pijl omhoog

De rest en het geheel


In de joodse traditie wordt er driemaal per dag gebeden, zoals er ook eens in de Tempel driemaal ’s daags de offers werden gebracht. Op dezelfde tijdstippen waarop eenmaal de offers opstegen tot God, zoekt nu Israël het aangezicht van God. De gebeden bestaan grotendeels uit Psalmen en andere Bijbelpassages.


Tijdens het ochtendgebed is er een onderdeel dat in sommige joodse gemeenten iedere dag wordt gebeden, in andere alleen tijdens vastendagen. Daarin richt men zich tot God en bidt:

Wachter van Israël,
behoed de rest van Israël
en laat Israël niet verloren gaan,
dat het Sjema Jisraël (Hoor Israël) bidt.
Wachter van een enig volk,
behoed de rest van een enig volk
en laat een enig volk niet verloren gaan,
dat de eenheid van Uw Naam verkondigt met:
‘De Eeuwige is onze God, de Eeuwige is een!’
Wachter van een heilig volk,
behoed de rest van een heilig volk
en laat een heilig volk niet verloren gaan,
dat met het drievoudig ‘heilig’ de Heilige eert.’


Het is opvallend dat in dit gebed Joden zich tot God richten in het besef dat ze de rest zijn van Israël (sjeëriet Jisraël), de rest van een enig en een heilig volk. Van dit besef is de joodse gemeenschap diep doordrongen. Er zijn allerlei joodse gemeenten en verenigingen die zo heten, zoals de oudste gemeente in New York.

De bekende Duits-joodse filosoof Franz Rosenzweig heeft in zijn hoofdwerk, Der Stern der Erlösung, betoogd dat juist deze restgedachte ervoor heeft gezorgd dat Joden zich in hun minderheidspositie konden schikken en van politieke macht konden afzien.

Een arm en zwak volk

De restgedachte heeft zijn wortels in Tenach, het Oude Testament. Met name in de profetenboeken komen we het regelmatig tegen. Zo ook in het boek van de profeet Sefanja, dat in het teken staat van de grote en geduchte dag des HEREN. Terwijl Sefanja in felle kleuren het onheil en het oordeel over Juda en de volkeren schildert (1:2-3:8), is er aan het einde van de profetie een opmerkelijke wending (3:9-3:20). God belooft dat er dwars door het oordeel heen ‘een arm en zwak volk’ in Jeruzalem zal overblijven, ‘dat in de naam van de Eeuwige een toevlucht vindt.’ Zij wordt genoemd sjeëriet Jisraël, de rest van Israël, die geen onrecht meer doet, geen leugens meer spreekt. ‘Ze zullen weiden en rustig liggen, en niemand die ze stoort.


Uit deze passage worden drie belangrijke dingen duidelijk over de ‘rest van Israël’.

  • Ten eerste dat de restgedachte nauw verbonden is aan het eschaton, het einde der tijden. De rest van Israël die overblijft, krijgt de belofte dat God naar haar terug zal keren en als de koning van Israël in haar midden zal verblijven (3:15). Hij zal ook alle verstrooide Joden van over de hele wereld terugbrengen en inzamelen (3:19-20). Deze belofte gaat uit boven het eerste niveau van de tijd waarin Sefanja leefde. Ook toen was er sprake van oordeel en van belofte en ook toen keerde God naar zijn volk terug. Het visioen van vers 13 is echter uitgesproken eschatologisch van karakter: na de grote en geduchte dag van de Heer worden God en de rest van zijn volk met elkaar verenigd, heerst er vrede en rust en zal er geen leugen en bedrog meer zijn.
  • Het tweede dat we over de rest leren is dat God zelf degene is die hen bijeenverzamelt (3:12). Er staat nergens dat dit deel van het volk zich meer om God en zijn dienst bekommerde dan het merendeel dat in het oordeel ten onder is gegaan. De rest is niet beter dan het geheel! Het is Gods verkiezende genade die vooropgaat. Daar volgt dan de bekering van de rest van Israël op: het onrecht en de leugens worden afgezworen (3:13). Dit toont de juiste volgorde aan, eerst is er God die naar de rest van Israël omziet, vervolgens is daar ook de reactie op van het volk.
  • Het derde dat opvalt is de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van de rest. Er is sprake van een ‘arm en zwak volk’ dat hoogmoed heeft laten varen en nog slechts leeft uit het vertrouwen op de Eeuwige van Israël (3:11-12). Het geheel mocht zich als krachtig en sterk hebben voorgedaan, in haar hoogmoed hebben gedacht het zonder God te kunnen stellen, de rest is nu echter berooid achtergebleven. Het is niet via politieke invloed of militaire macht dat deze rest tot heil en vrede geraakt, maar als een zwak, van God afhankelijk volk. Hulp is alleen van hem te verwachten.

Bijbelse betekenislagen

Wie verder in Tenach leest, zal merken dat deze drie kenmerken vaak terugkeren als de rest ter sprake komt. Wel zien we dat de context waarin de rest van Israël genoemd wordt, heel verschillend kan zijn. Dat levert ook uiteenlopende interpretaties op van het begrip ‘rest van Israël’.


In 2 Koningen 19 wordt verhaald van de opmars van de Assyriërs onder leiding van Sanherib, waarbij het Noordrijk (Israël) onder de voeten wordt gelopen en ook een groot gedeelte van het Zuidrijk (Juda). Koning Hizkia krijgt dan echter de profetie van Jesaja (vs. 30-31) dat God een rest zal bewaren, die vervolgens het land weer zal bevolken. De eerste interpretatie van ‘rest van Israël’ is dan ook Juda, dat achterblijft als de ‘tien stammen’ in ballingschap worden weggevoerd en vanaf dat moment ook grotendeels verdwijnen uit de joodse geschiedenis.


De profetenboeken Jesaja en Jeremia hebben het thema van de ‘rest van Israël’ het meest uitgewerkt. Het kleurt de boodschap van de profeet Jesaja zelfs zozeer dat hij zijn zoon de naam Sje’ar jasjoev, een rest zal terugkeren, geeft. Die naam kan zowel betrokken worden op de vijandelijke legers, waarvan slechts een schamele rest huiswaarts zou keren nadat de God van Israël zijn macht en majesteit heeft vertoond, alsook in tweede instantie op Israël zelf.

Met de wegvoeringen van de bovenlaag van Juda als straf op de zonden van Israël en het davidische koningshuis onderging ook Juda het lot dat eerder het tienstammenrijk trof. Ook nu is er echter een rest. Het is opvallend dat in het Jesajaboek met de rest voornamelijk de achtergeblevenen, de onaanzienlijke Joden die in het land bleven, bedoeld worden. Bij Jeremia zien we de nadruk vallen op de weggevoerden in Babylon, die zich als rest geïsoleerd voelen in de nieuwe omgeving en de opdracht hebben om daar Gods woorden te bewaren en uit te leven.


Het is dus duidelijk dat het begrip ‘rest van Israël’ voor verschillende groepen gebruikt kan worden, maar dat er steeds hetzelfde gebeurt: God straft het volk met zijn oordelen vanwege de zonden die bedreven worden, maar tegelijkertijd krijgen de profeten ook telkens weer de opdracht een belofte van verzoening en vrede te brengen. Het is dan de rest — Juda, de achtergeblevenen of de ballingen — aan wie God dwars door het oordeel heen zijn beloften waarmaakt.


Het principe van de rest is overigens veel dieper in de Schrift verankerd dan louter in de passages waar de rest van Israël wordt benoemd. God redt uit het geheel van de mensheid Noach en zijn acht familieleden in de ark, uit de bewoners van Kanaän redt hij Jacob en zijn zeventig nazaten in Egypte en op het moment dat de profeet Elia zich vertwijfeld afvraagt of hij de enige overgebleven godvrezende is, blijkt er nog een rest van 7000 mensen te zijn die de knie niet voor de Ba’al gebogen hebben.


De rest van Israël’ is dus een notie die in het Oude Testament veelvuldig voorkomt en altijd verbonden is aan enerzijds het oordeel van God en anderzijds zijn beloften. Daarbij is er steeds sprake van een wisselend spreken over heden en toekomst: er zijn gedeeltes waarbij de beloften voor de rest concreet zijn te verbinden aan de terugkeer uit de Babylonische ballingschap, echter nog veel meer passages waarin de rest nauw wordt verbonden aan het eschaton. Bij de profeet Jesaja wordt de rest ook de bakermat voor de Messias (6:13).

Continuïteit en vernieuwing

Zowel in de rabbijnse als de christelijke traditie wordt het restbegrip vervolgens opgenomen en verder uitgewerkt. De manier waarop dat gebeurt, kent opmerkelijke parallellen. Uit de Dode-Zeerollen weten we dat de gemeenschap rond Qumran het begrip ‘de rest van Israël’ op een sektarische manier interpreteerde: zij waren de ware vromen, de gelovige rest die temidden van het joodse volk leefde dat als geheel op de verkeerde weg was. Van die sektarische lezing nemen beide tradities afstand.


Binnen het vroege christendom is het de apostel Paulus die in de fameuze hoofdstukken 9-11 van zijn brief aan de Romeinen teruggrijpt op de profetische notie van ‘de rest van Israël’. Voor Paulus is dat de gelovige rest, de Joden die Jezus als hun Messias hebben leren kennen. Deze rest van Israël wordt vervolgens de wortel van de nieuwe gemeenschap die rond Jezus Messias ontstaat. De notie wordt opgeroepen — ondermeer door Jesaja te citeren — in een context waarin Paulus wil laten zien dat er sprake is van continuïteit tussen Gods werk met Israël en zijn werk in Jezus en de kerk. Hij wil aantonen dat ook nu Gods werk niet buiten Israël omgaat — al was het maar via een gelovige rest.

Toch blijft het daar niet bij. En dat is precies het verrassende en vernieuwende dat bij Paulus gebeurt. Verdwijnt in de profetenboeken de meerderheid van Israël veelal buiten beeld, lossen de ‘tien stammen’ op in de geschiedenis, bij Paulus is dat niet het geval. Het geheel van Israël komt daarentegen weer terug. Het gaat God kennelijk niet alleen om de rest, maar evenzeer om het geheel. In Romeinen 11: 26 wordt van ‘heel Israël’ — de meerderheid die tegenover de rest staat die in Jezus als Messias gelooft — gesteld dat het zal worden gered.


Om dit goed te begrijpen, moeten we nog weer even terug naar de profeten.

  • Het viel op dat ‘de rest van Israël’ daar vaak in eschatologische context wordt gebruikt. Zo is het ook hier: de rest is een voorbode van wat in het eschaton aan het geheel gaat plaatsvinden. Het is duidelijk dat er bij Paulus sprake is van afstand in tijd tussen wat nu gebeurt met de ‘rest’ als wortel voor de kerk en wat er straks in Gods grote toekomst gaat gebeuren met ‘heel Israël’.
  • Het tweede dat bij de profeten opviel was de betekenis van Gods verkiezende genade. Ook Paulus grijpt als hij het heeft over Israël terug op het geheimenis van Gods verkiezing van Israël — en dat niet alleen van de gelovige rest, maar van heel Israël.


Dat bij de nieuwtestamentische realiteit van de rest het geheel niet uit het oog wordt verloren, blijkt ook uit het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes. Daarin blijken in het eschaton opeens ook de tien stammen weer op te duiken — het deel van Israël dat al lang verdwenen en schijnbaar vergeten was in de bijbelse geschriften. In het Koninkrijk van God zal echter heel Israël in Gods toekomst delen en daar staan de twaalf stammen als geheel symbool voor.


Opvallend is dat niet alleen in het vroege christendom, maar ook in het rabbijnse jodendom naast de ‘rest’ ook het ‘geheel’ opnieuw in het vizier komt. Een teken daarvan is al het gebed dat aan het begin van dit artikel is geciteerd. Het is echter ook op tal van plaatsen in de Babylonische Talmoed te vinden. Daar wordt verteld dat in het einde der tijden als de Messias komt de tien stammen weer verenigd worden met de ‘rest’. Zij zouden wonen aan de overzijde van een rivier, de Sambation, die zes dagen in de week zo onstuimig is dat hij niet overgestoken kan worden. Op sjabbat is de rivier echter de rust zelve. Dan mogen Joden echter de rivier niet oversteken en daardoor wordt een hereniging nu nog onmogelijk geacht. De Messias zal echter in staat zijn om de rivier over te steken, heel Israël te verenigen en dan breekt het rijk van vrede aan.

Zo kan de Misjna in Sanhedrin 10:1 al zeggen dat heel Israël in de olam haba, de toekomende wereld, aanwezig zal zijn. In de Talmoed (Kiddoesjien 36a) wordt vervolgens door rabbi Meïr uitgelegd aan de hand van Hosea 2:1 — een tekst die ook bij Paulus een belangrijke rol speelt — dat dit niet alleen geldt voor ‘goede zonen’, maar ook voor de zondige en afgeweken zonen.

Het geheel in het oog

Zowel Paulus als het rabbijnse jodendom leren ons, tegen de achtergrond van de profeten, dat de ervaren realiteit van een ‘rest’ niet losgekoppeld mag worden van ‘het geheel’. In het eschaton zal blijken dat God zijn beloften gestand doet ook aan dat deel van Israël dat lijkt te verdwijnen in de geschiedenis of waarmee de afstand onoverbrugbaar lijkt te zijn.

Bij christelijke theologische bezinning op Israël is het daarom van belang dat er niet alleen aandacht is voor de ‘rest’, maar ook voor het ‘geheel’. De vooraanstaande Amerikaanse systematisch theoloog Robert Jenson heeft er in dit verband op gewezen dat het gescheiden bestaan van Israël en de kerk (inclusief de rest) kennelijk onder de voorzienigheid van God valt. De Romeinenbrief ziet in die gescheidenheid zelfs een diepe theologische betekenis liggen, waarbij het heil voor de naties wordt verbonden aan de breuk met Israël. Tegelijkertijd is het even duidelijk dat God daar niet in berust en dat Hij als waarmaker van zijn woord zijn beloften zal vervullen aan ‘heel Israël’. Op zijn tijd en op zijn wijze.

drs. Bart Wallet
Vrede over Israël jrg. 54 nr. 1 (jan. 2010)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel