Joodse datum

6 tevet 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Wat heet ‘Israël’?


Wat wordt er bedoeld met ‘Israël’? Als je dat op straat aan een aantal mensen zou vragen, zouden de meesten die vraag eigenlijk maar vreemd vinden — het antwoord te zeer voor de hand liggend: wie weet dat nu niet? Israël is dat land waar je bijna dagelijks over hoort in het nieuws. Het is maar een klein landje, maar er gebeurt wel heel erg veel. Daarom weet iedereen wel wat er in de krant bedoeld wordt met ‘Israël’.


Maar in Vrede over Israël gaat het doorgaans over meer. Al kunnen en willen we zeker niet over Israël spreken zonder daarbij te betrekken hoe er nu ook een staat Israël bestaat, toch gaat het ons niet alleen en ook niet in de eerste plaats daarom. Er zit aan die naam veel meer vast.

Voordat de staat Israël werd gesticht — betrekkelijk kort geleden — was er al het volk Israël. Een volk met een heel lange en heel bijzondere geschiedenis. Het volk waar we zoveel over horen in de Bijbel, en waarmee de HERE een verbond heeft gesloten, en waaraan Hij bijzondere beloften gaf. Naderhand woonde het bijna geheel buiten het huidige land Israël, uitgezaaid onder alle volkeren. Zelfs nu wonen er meer Joden buiten de huidige staat Israël dan daarbinnen. Bij Israël in de bredere betekenis denken we aan Israël van alle tijden en plaatsen.

Maar gelijk kun je de vraag stellen: wat bedoel je nu precies? Kijk je naar de afstamming of naar de religie? Is horen bij ‘Israël’ een kwestie van DNA, of van leven met (het Woord van) de God van Israël?


Ik had in Israël een gesprek met een Joodse vrouw. Ik vertelde iets over mijn werk voor het Centrum voor IsraëlStudies, en zo kregen we het toen ook over die vraag: wie of wat is Israël? Ze zei: “Daarover kunnen we het hier ook nog niet eens worden. U hoopt hier voor een jaar of zes te zijn? Die zult u hiervoor nodig hebben! Benieuwd hoeveel meer — of minder — u dan zult weten...”

Daar ben ik zelf eigenlijk ook benieuwd naar. Ik vind de vraag moeilijker dan hij lijkt. Dat geldt al als ik er in mijn studeerkamer mee bezig ben. Maar hij komt nog anders op me af als ik in een overvolle bus sta in Jeruzalem en om me heen kijk naar de bonte verscheidenheid van mensen. Ik zie een vrouw die bidt, uit het gebedenboek in haar hand. Twee soldaten, één met een keppeltje op. Een paar meisjes met piercings, heel modern en uitdagend gekleed. Een nog heel jonge ultra-orthodoxe man met zijn vrouw en vijf kleine kindertjes. Een blonde jongen met gehaakt keppeltje op, met een yinyang teken. En zo nog veel meer. Verschillende werelden. Is dat allemaal ‘Israël’? Of de een toch meer dan de ander? Wat is het bijzondere, wat is de identiteit van ‘Israël’ als volk van God?

Of is dit Israël dat inmiddels niet meer? Is de kerk uit Joden en heidenen het nieuwe en ware, geestelijke Israël? Die monnik die ook in de bus zat, dat meisje met een kruisje aan haar kettinkje, die Grieks-orthodoxe priester — en ik zelf? In de plaats gekomen van ‘Israël naar het vlees’?

Het Oude Testament

In de Bijbel vinden we de naam voor het eerst in Genesis 32. Het is dan de nieuwe naam die Jakob kreeg. De betekenis van namen is in de Bijbel vaak belangrijk, en dat geldt zeker van de namen die God zelf gegeven heeft. En met die naam Israël is het helemaal een bijzonder verhaal.

De naam wordt uitgelegd: ‘want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.’ (Gen. 32:28) De naam Israël is een erenaam, maar er zit ook een grote spanning in en achter: Hij worstelde met God, en God met hem. Jakob kwam daar voor het leven getekend uit te voorschijn; hij bleef mank. Maar belangrijker is dat hij gezegend is. Daar spitste de strijd zich op toe: ‘Ik laat U niet gaan als U mij niet zegent.’

Hij moest toen wel eerst met zijn naam ‘Jakob’ voor de dag komen. Als ‘Jakob’ streed hij op een verkeerde manier om Gods zegen, om die aan Ezau te ontfutselen. ‘Niet voor niets heet hij Jakob, hij heeft mij [Ezau] nu al twee keer beetgenomen’ (Gen. 27:36; vgl. Hos. 12:4a). Tegen die achtergrond is des te sprekender dat en hoe hij een nieuwe naam kreeg. Een speaking name — niet alleen voor Jakob zelf, maar ook voor zijn volk. Dat mag en moet komen voor ‘het Aangezicht Gods’, (ver)krijgt Gods zegen, maar het gaat niet zonder worsteling en — wat Israël betreft — ‘mank gaan’.


De geschiedenis gaat verder met ‘de kinderen Israëls’, de Israëlieten. Dat is vanaf Exodus eeuwenlang dé naam voor de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob. Uit Abraham zijn ook nog andere volken voortgekomen. Jakob was de stamvader van dit ene volk, van 12 zonen, 12 stammen — een grote verscheidenheid maar toch één volk Israël. Waarvan de Here zegt: ‘Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene...’ (Exod. 4:22).

Op allerlei manieren zien we de liefde en zorg van de Here voor zijn volk. Hij heeft dit volk verkozen. Niet omdat het iets bijzonders was; dat was het juist niet. Maar omdat Hij hen liefhad, en om zijn trouw aan de vaderen (Deut. 7:6-9). De Here heeft Israël apart gezet om een heilig volk te zijn.

Het ging binnen de kortste keren mis, al meteen met het gouden kalf, en ook als je de verdere geschiedenis ziet. Er was keer op keer alle reden om met Israël te breken. Toch doet de Here dat niet, in zijn blijvende liefde en trouw.


Tot en met de dagen van Salomo gaat het bij ‘Israël’ om één volk. Na Salomo’s dood wordt dat verdeeld. Twee stammen blijven onder het koningshuis van David: Juda en Benjamin. Dit rijk wordt naar de grootste stam ‘Juda’ genoemd.

Tien stammen scheiden zich af. En voor een tijd wordt de naam ‘Israël’ dan voor dit rijk gebruikt (zie bv. 1 Kon. 16:29). Het is de hoofdmoot; het kleinere twee­stammenrijk staat in de schaduw. Maar het tienstammenrijk Israël gaat de mist in. In 722 voor Chr. wordt het onder de voet gelopen door de Assyriërs. De inwoners worden gedeporteerd. Er blijft schijnbaar niets van over.


Maar dan komt de naam Israël weer boven in het zuidelijke rijk, Juda. Ook dat wordt — meer dan een eeuw later — in ballingschap weggevoerd, naar Babel. Maar voor hen volgt een wonderlijke terugkeer. En dan horen we Ezra spreken over ‘de Israëlieten die uit de ballingschap teruggekeerd waren’ (Ezra 6:21).

Als nu die naam ‘Israël’ wordt gebruikt gaat het doorgaans niet zozeer om het volk als politieke grootheid. Als het daarom gaat wordt het eerder genoemd: ‘Huis van Juda’ of ‘Gewest/provincie Juda’. Hier komt overigens de naam ‘Joden’ van­daan, die vervolgens in de Bijbel vooral door niet-Joden of in contact met hen werd gebruikt.


De naam ‘Israël’ wordt gebruikt om het volk aan te duiden als volk van God. Ook als het tienstammenrijk compleet verdwenen lijkt, en van het tweestammenrijk slechts een rest is teruggekeerd, blijft het gaan over — en òm — ‘Israël’. Die naam lijkt te mooi en te groot voor wat nog resteert. Maar hij blijft wel klinken, bij de profeten en in de psalmen. En dan klinkt die naam naar méér: naar een bijzondere geschie­denis, een bijzonder stempel en ook een bijzondere toekomst. Het gaat om het volk van ‘de God van Israël’.

“Zo is ‘Israël’ de naam waar het geloof in God meeklinkt, en de hoop op zijn toe­komst, en de liefde tot zijn volk.” (H.M. van der Vegt, V.o.I., jrg. 30 no. 6)

Het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament horen we Gods trouw aan Israël. Daarvan zingen Maria en Zacharias (Lucas 1:46-56, 68-79). Jezus is gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël (««Matt. 15»»:24). Ook na Pasen en Pinksteren wordt het evangelie allereerst op Israël gericht. Velen uit Israël kwamen tot geloof. Maar al met al was dat toch slechts een kleine minderheid van dit volk; de meerderheid van Israël verwierp het Evangelie.


En ondertussen kwam wel, na een tijd, een toestroom vanuit de volkeren naar de God van Israël op gang. Zij mogen helemaal bij het volk van God gaan horen, ‘geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.’ (Ef. 2:19) Dat is een wonder waar we niet genoeg voor kunnen danken.

Maar dat is nog niet hetzelfde als dat het ‘oude’ Israël nu vervangen wordt door een nieuw volk van God. Dat is er later wel van gemaakt: de kerk zou in de plaats van Israël gekomen zijn, als het nieuwe, geestelijke Israël, het ware volk van God. Het oude Israël zou hebben afgedaan.


In Romeinen 9 tot 11 horen we hoe Paulus worstelt met het “nee” van Israël tegen Jezus als de Messias. Gaat daarmee een streep door alles? Heeft God zijn volk verstoten? Dat kan niet waar wezen! Denk dat niet! God heeft dat volk, dat Hij tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten (Rom. 11:1v). God is trouw. En al geldt: ‘zij zijn vijanden naar het evangelie, om uwentwil’, toch blijft staan, als het laatste woord: ‘zij zijn naar de verkiezing geliefden, om der vaderen wil.’ Want ‘de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.’ (vs. 28v).

De geschiedenis ging door

De geschiedenis van Israël gaat door. Dat is een wonder. De Here had reden en recht om er een einde aan te maken na het ‘nee’ van Israël tegen zijn ultieme ‘Ja’ in Jezus de Messias. Zoals ook al eerder in de geschiedenis er momenten waren dat dat ten volle verdiend was, en dat Hij ook gezegd heeft niet meer met Israël verder te willen gaan. En toch deed Hij dat niet. Ook toen Israël ‘vijand van het Evangelie’ bleek, ook toen hield zijn liefde nog niet op.


De geschiedenis van Israël ging door. Wonderlijk, als je ziet hoe Israël werd ver­strooid onder alle volkeren. Je zou verwachten dat het dan vroeg of laat zou opgaan in de volkerenzee. Maar dat is niet gebeurd. Het bleef een volk met een eigen identiteit en een zekere eenheid.

Bepaald niet een eenheid van allemaal hetzelfde zijn en denken. Overal vond ook een vermenging plaats, was er de invloed van de verschillende volkeren, en ook een instroom, door gemengde huwelijken, door mensen die zich bekeerden tot het Jodendom. Zo werd het een heel bont palet, een enorme verscheidenheid. Toch bleef Israël een volk apart.


Dat Israël niet onderging in de volkerenzee is des te wonderlijker als je bedenkt hoe Joden zijn verguisd en verdrukt. Het is onbeschrijfelijk wat hen is aangedaan, de eeuwen door. Daaraan heeft de kerk helaas heel veel bijgedragen. Al te vaak werd wat restte van Israël eerder als duivelswerk gezien, dan als werk van God. Maar ondanks alle weerstand en woeden bleef Israël in stand.


Hoe kon dat? Daar zit het geheim achter van wat de Here hen gegeven heeft: zijn beloften, zijn geboden, de Sabbat, het verbond, de besnijdenis, de gebeden, de hoop, enz. enz. (vgl. Rom. 9:4)

De geestelijke kant van ‘Israël’, het Jodendom als godsdienst, speelt een belangrijke rol. In de ontmoeting met het leven en beleven van Israël kunnen we ons verwonderen over de kracht van deze dingen, en ook over hoeveel we gemeen hebben, als je ziet hoe Israël de Schriften kent en er intensief mee leeft, en de Psalmen bidt, enz. Tegelijk is er juist als het gaat om dat wat voor ons het belangrijkste is — het geloof in Jezus als de Messias en de Zoon van God — een diepe kloof. We geloven dat Hij en de Weg en de Waarheid en het Leven is (Joh. 14:6), en dat Zijn naam de enige is waardoor we moeten behouden worden (Hand. 4:12). Daarmee is het spanningsveld gegeven voor een ontmoeting waarin luisteren en getuigen van de grootste betekenis zijn.


Naast het geheim van wat de HERE aan Israël gegeven heeft is er bovenal het geheim van zijn trouw. Het is niet dat Israël het met al wat het kreeg wel goed deed; er was en ging ook van alles mis. Het grote geheim achter Israël de eeuwen door is dat de HERE niet loslaat wat Hij begon.

Ook de afstamming speelt een rol. Ook daarbij zijn kanttekeningen te maken. Het Nieuwe Testament zegt wel heel duidelijk dat de afstamming van Abraham en Israël niet genoeg is (Matt. 3:9, Joh. 8:39, Rom. 9:6). Toch betekent dat nog niet dat die afstamming helemaal niets meer zegt. Groter en sterker dan de ontrouw van mensen is de trouw en de goedertierenheid van de God van Israël (2 Tim. 2:13). Zo blijft er sprake van Israël als ‘geliefden om der vaderen wil’. En zo hebben we als kerk niet alleen wat met Israël voor zover het op de een of andere manier (en wat is daarin een veelheid!) religieus is. Dat is de achtergrond voor wat in mijn taak­omschrijving staat: “Het invulling geven aan de ontmoeting met het Joodse volk in al zijn verscheidenheid, zoals beoogd en beschreven door het CIS: Messiasbelijdende Joden, seculiere Joden en religieuze Joden...”

De staat Israël

In de lange, bijzondere geschiedenis van Israël is een nieuwe fase gekomen in de jaren ’40 van de vorige eeuw, toen er ongelofelijke dingen gebeurden. In de Tweede Wereldoorlog het onvoorstelbare lijden en sterven van miljoenen Joden, maar na drie jaren, als een opstanding uit de doden, de oprichting van de staat Israël. Israël weer op de kaart gezet, en voortdurend in het nieuws; je kunt er niet omheen...


Ondertussen is het toch niet allemaal eenduidig. De een zegt: “Hoe kun je voorbij­zien aan het wonder van het weer en nog steeds bestaan van de staat Israël?” De ander zegt: “Hoe kun je de ogen ervoor sluiten dat het met heel veel onrecht gepaard is gegaan, en dat ook nu de Palestijnen onderdrukt worden?” De een zegt: “God heeft Zijn volk dit land beloofd, daarom heeft Israël er recht op, en mogen ze het niet meer opgeven!” De ander zegt: “De manier waarop Israël gebieden bezet heeft en houdt is Godgeklaagd!” De een zegt: “Lees de profetieën, en zie hoe ze worden vervuld!” De ander zegt: “Luister naar de profeten, en hoor hoe ze oproepen tot gerechtigheid!”

Er zijn veel onduidelijkheden, vragen, problemen. Maar was dat niet altijd al? In de Bijbel ging het ook niet allemaal in een vloeiende lijn omhoog. Er gebeurden bijzondere dingen, wonderen — maar er ging ook een heleboel mis. Er waren dingen waarin duidelijk en direct Gods hand te zien was, maar er kwam ook zomaar weer mensenwerk overheen, of het zat er doorheen. In Israëls geschiedenis is er nu eens gebouwd, dan weer gebroken. Het ging niet zomaar allemaal één kant uit. Soms was er ineens een wending. Soms was het drie stappen vooruit, twee achteruit. Soms leken lijnen zelfs dood te lopen, en dan gaat het toch anders verder.

Zo is het ook nu voor ons niet allemaal zomaar te overzien en te doorzien. Vervulling van beloften is vaak gedeeltelijk. Gods werk is vaak vermengd met mensenwerk. Er is in Israël soms zo ontstellend weinig ‘heilig’. Wat dat betreft is het net als met de kerk, waar het ook allemaal zo door elkaar heen kan lopen; waar je ook werk van Gods hand ziet, soms heel indrukwekkend — maar waar daarnaast en daardoorheen ook mensenwerk is, soms heel verbijsterend.

We moeten wel met twee woorden spreken. Je kunt makkelijk kortsluiting maken met een al te simpel ‘Israël = Israël’, en dan goddelijk gezag of goedkeuring hechten aan wat er allemaal gebeurt, met wat knip- en plakwerk.

Vrede over Israël

Die woorden kunnen we vandaag de dag niet zeggen zonder ook te denken aan het huidige Israël, waar de vrede zo ver weg lijkt.

Maar de naam “Israël” wijst ons op meer. Het gaat om de heel volle betekenis: Aan die naam zit een hele geschiedenis vast. Die naam spreekt ook van een geheimenis waarachter we de God van Israël zien. Aan die naam zijn beloften en verwachtingen verbonden.

We zijn er als kerk op een intense manier bij betrokken, door hoe ook wij méde-burgers mochten worden. Alles wat we zo hebben gekregen zal toch maken dat we verlangen en bidden dat Israël de sjalom — ook in de heel volle betekenis van dat woord — zal kennen.

Daar hoort bij dat we een relatie zoeken. Dat we niet maar langs de zijlijn blijven staan, afwachtend, of als supporter, of vooral kritisch. Maar dat we ons op elkaar aangewezen weten, en de echte ontmoeting zoeken, onder inwachting van de zegen van de HERE. Zijn zegen maakt mensen ook tot kanalen van zegen voor elkaar, wederzijds.

Psalm 130

In Psalm 130 horen we van een intens verlangen naar een nieuwe dag, naar dé dag. In het besef dat het aan alle kanten onverdiend is (vs. 3), maar dat er bij de Here genade is, vergeving, altijd geweest en steeds weer (vs. 4). Het doet me denken aan hoe Paulus zegt: ‘God heeft allen — Joden en heidenen — onder de ongehoor­zaamheid besloten om zich over allen te ontfermen’ (Rom. 11:32). We hebben als heidenen geen reden om neer te zien op Israël, integendeel. Alleen al dat de kerk het wel al te vaak gedaan heeft — en hoe — is reden tot verootmoediging en schuldbelijdenis. Vanuit diepten van ellende en schuld ziet Psalm 130 intens uit, als wachters naar de morgen (vs. 5v), naar een heel nieuwe toekomst (vs. 7v):

Israël hope op de Here,
want bij de Here is goedertierenheid,
bij Hem is veel verlossing;
Hij zelf zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden’.