belangrijk: we moeten luisteren naar wat er aan Joodse zijde is aan bezorgdheid en angst en achterdocht, aan vragen en twijfels m.b.t. christenen — helaas gevoed doordat er heel veel is misgegaan in de relatie van de kerk tot het jodendom. Maar dan ook: we moeten luisteren naar hún luisteren naar de Schriften. En dan graag ook: samen luisteren naar de Schriften.

En dan ook getuigen. Wij lezen de Schriften anders, en geloven dat zij getuigen van Jezus als de Messias (Joh. 5:39»). En dat wil ik niet onder stoelen of banken steken, maar in bescheidenheid en met overtuiging doorgeven. Er is veel waar wij als christenen ons voor moeten schamen. Maar níet voor het Evangelie. “Want dat is een kracht van God tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de heiden” (Rom. 1:16).

Heeft u ook een taak naar de kerken in Nederland?

Dat is een heel belangrijk deel van mijn werk: mijn missie naar de kerken toe is dat ik voortdurend aandacht, liefde en gebed voor Israël zal vragen en voeden. Ik hoop geregeld van me te laten horen. Onder andere doordat ik twee keer per jaar veertien dagen naar Nederland kom voor een tournee, om dan op zoveel mogelijk plaatsen te (s)preken. Ook zal ik graag via publicaties de kerken informeren over ontwikkelingen in Israël en mijn werk aldaar. Ik zal ook betrokken zijn bij (de voorbereiding van) studiereizen en seminars.

Eén van de partners is de CHE, een onderwijsinstelling. Welke rol speelt deze instelling bij uw werk en welke taak krijgt u in dit verband?

Ik vind het heel mooi en ook heel wezenlijk dat de CHE als partner bij het CIS betrokken is, dat Israël een plek heeft temidden van alles wat de aandacht van de studenten vraagt. Via de CHE kunnen vooral jonge mensen bereikt worden. Dat zal wat mij betreft een belangrijke doelgroep zijn. Bij oudere generaties is er vaak nog wel (iets van) de sympathie die Israël enkele tientallen jaren geleden in Nederland had (waar een wellicht veel sterkere sympathie van Joden voor Nederland voor terug kwam). Voor de jongere generatie is de situatie anders; wat zij via de media naar zich toe krijgen m.b.t. Israël brengt eerder tot afstand of antipathie. Des te belangrijker dat zij leren Israël ook in het licht van de Bijbel te zien.

Ik hoop daaraan te kunnen bijdragen, o.a. door mijn aandeel bij studiereizen voor studenten en docenten van de CHE, en evt. studie- of stage-begeleiding.

Kunt u iets vertellen over de bijzondere band van God met het volk Israël? En is die band blijven bestaan na de komst van Jezus?

Over die band — het verbond — staat de Bijbel vol. Die band stond ook in de tijd van het OT al onder zware spanning. Soms leek het einde nabij, of zelfs gekomen. Terecht, gezien de ontrouw en zonden aan de kant van de mensen. Maar toch ging God steeds door, ja, kwam Hij zelfs weer met een nieuwe inzet. Ook als mensen ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet (2 Tim. 2:13).

Die band is er ook nu nog. In Romeinen 11:1 staat het zwart op wit: “Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet!” God laat nooit los wat Hij begon. Als dat niet (meer) zou gelden ten aanzien van Israël — wat hebben wij dan nog te verwachten? Als gelovige die zelf alles alleen van Gods trouw en genade en barmhartigheid en verkiezing kan verwachten, kan ik ook de hoop en verwachting voor Israël niet opgeven.

Wat is de relatie van de kerk tot Israël? Bestaat die nog? Kan/mag de kerk zich losmaken van Israël of is er zoiets als blijvende verbondenheid?

Op de website van het CIS staat ergens: ‘Wie Israël vergeet zaagt de tak door waar hij zelf op zit.’ Eigenlijk is het nog erger: dan kappen we de boom waar we zelf takken van zijn. Dan maken we ons los van onze ‘roots’! Ik zeg dat met een zinspeling op het beeld dat Paulus gebruikt in Romeinen 11: de gelovigen uit de heidenen zijn ingeënt in de oeroude olijfboom van Israël. Als “wilde takken” — en dat zou geen teler verzinnen; dat zijn de slechtere! Paulus zegt er daar dan meteen bij: “Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen.” (vs. 19-21) Nou, inderdaad is in de kerk vaak gezegd: wij zijn voor die oude takken in de plaats gekomen; wij zijn dus beter, precies wat God wél wilde. De waarschuwing die volgt (“wees niet hoogmoedig, maar vrees”) is vaak vergeten, met alle noodlottige gevolgen van dien.

In datzelfde hoofdstuk (Rom. 11) komt nog iets naar voren: dat de Here gelovigen uit de heidenen wil gebruiken met het oog op Zijn volk Israël, “om hen tot jaloersheid te verwekken” — om dus zo toch ook weer, met een nieuwe inzet, aan Zijn oude volk te trekken.

Pijnlijk raak is ondertussen de opmerking van de Joodse schrijver Pinchas Lapide, die vaststelde dat christenen op vele manieren hebben geprobeerd Joden te bekeren, soms letterlijk ‘met alle geweld’, maar dat ze ver weggebleven zijn van het tot jaloersheid wekken.

God vergeet Israël niet. De kerk mag dat ook niet, maar deed en doet het al te vaak...

Toen we als Christelijke Gereformeerde kerken nog zelfstandig een predikant uitzonden waren er twee kerken aangewezen om zendende kerk te zijn. Dat is nu niet meer het geval. Wie zal nu als zendende kerk optreden?

De Chr. Geref. kerk te Kampen, waar ik vele jaren heb mogen werken en waar voor ons veel banden liggen, zal in deze directe zin ons “thuisfront” zijn. Dat is voor ons heel belangrijk. Voor ons en ons werk in Jeruzalem is het belangrijk dat we gedragen worden door gebeden. Dat zal vanuit de CGK in Kampen en door allen met wie wij op een andere manier persoonlijke banden hebben, op een directere manier kunnen gebeuren. Maar we hopen dat ook breder, bij het gebed om “Vrede over Israël”, ons werk een plaats zal hebben; bij heel de achterban!