Joodse datum

16 adar sjeni 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Wederopbouw in de schaduw van de Sjoa


Toen op 5 mei 1945 Nederland dan eindelijk was bevrijd, moesten de handen uit de mouwen. Het land moest weer opgebouwd worden uit de desolate toestand waarin de nazi’s het land achterlieten. De grote vraag was hoe die wederopbouw eruit moest zien: een herstel van de voor­oorlogse situatie of juist een vernieuwd Nederland? Diezelfde vraag speelde niet minder voor de Joden die uit onderduik en kampen terug­keerden en de Joodse gemeenschap moesten opbouwen.


Lange tijd zagen historici de Tweede Wereldoorlog als een belangrijke cesuur, breuklijn, in de moderne Nederlandse geschiedenis. Veel ontwikkelingen werden verdeeld in ‘voor de oorlog’ en ‘na de oorlog’. De oorlog trok een scherpe lijn en scheidde het ouderwetse, wat starre vooroorlogse Nederland van het moderne en vooruitstrevende land na 1945.

Die visie is inmiddels echter gekanteld en de nadruk ligt nu vooral op de conti­nuïteit, waarbij de oorlog als een intermezzo fungeert. Ondanks de dromen en plannen van een groep intellectuelen voor een ‘nieuw Nederland’, gestempeld door eenheid, verdraagzaamheid en sociale gelijkheid, wonnen de oude, verzuilde struc­turen het. Pas de jaren zestig zouden voor de maatschappelijke omwenteling zorgen die daaraan een einde maakte.

Tegen deze achtergrond loont het de moeite om ook naar de wederopbouw van het Joodse leven na 1945 te kijken. Welke idealen leefden er bij Joden die zich inzetten voor het herstel van de Joodse gemeenschap? Wat was het resultaat van al die inspanningen na een aantal jaren?

Chaos

‘De mensen hier proberen weer wat op te richten, hetgeen door de oorlog, of beter gezegd, door de Duitsers is verdwenen’, zo richtte Fré Melkman-de Paauw zich op 3 september 1945 in een brief aan haar moeder in Palestina. Haar brieven, die in 2002 in een door haar zoon Dan Michman geredigeerde vorm verschenen als Hoe het verder gaat, weet niemand, leggen een ingrijpend getuigenis af van de inspanningen om ‘weer wat op te richten’. Maar, zo tekende ze daar al direct bij aan: ‘De totaal veranderde omstandigheden hebben velen losgemaakt van vroegere opvattingen.’ Daardoor was ook de wederopbouw van Joods Nederland een spannend gebeuren, waarvan niemand bij voorbaat de uitkomst al wist.

Wat de beginperiode stempelde, van mei tot december 1945, was grote chaos. De meeste Joodse organisaties waren door de Duitsers geliquideerd en konden slechts weer snel opgericht worden door de terugkeer van de bestuursleden. Als dat niet mogelijk was, resteerden veelal lange procedures bij het Nederlands Beheers­instituut. Het was daarom gemakkelijker om nieuwe organisaties op te richten, al dan niet in afwachting van de terugkeer van de vertrouwde vooroorlogse instituties. Over het hele land verspreid ontstonden zo losse Joodse comités, commissies en stichtingen — elk met een eigen agenda, achterban en idealen.

Eenheid en verscheidenheid

Uit die veelheid van lokale organisaties kwam er echter een naar voren die vrij snel een monopolypositie verkreeg: de Joodse Coördinatie Commissie (JCC), gestart in 1944 in Eindhoven. Dankzij een snelle erkenning door het Militair Gezag en door de aanwijzing als enige ontvanger van donorgelden door de Amerikaans-joodse hulp­verleningsorganisatie Joint, werd de JCC een populair concept en sloten veel andere comités zich bij haar aan.

De JCC werd gedreven door een duidelijke vernieuwingsagenda. Net als de pro­gressieve intellectuelen een ‘nieuw Nederland’ wilden, zo verlangden de oprichters van de JCC naar een ‘nieuw Joods Nederland’. Zij beoogden een verenigde Joodse gemeenschap, waar iedereen die het slachtoffer van de nazi’s was geweest, zich thuis zou weten. De vooroorlogse religieuze en politieke verdeeldheid moest over­wonnen worden. Orthodoxen, liberalen en seculieren, zionisten en anti-zionisten zouden elkaar de hand moeten reiken en in een grote koepelorganisatie samenwerken. In haar beleid probeerde de JCC dit ideaal dichterbij te brengen.

Het eenheidsideaal werd sterk gevoed door het zionisme, dat na 1945 een forse impuls had gekregen. De zionisten zagen alle Nederlandse Joden als deel van een Joodse volksgemeenschap, die zolang ze nog niet naar Palestina waren vertrokken in een nationale eenheidsorganisatie verzameld moesten worden. Joden moesten gered worden van een opgaan in het Nederlandse volk, zo stelden zij zich tot doel.

Met enkele maanden vertraging kwam ook de oude, vooroorlogse bestuurders­elite weer in actie. Hun antwoord op de Sjoa was niet vernieuwing, maar terugkeer: de draad oppakken waar die in oorlogstijd werd doorgesneden. Zoveel als mogelijk was moesten de oude, vooroorlogse instellingen weer terugkeren, met zoveel moge­lijk dezelfde mensen aan het roer. De Nederlandse Joden moesten zich zo spoedig mogelijk weer voegen in het geheel van de samenleving, hun taak oppakken en met de andere Nederlanders werken aan de opbouw van het gezamenlijke vaderland.

De traditionele orthodoxie wilde samen met de bestuurderselite terugkeer naar de vooroorlogse situatie. Maar daarbij werden wel eigen idealen nagejaagd, want ook zij wilde haar positie versterken. De drie opperrabbijnen die de oorlog hadden overleefd, richtten al in augustus 1945 het Opperrabbinaat voor Nederland op. Dit was een nieuwe instelling, die ervoor moest zorgen dat de rabbijnen zoveel mogelijk invloed zouden krijgen op het beleid en de wederopbouw. De focus lag daarbij op versterking van de orthodoxe groep binnen het geheel van Joods Nederland.

Herstel en vernieuwing

Uit de botsing van idealen ontstonden de contouren van naoorlogs Joods leven. Daarbij lieten zowel ‘vernieuwers’ als ‘restaurateurs’ hun sporen achter. De ver­nieuwers slaagden erin om de vooroorlogse uitsluiting van buitenlandse Joden op te heffen, die nu voor het eerst volop mee mochten doen in het Nederlands-Joodse leven. Ook de positie van vrouwen werd verbeterd door de invoering van het actieve vrouwen­kies­recht in de (orthodoxe) Joodse gemeenten. De zionisten kregen in vrijwel alle Joodse organisaties grote invloed en konden zoveel als mogelijk hun eenheidsidealen doorvoeren.

Het grootste succes van de ‘vernieuwers’ was wellicht de totstand­koming van het Joods Maatschappelijk Werk. Als overkoepeling — en steeds meer in plaats van — tal van locale en nationale organisaties ging JMW de hele breedte van Joods Nederland bedienen. Het eenheidsideaal kwam daarin volop tot zijn recht.

De grote motor achter dat ideaal, de JCC, redde het echter niet. Toen de Joint besloot om West-Europa niet langer financieel te ondersteunen, werd het duidelijk dat de JCC ruim baan diende te maken voor het vooroorlogse Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap. De strijd tussen ‘vernieuwers’ en ‘restaurateurs’ verplaatste zich daarmee binnen de boezem van het NIK. De bestuurderselite keerde deels terug, maar moest de nieuwe, jonge generatie van ‘vernieuwers’ naast zich dulden.

Aanvankelijk leek het erop dat het NIK de nieuwe grote koepelorganisatie zou worden. Zionisten zagen het NIK als nationaal verlengstuk van de Joodse gemeen­schap in Palestina en sloten zich bij het formeel orthodoxe ‘kerkgenootschap’ aan. Liberale Joden, gedreven door hetzelfde eenheidsverlangen, wilden dat ook doen. In Den Haag gebeurde dat op persoonlijke titel, maar in Amsterdam werd er instituti­onele samenwerking tussen de LJG en de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge gezocht. Dubbelleden van LJG en NIHS wakkerden dit vuur aan. Ondanks vergaande besprekingen stuitte het eenheidsstreven hier echter op zijn grens.

De ‘restaurateurs’ brachten de vooroorlogse instituten goeddeels weer in werking. Daarmee hadden ze een belangrijke overwinning geboekt. Ook de voor­oorlogse politieke verschillen keerden weer terug in de vorm van eigen organisaties en politieke facties. Daarbij moesten ze wel rekening houden met een versterkte positie voor de orthodoxie, die via het Opperrabbinaat voor Nederland een deel van haar agenda wist door te voeren. Hierdoor werd de integratie van de LJG in het NIK verhinderd.

Terwijl op het eerste gezicht de ‘vernieuwers’ met de ondergang van de JCC het pleit verloren leken te hebben, drukten ze niettemin een fors stempel op de kleine, gedecimeerde Joodse gemeenschap die na 1945 in Nederland resteerde. Samen met de oude bestuurders en de versterkte orthodoxie tekenden ze de krijtlijnen voor een vitaal en dynamisch Nederlands-Joods leven in de schaduw van de Sjoa.