pijl omhoog

De verworpene centraal


Het is een bekende en geliefde psalm, die veel gezongen wordt: Psalm 118. Sinds de oude kerk heeft deze psalm een vaste plek in de Paasliturgie. Als onderdeel van het Hallel – de liturgische eenheid van de Psalmen 113-118 – heeft ze ook een centrale rol bij veel joodse feesten. Volgens Calvijn is deze psalm zo rijk, dat we er eigenlijk iedere dag van ons leven over zouden moeten mediteren. Maar waar gaat Psalm 118 eigenlijk over?


Die vraag is temeer terecht omdat wie op zoek gaat naar een duidelijk context voor de psalm, die niet snel zal vinden. De psalm lijkt geschreven te zijn voor een liturgische context, een feest in de tempel. Maar welk feest precies? De psalm beschrijft een overwinning op de vijand – maar welke overwinning van wie, wat, waar en hoe? Dat wordt in Psalm 118 niet genoemd. Het loont echter de moeite deze psalm zorgvuldig uit te luisteren en dat te doen samen met de leesgemeenschappen van de synagoge en de (oude) kerk.

Aanval en overwinning

In de psalm zit een duidelijke verhaallijn, die met sprekende beelden wordt verteld. Het gaat om een ik-figuur op een slagveld, hij wordt van alle kanten aangevallen. Zijn ondergang leek nabij. Maar hem stond ‘een sterke held terzij’, in Gods naam wist hij weer op te krabbelen – ‘Jullie sloegen en ik viel, maar de HEER heeft mij geholpen’. Hij behaalt zelfs de overwinning. Nu horen we achter hem ook anderen: in de tenten van de rechtvaardigen gaat gejubel op.

Van het slagveld verplaatst het tafereel zich naar de overwinningstocht die naar de tempel in Jeruzalem voert. We zien de overwinnaar de tempelberg betreden: ‘Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de HEER te loven’. Maar vlak voordat hij binnentreedt, glijdt zijn blik naar boven. Daar, boven in de poort, zit de ‘hoeksteen’, de steen die de boog van de poort afsluit en op die manier bijeenhoudt. Het is een onhandige, hoekige steen – eerst leek hij nergens goed voor en hadden de bouwers hem afgekeurd. Hij was niet netjes op maat uitgehouwen. Maar bij het afsluiten van de poort was precies die steen nodig. In die steen herkent de ik-figuur zich.

De overwinnaar treedt de tempel binnen, die inmiddels gevuld is met vreugdgedruis. Van alle kanten wordt hij toegezongen: ‘Gezegend wie komt met de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER.’ Daar, in Gods huis, brengt hij een offer van dankzegging.

Tempellied

De verhaallijn wordt omcirkeld door teksten (1-4, 29) die duidelijk cultisch zijn en ons leren dat deze Psalm gezongen en opgevoerd werd in de tempel. De verschillende groepen – heel Israël, de priesters en de godvrezenden – worden opgeroepen in te stemmen met de lofprijzing: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’.

Wij weten dat vanaf de tijd van de Maccabeeën Psalm 118 opgenomen was in het Hallel als liturgische eenheid en in het Nieuwe Testament en de Misjna lezen we dat deze psalmen een vaste plek hadden bij de viering in de tempel van Pesach en Soekot (Loofhuttenfeest). Wie tegen die achtergrond Psalm 118 nog eens nauwkeuriger leest, ziet dat er inderdaad allerlei echo’s inzitten die terugverwijzen naar de exodus van het volk Israël uit Egypte. Met name heeft de dichter geput uit Mozes’ lied aan de Rietzee (Exodus 15). Evenals in dat lied wordt ook hier het volk Israël voorgesteld als een ik-figuur en wordt de redding door Gods machtige hand bezongen. Ondertussen komen soortgelijke echo’s ook weer terug in het bijbelboek Jesaja, waar diverse keren verwezen wordt naar Psalm 118. Daar is de context er een van een in het nauw gedreven volk Israël, dat zelfs in Babylonische ballingschap gaat. Maar ook in dat geval laat God zijn volk niet aan zichzelf over, maar zal Hij reddend optreden en de overwinning – dat is: de terugkeer naar de tempel in Jeruzalem – schenken.

Misschien hebben we hiermee precies de reden te pakken waarom deze psalm geen duidelijke historische context heeft meegekregen. Het thema van Gods redding van Israël, belaagd door de volkeren van deze wereld, keert steeds terug in de Heilige Schrift. Het motief van de exodus is daarmee geheel verweven met Gods weg met Israël. Zo kan Psalm 118 in steeds nieuwe contexten een gelovig perspectief bieden op een situatie die naar de mens gesproken uitzichtloos lijkt. Maar wie de Here als ‘hulp en sterkte’ heeft, weet dat de overwinning in het verschiet ligt.

Christus, kerk en Israël

Ook in het Nieuwe Testament komen we Psalm 118 weer tegen. Heel letterlijk gebeurt dat op Palmpasen, als Jezus bij zijn intocht in Jeruzalem toegeroepen wordt: Gezegend hij die komt in de naam des Heren. Het Hallel had uiteraard ook zijn plaats tijdens het ‘Laatste Avondmaal’. Zo ontstaat er als vanzelf een link tussen Pesach, Pasen en Psalm 118. In de brieven, met name in 1 Petrus, kristalliseert zich een verdere christologische lezing van Psalm 118 uit: de ik-figuur is Jezus, de weggeworpen steen die tot hoeksteen wordt, is Christus. Die christologische lezing stond niet op zichzelf. Ook in delen van de joodse traditie kreeg Psalm 118 een messiaanse interpretatie, bijvoorbeeld in de midrasj.

De beide lezingen hoeven niet haaks op elkaar te staan, maar kunnen in elkaars verlengde gezien worden. In Psalm 118 gaat het over hoe Israël alleen staat temidden van de volkeren en slechts God heeft tot redding. Wie kan deze psalm lezen zonder daarbij aan het joodse volk te denken, tot op de dag van vandaag? Maar daarnaast komt de nieuwtestamentische en vroegchristelijke lezing te staan als een verdere verdieping van deze psalm. De kerk ontmoet in deze psalm de gestalte van Christus zelf.

Bij Augustinus komen die beide lijnen op een bijzondere manier bij elkaar. Hij ziet de hoeksteen, Jezus, als de steen die aan de ene kant Israël en aan de andere kant de gelovigen uit de heidenen bijeenhoudt. Hierdoor wordt Psalm 118 bij uitstek een psalm over Israël en de kerk.

Gestalte van tegenspraak

Daarnaast blijft het ook goed om met Luther Psalm 118 te blijven lezen met het oog op onze eigen tijd. Het verworpene was er vroeger, maar is er ook nu. Als we op zoek zijn naar waar Jezus is, dan moeten we op zoek gaan naar het verlorene en verworpene, naar dat wat in deze wereld tegengesproken wordt. Christus verschijnt in de gestalte van de tegenspraak, als een pijnlijke, lastige steen die iedereen terzijde wil schuiven, maar verrassend tot steen van verbinding wordt.



Gespreksvragen

  1. Lees Psalm 118 nog eens aandachtig. Welke verschillende stemmen klinken er? Waarom zijn deze perspectiefwisselingen, denkt u?
  2. In hoeverre helpt Psalm 118 ons om de geschiedenis van Israël in de Bijbel en tot op heden met een theologische, geestelijke blik te bekijken?
  3. Waar herkent u uzelf in deze Psalm? Leg dat uit aan de mensen om u heen.



Dr. B.T. Wallet is historicus, gespecialiseerd in Joodse geschiedenis en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit

dr. Bart Wallet
Verbonden jrg. 64 nr. 1 (jan. 2020)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden