pijl omhoog
Schets voor een preek waarin bijzondere aandacht gegeven wordt aan de verhouding Kerk-Israël


Preekschets over Handelingen 15:19-21


1. Inleiding

In Handelingen 15 bevinden we ons in het hart van dit bijbelboek. Lukas, de enige niet-Jood – als hij dat tenminste is – onder de bijbelschrijvers van het Nieuwe Testament beschrijft hier hoe in de gemeente te Jeruzalem een beslissing valt, die verstrekkende gevolgen heeft voor de relatie tussen Israël en volkeren.

Prof. Versteeg: ‘Op het apostelconvent koos de gemeente van Jeruzalem de zijde van Paulus. (...) Hierdoor werd de kerk ervoor bewaard te worden tot een Joodse sekte.’ (Gij die eertijds verre waart, 43)

Tegelijk is het de laatste keer dat we iets van Petrus horen en staat het vervolg van Handelingen helemaal in het teken van de reizen van Paulus (denk aan het opschrift van Noordmans in Gestalte en Geest: ‘Paulus komt en Petrus gaat’).

We bevinden ons op een scharnierpunt van dit bijbelboek.


Uitgangspunt van deze preekschets over Handelingen 15:19-21 is dat dit hoofdstuk ons niet maar vertelt van een gelegenheidsoplossing, die als zodanig onbevredigend zou zijn en een slechts een tijdelijke modus vivendi kon bieden. We hebben te vragen naar de theologische zin van dit besluit, om recht te doen aan het feit, dat ook dit hoofdstuk deel uitmaakt van de Schriften van het Nieuwe Testament.

Wanneer men het besluit als compromis kwalificeert, is het de vraag wie een concessie doet aan wie: de heidenchristenen aan de jodenchristenen (Conzelmann) of de joden­christenen aan de heidenchristenen (Dibelius).


G. Schneider heeft in zijn commentaar het besluit gekarakteriseerd als een tussenpositie tussen twee divergerende standpunten, nl.:

  1. dat van diegenen, die meenden dat heidenen alleen door besneden te zijn werkelijk tot het volk van God, tot Israël, konden toetreden, en
  2. dat van Petrus, Barnabas en Paulus, die een wetsvrije missionaire benadering zouden hebben voorgestaan.

Zo wordt het overigens wel vaker gezien, waarbij men dan meent dat Paulus in Gal. 2:11-14 de lijnen consequent zou hebben doorgetrokken.

Gemeenschappelijk in deze visies is dat men in formele zin spreekt over de ‘wetsvrije’ missionaire benadering, waarvoor Paulus en Petrus (!) zich sterk zouden hebben gemaakt. Men gaat voorbij aan het feit, dat Paulus in 1 Kor. de gemeente van heidenchristenen wel degelijk voorschriften geeft m.b.t. de levenswandel, die een verplichtend karakter hebben.


Het is m.i. daarom de vraag of het onderscheid tussen Hand. 15 en Gal. 2 zo groot is als velen menen.

J. Roloff laat in zijn commentaar (blz. 225v) zien, dat de verschillen in beschrijving zich goeddeels laten wegverklaren. Hij is evenwel van oordeel, dat een zakelijke overeen­stemming tussen Handelingen 15 en Galaten 2 uitgesloten is.

Maar men moet m.i. niet uit het oog verliezen, dat Paulus in Galaten 2 geen verwijten aan het adres van (de strengere partij van) Jacobus richt, maar Petrus een zig-zag-gedrag verwijt. Eerst eet deze met de heidenen aan één tafel, daarna echter zondert hij zich weer af – uit vrees voor kritiek uit de kring van de besnedenen. Paulus betoogt dat hij Petrus al eerder vermaand had voor dezelfde dwaling, die hij nu in de gemeente van Galatië signaleert, nl. dat men uit vrees terugkeert naar de besnijdenis etc. Dat verklaart – in ieder geval mede – de scherpte van Paulus’ woorden!

In Hand. 15 gaat het om de vraag of niet-joden zich aan de Halacha hebben te houden. Dat de Joden het doen, spreekt vanzelf. Paulus heeft daarmee ingestemd, en het zelf ook gedaan. Timotheüs heeft hij laten besnijden, hoewel diens vader een Griek was (Handelingen 16:3 en de (huidige) regel er nog niet was, dat de geboorte uit een joodse moeder beslissend is voor het toebehoren tot Israël.


Al met al: de karakterisering compromisformule lijkt me geen recht te doen aan wat het Nieuwe Testament ervan zegt, en geeft blijk van een historiserend lezen van Handelingen.

De vooronderstelling van waaruit deze schets geschreven is, is dat dit bijbelboek deel uitmaakt van de Heilige Schrift, en daarom wordt gevraagd naar de theologische betekenis van dit hoofdstuk, waarin we o.a. horen: ‘het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht’ (vs 28. De moeilijkste tekst is zonder twijfel vers 21: ‘Immers, Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagoge wordt voorgelezen.’


Dibelius heeft ervan gezegd (Hänchen vermeldt het) dat dit vers – hoewel het in taalkundig en tekstkritisch opzicht geen problemen oplevert – toch tot de moeilijkste van het Nieuwe Testament behoort.

Wat zit er achter die woorden van Jacobus? Is het een rest van ‘oud denken’ in termen van wetsbetrachting, dat eigenlijk een terugval betekent achter wat Petrus in vs 11 heeft gezegd heeft over de genade van God, waardoor Jood en heiden alleen behouden kunnen worden? Dat laat zich moeilijk denken. Maar wat staat er dan op de achtergrond?

Voor het verstaan van dit gedeelte is m.i. van belang te bedenken, dat de kwestie van de wet – meer nog dan die van de belijdenis van Jezus als Messias – op een geweldige manier gespeeld heeft. Daar is ook nog iets anders aan de orde dan alleen de vraag van de gerechtigheid door de werken der wet of die door het geloof. Dat is voor Jood en heiden hetzelfde. Maar de vraag is of daarmee de bijzondere positie van Israël – en de betekenis van de Wet van God daarin – is opgeheven.

In Handelingen 15 blijkt er een vasthouden aan de joodse Wet te zijn, die niet een vorm van kleingeloof is, van onbegrip voor Gods genade – dat blijkt wel uit vers 11 –, maar integendeel van diep respect voor Gods geboden, waarvan een Jood zich niet zomaar mag losmaken.

Dat verklaart ook, waarom de eerste gemeente naar de tempel bleef gaan, en ook bijv. hoe het kan dat in Hand. 21:20 gesproken wordt van Christusgelovigen, die ‘ijveraars voor de wet’ zijn.

Het lijkt mij onmiskenbaar zo, dat de karakterisering van het besluit van Handelingen 15 als een compromis onlosmakelijk samenhangt met de miskenning van dit gegeven, dat door het hele Nieuwe Testament heen loopt.

2. Achtergrond

Bij zijn hemelvaart geeft Christus aan zijn leerlingen de opdracht mee getuige te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

Op Pinksteren kondigt zich de doorbraak naar de volkeren al aan, maar Petrus houdt er moeite mee. God Zelf moet hem in een visioen ervan overtuigen dat hij niet voor onheilig mag houden hetgeen God rein verklaard heeft.

Uit Handelingen 11, het volgende hoofdstuk, kunnen we evenwel opmaken hoeveel tegenstand daartegen leeft in de gemeente van Jeruzalem. Men accepteert uiteindelijk wel, ‘dat God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken heeft’, maar die erkenning blijft een zwerfsteen. Men verwerkt het niet echt. Een 15 à 20 jaar verandert er weinig in die gemeente.

De echte verandering, de doorbraak, vindt elders plaats: in Antiochië. Maar de gemeente van Jeruzalem is en blijft een joods-christelijke gemeente, zelfs (vs. 5 met een invloedrijke groep uit de partij der Farizeeën die hun kinderen laten besnijden en in hfdst 21:20 ‘ijveraars voor de wet’ genoemd worden. Dat is voor ons gevoel toch een vreemde combinatie: geloven in Christus Jezus, in de genade van God zoals die in zijn kruis en opstanding is doorgebroken – en tegelijk vasthouden aan de joodse wet in de meest strikte invulling: de Halacha naar farizeese snit.

Deze Farizeeën protesteren er heftig tegen, dat door het werk van Paulus en Barnabas – vanuit Antiochië! – overal heidenen tot het geloof in Christus komen, maar zich vervolgens niet laten besnijden. Voor hun besef is dat een onmogelijke inconsequentie. Nee, ze hebben er geen moeite mee dat heidenen tot geloof komen. Maar ze kunnen het er niet mee eens zijn dat die heidenen vervolgens niet het teken en zegel van het verbond van God met Abraham ontvangen: de besnijdenis. Waarom doen Paulus en Barnabas dat dan niet?


In Antiochië, de thuisbasis van Paulus en Barnabas, arriveren broeders, medechristenen, uit Jeruzalem, die opkomen voor hun diepe overtuiging, dat men zich moet laten besnijden.

Er zit niets anders op – Paulus en Barnabas moeten zich in Jeruzalem verantwoorden. Maar onderweg vertellen zij overal wat God onder de heidenen gedaan heeft. Ook in Jeruzalem hebben ze daarvan verhaald (vs. 4 en zo begrijpen we ook waarom ineens Petrus opveert. Wordt de herinnering aan wat de HERE hem in dat bekende visioen heeft laten zien ineens weer levend voor hem? In ieder geval – als een van de leidende apostelen van de gemeente in Jeruzalem neemt hij het woord. Hij neemt het voor Paulus en Barnabas op. In vers 11 horen we hem zeggen, dat men in Jeruzalem gelooft op dezelfde wijze behouden te worden als de heidenen, die onder de prediking van Paulus het evangelie aanvaard hebben.

Het is een sprekend voorbeeld van ootmoed, van besef dat God niet de wetsgetrouwe, maar de goddeloze rechtvaardigt!

Die ootmoed heeft zijn achtergrond stellig mede in wat Petrus in vs 10 zegt: ‘noch onze vaderen noch wij hebben het juk van de geboden kunnen dragen.’ Als God dus Zelf de harten van de heidenen reinigt – in de Biblia Hebraica staat in de aangehaalde tekst uit Deut. 30:6 zelfs het woord besnijden – waar zou men dan in Jeruzalem de moed vandaan willen halen om God op de proef te stellen?

Overigens – het stemt tot nadenken, dat Petrus dezelfde uitdrukking gebruikt als in Hand. 5, in zijn woorden aan het adres van Saffira!


Daarmee is het echter niet afgelopen. Ook Jakobus neemt het woord.

Men kan zich afvragen of we hier al een verschuiving in gezag kunnen waarnemen van de apostelen naar Jacobus en de oudsten, zoals H. Mulder heeft betoogd. Die kwestie laat ik rusten.

Belangrijker m.i. is wat Jacobus inhoudelijk zegt: hij gaat in op de vraag of dit wel naar de Schrift is. Je kunt God wel bezig menen te zien in de gebeurtenissen om je heen, in de geschiedenis – maar je kunt je ook vergissen, zoals we in onze eeuw weten van de Deutsche Christen in Hitlers Derde Rijk. De beslissende vraag is of iets naar de Schrift is.

Op die vraag gaat Jacobus in. Hij heeft niet zelf meegemaakt wat God Petrus heeft bijgebracht, en daarom moet hij – net als wij – terugkoppelen naar de Schriften. Hij zegt: ‘het is Gods werk, waarvan Paulus en Barnabas hier vertellen, want het is al beloofd in Amos 9:11-12.’ Dat is beslissend. Niet de ervaring op zichzelf, maar het feit dat de Schrift de ervaring staaft, preciezer nog: dat de ervaring gezien mag worden als een vervulling van Gods beloften, geeft de doorslag.


Overigens – bij dat citaat uit Amos 9 een tweetal opmerkingen:

  • In de eerste plaats: over de ‘de vervallen hut van David’. Duidelijk is, dat daarmee de positie van het davidische koningshuis getypeerd is, waaraan God zulke machtige beloften had verbonden. Wat hier gebeurt onder de volkeren – zegt Jakobus – heeft alles te maken met de ‘wederopbouw’ van de ‘vervallen hut van David’. Het is – anders gezegd – een beweging uitgaande van de grote Zoon van David, Jezus Christus.
  • In de tweede plaats: door Lukas – waarschijnlijk toch niet door Jacobus – is de LXX-vertaling gevolgd, zij het dat er verschillende afwijkingen zijn. De notie van Gods terugkeer tot Israël vinden we niet in Amos, wel in Zach. 1:16 en 8,3; Jer. 12:15 en Micha 7:19. Bovendien vertoont het citaat een opmerkelijke verandering van richting. In Amos 9:11 lezen we de profetie, dat de HERE de vervallen hut van David zal ‘herbouwen als in de dagen van ouds, opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen.’ In Handelingen 15:17 is de laatste bijzin als volgt gewijzigd: ‘opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen.’ Men kan zeggen, dat de blikrichting in universele richting is gecorrigeerd, zoals dat ook gebeurd bij Deutero- en Trito-Jesaja (vs. 18 laat mogelijk een lijn zien naar Jesaja 45:21.


We maken even een balans op. Wat is hier gebeurd? Het apostelconvent beslist dat wat zij altijd gedacht hadden – op grond van wat God gedaan heeft en wat ons in het licht van de Schrift duidelijk is geworden, herzien moet worden.

De wet van Mozes, in de interpretatie en concretisering van de Farizeeën, is niet een voorwaarde voor het delen in Gods heil, en mag daarom ook niet aan gelovig geworden heidenen worden opgelegd. Dat is iets geweldigs. Het is op zichzelf al weer: genade van God. Dat niet maar enkelingen, maar een hele kerkelijke vergadering durft loslaten wat eigen privilege was en is. Als we ons willen voorstellen wat dat inhoudt, moeten we Filipp. 3 maar lezen. Alles loslaten, wat je als onvervreemdbaar, van God gegeven voorrecht beschouwt. Jezelf helemaal toevertrouwen aan Gods genade. En dat niet vaag en in het algemeen gesteld, zodat niemand zich er een buil aan valt – maar heel scherp: ‘wij geloven op dezelfde wijze behouden te worden als zij’ (vs. 11).

Het is genade. Daarom is het onder mensen ook zo zeldzaam. Mensen zien je voor dwaas aan, als je eigen gelijk, of dat van je partij of je kerkelijke denominatie bereid bent te herzien in het licht van de Schrift en van Gods handelen.

3. Het besluit (vs. 19-21)

Dan volgt het besluit, dat we lezen in vs. 19-21. De betekenis van dat besluit moet – denk ik – gezien worden tegen de achtergrond van het ongehoord nieuwe, wat op deze bijeenkomst aan het licht getreden is. Wat besluit men daar?

Allereerst is het goed te bedenken, dat het juist is wat Calvijn zegt, nl. dat men de gelovigen uit de volkeren geen wet als heilsnoodzakelijk oplegt, en dus de vrijheid van de christen zoals die geworteld is in de rechtvaardiging in Christus, niet afzwakt of anderszins aantast.


Maar nu het besluit naar de inhoudelijke zijde. Men oordeelt niet, dat de gelovigen uit de volkeren alleen maar ‘uit de Geest’ behoeven te leven, zonder enige uiterlijke wet. Evenmin dat zij zich aan een aantal algemeen-inzichtelijke basisregels, een ‘natuurwet’, moeten houden.

Nee, de gelovigen uit de volkeren dienen de noachidische geboden te houden, die trouwens in het algemeen door de synagoge werden voorgeschreven aan de ‘godvrezenden’ die met de synagoge meeleefden.


Er is een instructief artikel van D. Flusser en S. Safrai (‘Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote’, in: E. Brocke / H.-J. Barkenings (Hrsg), ‘Wer Tora vermehrt, mehrt Leben’, Festgabe für Heinz Kremers zum 60. Geburtstag, Neukirchen 1986, 173-192), dat een verhelderend licht werpt op dit besluit.

Om te beginnen: zij wijzen erop, dat de geboden van Handelingen 15 in de westelijke tekst precies die geboden zijn, die een rabbijnse synode in Lydda (120 n.Chr.) verbood te overtreden in geval van levensbedreiging (zoals algemene regel is: als het leven in het geding is, wordt men ontheven van de gehoorzaamheid aan de geboden). M.a.w. we hebben hier te maken met de fundamentele voorschriften (176). Later zijn zowel vanuit het jodendom als vanuit de kerk rituele verplichtingen toegevoegd – reeds in Handelingen 15: ‘het verstikte’ –, waarbij Flusser en Safrai erop wijzen dat de kerkvaders (Chrysostomus en Augustinus) zich er ook aan gehouden hebben!

Er blijkt dus een relatie op dit punt tussen kerk en synagoge te zijn. Het besluit van vs. 20 is dus geen vondst, een verlegenheidsoplossing, van de apostelen geweest. Nee, het is ongeveer de basis van wat de synagoge ook vandaag nog gebod van God voor de niet-joden noemt: de Noachidische geboden. (zie hiervoor J. op ’t Root / W.H. Zuidema, En God sprak tot Noach en zijn zonen)


Waarom zou men die houden? Nee, niet omdat ze een heilsweg vormen. Maar omdat (vs 21) ‘Mozes van oudsher in iedere stad mensen heeft die hem prediken’.

Dat is een intrigerend vers. De gedachte, dat Jacobus hier vers 17 fundeert en dus onderstreept, dat het evangelie van Christus in de wetslezing sabbat aan sabbat tot alle Joden komt, is te geforceerd om juist te kunnen zijn.

Calvijn meent, dat de achtergrond van dit vers is, dat Jacobus bedoelt dat men voorlopig de vrede moet zien te bewaren met de synagoge, omdat nu een keer de wet van Mozes diep ingeworteld was bij het joodse volk en het tijd zou kosten alvorens ‘de oude ceremonieën met eer begraven’ zouden zijn. In zijn uitleg hanteert Calvijn dus een historisch argument. Het laat zich evenwel moeilijk denken, dat dat de achtergrond van Jacobus’ woorden zou zijn geweest. Waarom zou anders het conflict met de volgelingen van Jacobus, waarvan Galaten 2 vertelt, ontstaan zijn? Toch heeft hij m.i. juist gezien – Lindijer en Roloff gaan in dezelfde richting – dat de spits van Jacobus’ pleidooi is, dat de Christusgelovigen uit de volkeren de Joden (en ook de jodenchristenen) geen aanstoot moeten geven.


Zou men als Christusgelovigen uit de volkeren zich aan de noachidische geboden niets gelegen laten liggen, dan zijn de volgende gevaren onvermijdelijk.

Ten eerste kunnen de synagoge – en de jodenchristenen – dan de kerk afdoen als ‘een nieuwe religie’. Zoals bekend wordt rabbijn L.B. v.d. Kamp niet moe dat te onderstrepen.

Datzelfde geldt – dat ten tweede – ook in omgekeerde richting: als de kerk zich gemakkelijk afmaakt van de geboden, zal ze de wet als natuurwet gaan beschouwen en zich daarmee ook op haar beurt losmaken van Israël. En dat is geschied.

In de derde plaats zijn de noachidische geboden van belang als grondslag voor een rechtsorde. Het verbod op afgoderij – denk ook aan art. 36 NGB! – raakt de grondslagen van onze samenleving, die ernstig bedreigd wordt als oude en nieuwe goden (nationalisme!) ons denken en leven bepalen.


Samenvattend: men neemt in de oergemeente van Jeruzalem niet zelf afscheid van de Torah, maar besluit dat de gelovigen uit de volkeren om er echt helemaal bij te horen niet langer zich behoeven te laten besnijden en het ‘juk der geboden’ op zich hebben te nemen.

Enerzijds is het dus een doorbraak, die we kunnen formuleren in termen van Ef. 2: de erkenning dat vreemdelingen en bijwoners in Christus huisgenoten Gods en mede-erfgenamen van Israël worden.

Anderzijds – door de gelovigen uit de volkeren te verplichten zich aan de noachidische geboden te houden, bevestigt het apostelconvent de tweedeling tussen Israël en de volkeren op het punt van de Torah.


Het onderscheid tussen Israël en de kerk uit de volkeren wordt niet ontkend en tenietgedaan. Niettemin is het zo wel gegaan. De kerk is haar joodse wortels vergeten. Het besluit van het apostelconvent heeft niet gefunctioneerd. Tegen deze achtergrond is dit hoofdstuk kritisch ten aanzien van de ‘vervangingstheologie’, zoals die in de geschiedenis gegroeid is en de verhouding van kerk en Israël tot op de huidige dag belast.

4. Aanwijzingen voor de prediking

  • Van belang is dat duidelijk wordt, dat het besluit niets afdoet aan de rechtvaardiging door het geloof. Nee, men weet heel goed te leven van Gods genade alleen. Petrus zegt: wij mogen op dezelfde wijze behouden worden als de heidenen, en dat is: door de enige Naam, die onder de hemelen gegeven is! Dat is wel heel iets anders dan wanneer wij die woorden van Petrus zouden overnemen en zeggen: ‘het is maar te hopen, dat die Joden ook nog nét behouden worden, maar dan wel op dezelfde manier zoals wij.’ Wordt de houding van de kerk tegenover Israël vandaag gestempeld door de ootmoed, die een graadmeter is voor het beleven van de vreugde over Gods genade in Christus?
  • Er is ook reden ons terdege af te vragen hoe het staat met onze relatie tot Gods wet. We zijn erg gesteld op de christelijke vrijheid. Maar hoe vaak is die een aanleiding of een dekmantel voor het vlees?
    Ik denk dan in dit verband uiteraard vooral aan de relatie tot Israël. Als deze tekst oproept tot fijngevoeligheid en respect, dan zijn dat ook de dingen die vandaag onze houding tegenover Israël moeten bepalen.
    In dit verband is het een interessant gegeven, dat er handschriften zijn, die vs 20 anders lezen. In plaats van ‘bloed’, leest men: ‘wat gij niet wilt dat een ander u doet, doe gij het hun evenmin’. Het is de gulden regel van Mattheüs 7:12 – zij het negatief geformuleerd. Wanneer we lezen dat men het besluit inleidt met de woorden: ‘het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht’ – is het dan niet de kennelijke bedoeling van de Heilige Geest geweest, dat de kerk in en door een dergelijke houding van fijngevoeligheid tegenover Israël iets laat zien van Gods genade in Christus?
  • Vandaag is er grote belangstelling voor het jodendom. Dat heeft uiteenlopende achtergronden. Er zijn christenen, die zich tot de synagoge wenden uit schaamtegevoel. Sommigen lijken te denken, dat alleen een leven naar de joodse wet ons in het huidige tijdsgewricht kan redden. Maar dat is niet het geval – of men moet het Nieuwe Testament herschrijven.
    Toch is er m.i. alle reden om in de crisis van onze cultuur, die ook een crisis van onze ethiek is, ook in onze gemeenten de vraag van de wet, van Gods geboden in alle concreetheid opnieuw aan de orde te stellen.
    In dit verband geef ik – als stof tot nadenken – een interessante opmerking van Flusser en Safrai door: juist religies met een gedetailleerd uitgewerkte wetscodex – zoals het jodendom – staan minder open voor wetticisme en werkheiligheid, dan godsdiensten die alle nadruk leggen op de innerlijke motivatie (179).

G.C. den Hertog