Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.


Het Loofhuttenfeest en de volken

Hebben christenen uit de volken iets te zoeken in de loofhut van Israël?

Vragen rondom de loofhut

In een advertentie, gericht aan christenen, staat het volgende te lezen: 'Vier dit jaar het Loofhuttenfeest in Jeruzalem'. De eerste gedachte zou kunnen zijn: dit is een vergissing. Deze advertentie is vast een uitnodiging aan joodse landgenoten om dit jaar niet in Nederland, maar in Israël het Loofhuttenfeest te vieren. Maar het is geen vergissing. De advertentie is een serieuze uitnodiging aan christenen.

Dat komt ook naar voren in het thema, waaronder het feest in Jeruzalem gevierd zal worden: 'Vanuit elke natie de Koning aanbidden op het feest.' Wie de boeken van de profeten kent, weet dat in dit thema verwezen wordt naar Zacharia 14, waar in vers 16 staat dat eens alle volken zullen optrekken naar Jeruzalem om daar jaar na jaar het Loofhuttenfeest te vieren.


In 1990 verscheen een artikel van de hand van dr. H. Vreekamp met de titel: 'Waarom geen loofhuttenfeest in de kerk?' Let wel dit was geen vraag om het in Jeruzalem te vieren, zoals in de advertentie, maar om het in de kerk te vieren. Nu was dat artikel geen pleidooi van Vreekamp om zo snel mogelijk tot viering van het Loofhuttenfeest in de kerk over te gaan, maar hij vond wel dat de zaak van het Loofhuttenfeest door de kerk eens serieus genomen moest worden. Zelf ging hij op de vraag van de titel in met de woorden: 'Het antwoord moet wel zijn dat de kerk als gemeente uit de volken te zeer vergeten is dat ze nog onderweg is.' En hij spoorde de kerk aan in eigen traditie te zoeken naar 'verloren geraakte elementen die aan Soekot (het hebreeuwse woord voor Loofhuttenfeest MWV) herinneren.' Enige commotie rondom dit artikel bleef niet uit.


Die advertentie, dat artikel en een aantal recente publicaties die in dit artikel nog ter sprake zullen komen, roepen de vraag op: wat hebben christenen uit de volken te zoeken in de loofhut van Israël? En die vraag brengt ons op haar beurt weer bij de kernvraag: wat hebben de volken met het Loofhuttenfeest van Israël te maken?


Om enig inzicht op de vragen te krijgen willen we eerst een korte beschrijving geven van het feest zelf, vervolgens iets vertellen over de wijze waarop de volken op dit feest ter sprake komen, om dan tenslotte de vraag onder ogen te zien wat er in de kerk zoal over de viering van het Loofhuttenfeest is gedacht.

Hét feest

Loofhuttenfeest is voor de joden hét feest. Het feest bij uitstek. Het wordt gevierd in de herfst. Na Nieuwjaar (Rosj Hasjana) met aansluitend de 10 Geduchte Dagen, die worden afgesloten met Grote Verzoendag (Jom Kipoer), staat de viering van het Loofhuttenfeest (Soekot) op de kalender.

Een zeven dagen durend feest, waaraan een achtste dag is toegevoegd. De eerste dag lijkt op een sabbat. De zevende dag wordt Hosjana Raba (veel hosanna’s) genoemd, omdat er veel gebeden uitgesproken worden, waarin het woord hosjana (red toch!) voorkomt. Op de achtste dag wordt het Slotfeest gevierd (Num. 29:35).

De dag na het Slotfeest heet Simchat Tora (vreugde der Wet), maar die feestdag staat min of meer los van het Loofhuttenfeest.


Vanouds is Loofhuttenfeest een pelgrimsfeest. We lezen erover in Ex. 23:14 en 34:22. Het wordt genoemd 'het feest van de inzameling', bedoeld is de inzameling van de oogst. In de herfst worden de laatste vruchten geoogst, o.a. de druiven.

Meerdere gegevens over het feest vinden we in Lev. 23:33-43, Num. 29:12-39 en Deut. 16:13-15. We vermelden ook nog 1 Koningen 8:2, waar we lezen dat Salomo op het feest van de zevende maand (Loofhuttenfeest) de tempel inwijdde (Gods woning = Gods tent onder de mensen). In Nehemia 8 horen we dat Ezra in de zevende maand de wet voorleest ten aanhoren van het volk en dat het volk het Loofhuttenfeest gaat vieren (verzen 14-19). In 2 Kron. 7:8 en 9 en in Ez. 45:25 wordt het Loofhuttenfeest kortweg hét feest genoemd. Uiteraard noemen we hier ook Zacharia 14. Met name door de profeten wordt naar voren gebracht, dat het Loofhuttenfeest niet alleen viering is van de fruitoogst en gedachtenis aan de woestijntocht, maar ook een verwijzing naar de grote toekomst, waarin God een volkomen beschutting en daarmee ook een volkomen vreugde aan de zijnen zal geven.


Om een indruk te krijgen van wat het Loofhuttenfeest is citeren we de woorden van Lev. 23:39-43: 'Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest des HEREN vieren: op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn. Op de eerste dag zult gij de vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE, uw God, zeven dagen lang. Gij zult het als een feest des HEREN vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde; Ik ben de HERE, uw God.'


Opvallende elementen zijn de combinatie van oogst en bevrijding, het daadwerkelijke wonen in een loofhut, de duur van het feest (7 dagen), de eerste en de achtste dag als rustdagen, het nemen van vruchten en takken op de eerste dag.

Als reden om het feest te vieren wordt opgegeven, dat Israëls geslachten moeten weten, dat het volk in hutten woonde, toen de HERE hen uit Egypte leidde.


In Num. 29 wordt uitvoerig ingegaan op de offers, die op het Loofhuttenfeest in de tempel worden gebracht. We lezen voor elke dag het precieze aantal. En wat de stieren betreft komen we dan voor de zeven dagen van het feest op een aantal van 70 stieren.


In later tijd is in Jeruzalem een uitbundig waterschepfeest aan het Loofhuttenfeest toegevoegd. In een plechtige processie werd het water, dat uit de Siloam-bron geput was, naar het tempelplein gebracht en daar uitgegoten. Dit ging gepaard met zeer grote vreugde. Het element van het water kreeg ook een plaats in de gebeden van het feest. Het is de vraag aan God om, spoedig regen te geven terwille van het nieuwe seizoen.


In het Nieuwe Testament wordt het Loofhuttenfeest alleen met name genoemd in Joh. 7:2 'Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij.' Johannes 7 en 8, en sommigen zeggen ook 9, spelen zich af tijdens het Loofhuttenfeest.

Minder uitdrukkelijk, en daarom ook omstreden, komt het feest ter sprake in de verheerlijking van Jezus op de berg (Markus 9:2-13 en parallelle plaatsen) en bij de intocht in Jeruzalem (Markus 11:1-10 en parallelle plaatsen).

Mogelijke zinspelingen op (de betekenis van) het feest treffen we aan in Openb. 7:9 (de schare met de palmtakken) en 21:3 (Gods tent bij de mensen). Vreekamp noemt in het aangehaalde artikel zelfs heel het laatste bijbelboek een 'liturgie naar voorbeeld van het Loofhuttenfeest'.

Bepalingen omtrent de loofhut en de plantenbundel

Een niet geheel opgehelderde kwestie is de vraag waarom Israël de tocht door de woestijn moet gedenken door te wonen in loofhutten, terwijl Israël in de woestijn woonde in tenten. Zijn hut en tent synoniem? Of zien we hier een in elkaar schuiven van het nomadenbestaan (in tenten) en het gevestigde boerenbestaan (in de oogsttijd woonde men op de akkers in provisorische hutten)? We weten het niet. Wel is op grond van de oude Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel (de Septuaginta) aan te nemen, dat in later tijd hut en tent synoniem zijn.


Omdat de bijbel niet precies zegt hoe een loofhut eruit moet zien en hoe de vruchten van het land en de takken van de palm, de mirte en de beekwilg moeten zijn en wat ermee gedaan moet worden, zijn er in de joodse mondelinge traditie allerlei bepalingen vastgesteld voor het feest. Deze bepalingen vinden we o.a. in de Misjna; een verzamelwerk van rabbijnse discussies en bepalingen uit het begin van onze jaartelling. In de Nederlandse vertaling en bewerking van S. Hammelburg, opnieuw uitgegeven in 1977, beslaat het gedeelte over het Loofhuttenfeest 45 pagina's. (De Misjna deel 2, tractaat Soeka, 354 - 390).

Nog onlangs heeft de Peilim organisatie Jad Le’achim in samenwerking met de Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider en gesteund door het Ned. Isr. Kerkgenootschap een boekje uitgegeven, getiteld 'Het Loofhuttenfeest'. In dit boekje wordt uitgebreid ingegaan op het bouwen van de loofhut (plaats, maten, materiaal, dak, versiering enz.), op wat verstaan moet worden onder 'wonen in de loofhut', op de samenstelling van de plantenbundel, op voorschriften over de kwaliteit van de diverse takken en de manier van samenbinden enz.

Ik noem als voorbeeld - om een indruk te geven van de bepalingen van de joodse mondelinge traditie - enkele voorschriften voor de palmtak (loelav). 'Als de bladeren van de palmtak uit elkaar staan, is de palmtak nog geschikt zolang de bladeren samengebonden kunnen worden. Als dit niet mogelijk is is de palmtak ongeschikt. De bladeren van de palmtak groeien in paren. Als de meerderheid van de bladeren gesplitst is over het grootste deel van de lengte, is de palmtak ongeschikt. Een palmtak, waarvan het middelste blad gesplitst is over de lengte van 8 tot 10 centimeter, wordt door de Asjkenaziem (bepaalde groep Joden MWV) niet op de eerste dag van het Loofhuttenfeest gebruikt. Als het merendeel van de bladeren droog is, zodat ze bijna wit in plaats van groen zijn, is de palmtak ongeschikt.' (pag. 27 en 28)

Minutieus is bepaald hoe de dingen, die God in zijn geschreven Woord kort aanduidt, in de praktijk moeten worden uitgevoerd.

In de synagoge

De eerste en de achtste dag van het feest zijn rustdagen (Lev. 23:35 en 36). Er mag generlei slaafse arbeid verricht worden. De tussendagen zijn ook feestdagen, maar bepaalde soorten werk zijn toegestaan. Het feest wordt hoofdzakelijk thuis gevierd. Toch komt men ook samen in de synagoge (vroeger in de tempel). Daar worden de vastgestelde Schriftlezingen voor het Loofhuttenfeest gelezen. Dat zijn o.a. elke dag de Hallel-psalmen 113-118; verder het boek Prediker; en uit de profeten o.a. Zach. 14.


De lezing van Prediker wordt op verschillende wijze verklaard. In het genoemde boekje 'Het Loofhuttenfeest' wordt gewezen op verschillende teksten uit Prediker, die te betrekken zijn op het Loofhuttenfeest. Bijv. Pred. 11:2 'Verdeel het in zeven (de zeven dagen van het feest, MWV), ja, in achten (de toegevoegde achtste dag, MWV) want gij weet niet, welk kwaad er op aarde zal zijn (of er wel regen zal komen, MWV) .'

Er zijn andere verklaarders, die erop wijzen, dat door de lezing van Prediker met zijn relativerende toon een al te grote uitbundigheid op hét feest ingetoomd wordt. Ook een feest heeft z'n tegenwicht nodig.


Een bekend gebruik in de synagoge is de rondgang om de verhoging van waaraf de Schriften gelezen en de gebeden gezegd worden. Op die verhoging, die op het Loofhuttenfeest versierd is met groene takken, worden de Tora-rollen neergelegd. Op bepaalde momenten in de dienst wordt er een rondgang gemaakt. Bij het horen van de verzen 1-4, 25 en 29 van Psalm 118 wordt er met de vrucht en de plantenbundel, die men in de handen houdt, gezwaaid naar alle windrichtingen en naar boven en beneden. Men zegt dan de woorden: 'Van U: aan U: en zoals dit, zo alles overal ter wereld'. Het is een belijdenis, dat alles wat groeit en bloeit van God komt en aan God toebehoort.

Op de zevende dag worden er zeven rondgangen gemaakt. Men roept dan telkens hosjana (red toch). Dit is de dag van de vele hosanna's. In sommige joodse kringen is dit een heel ernstige dag, die doet denken aan Grote Verzoendag.

En nu de volken

We hebben Israël gevolgd op het feest. Onze vraag is nu: wat hebben de volken in de wereld met dit Loofhuttenfeest van Israël te maken? Waar komt de gedachte vandaan, dat wij als christenen (overwegend afkomstig uit de volken van de wereld en niet uit Israël) iets met dit feest van doen hebben?


Allereerst is op te merken dat het Loofhuttenfeest één van de drie grote pelgrimsfeesten in Israël is. Van die drie feesten zijn er twee (Pesach en Sjavoeot, dat zijn Pasen en Pinksteren) door de kerk overgenomen, al is het ook met een 'in Jezus Christus vervulde' inhoud. Merkwaardig is nu, dat het Loofhuttenfeest nooit een aparte plaats heeft gekregen in de kerkelijke vieringen. Vanaf de vroegste tijden zijn er geen aanwijzingen, dat er op de één of andere manier een christelijk Loofhuttenfeest is geweest. We komen er dadelijk nog op terug, want er zijn stemmen, die zeggen dat het Loofhuttenfeest wel op een bepaalde manier in de christelijke feestkalender is opgenomen.


Een andere kwestie is of het Loofhuttenfeest zelf, zoals Israël het viert, enige aanleiding geeft om een relatie te leggen met de volken? Wie nauwkeurig toekijkt ontdekt dat die aanleiding er is; zelfs heel duidelijk. Dat komt op verschillende punten naar voren.

Om te beginnen is er een rabbijnse verklaring, die zegt dat de 70 geofferde stieren uit Num. 29 (zie boven) duiden op de 70 volken van de wereld. Israël offert de stieren aan God terwille van de volken. Dat maakt Loofhuttenfeest voor Israël tot een universeel feest. De volken zijn in het vizier.

Vervolgens is er een traditie die daar min of meer bij aansluit en zegt, dat God de achtste dag aan het feest heeft toegevoegd, omdat Hij nog een dag alleen wil zijn met zijn volk. Zeven dagen is Israël bezig geweest voor de volken, de achtste is voor God en Israël samen.

Van veel meer belang is echter Zach. 14, waar de volken uitdrukkelijk worden genoemd. We citeren de verzen 16-19: 'Allen, die zijn overgebleven van al de volken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neer te buigen, op hem zal geen regen vallen, en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen (regen) valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de HERE de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.'

De vraag is hoe deze profetie van Zacharia verstaan moet worden. Worden de volken hier opgeroepen bij de eerste de beste gelegenheid naar Israël te gaan en het Loofhuttenfeest te vieren, dat wil zeggen: de God van Israël als God te erkennen en de afhankelijkheid tegenover deze God uit te spreken? Of is hier sprake van een toekomstige werkelijkheid, waarop we nog moeten wachten?


Vanuit deze drie punten is het onmisbaar dat er een relatie ligt tussen het Loofhuttenfeest van Israël en de volken van de wereld. En dat brengt ons bij de vraag wat de kerk, die zoals gezegd vooral kerk uit de (heiden)volken is, te maken heeft met de loofhut van Israël.

Christelijke visies op het Loofhuttenfeest

Onder christenen lopen de meningen over de betekenis van het Loofhuttenfeest voor de kerk ver uiteen. Een aantal visies willen we beknopt weergeven.

  1. Er is een opvatting die zegt, dat het Loofhuttenfeest vervuld is in Jezus Christus. We vinden deze mening o.a. bij Jac. van Nes Czn in zijn boek 'Het Jodendom' (1933).
    Hij ziet de vervulling in Jezus met name in Joh. 7 en 8, waar Jezus zegt 'Ik ben het licht der wereld.' Op het Loofhuttenfeest was er een enorme verlichting van de tempel in Jeruzalem, die de hele stad verlichtte. Dit licht verwees naar de woestijn, waar de wolkkolom met het licht in de nacht teken was van Gods aanwezigheid en zorg. Nu wijst Jezus op Zichzelf: Hij is het licht. De vervulling van het feest vindt ook daarin plaats, dat Jezus volgens Joh. 7:37 op de laatste, de grote dag van het feest zei: 'Indien iemand dorst heeft, hij komen tot Mij en drinke!' Dit is de vervulling van het water-schep feest. Jezus geeft het levende water. Het is Jezus, die bescherming geeft, zelfs tegen 'den toorngloed Gods, die brandt tegen de zonde'.
    De konklusie van Van Nes is (pag. 201), dat door het geloof Jezus ons opneemt in zijn beschutting. 'Alleen bij Jezus, den Messias, komen zij (de Joden, MWV) weer in hun eigen, echt Israëlitische tent.' En zo vervulde Jezus ook Zach. 14. Van Nes zegt ervan: 'Wat Zacharia in beeldrijke taal verkondigde, het is vervuld.'
    Deze visie roept vele vragen op. Om een paar te noemen. Wanneer je het begrip 'vervulling' zo invult, zoals Van Nes doet, dan staat dat begrip gelijk met afschaffing. Vervulling van het Loofhuttenfeest is afschaffing ervan. Dat blijkt ook, want nergens zegt Van Nes, dat de Joden, ook wanneer zij in Jezus Christus gaan geloven, het Loofhuttenfeest kunnen blijven vieren. Ook ziet hij geen weg voor de kerk om dit in Jezus Christus vervulde feest te vieren. Maar waarom dan wel Pasen en Pinksteren in de kerk gevierd, die toch ook 'vervullingsfeesten' zijn?
    Daarbij maakt Van Nes zich wel erg gemakkelijk van Zach. 14 af. Het is een profetie met een belofte en een dreiging. Uitdrukkelijk worden de volken genoemd, met name ook Egypte. Van enige konkrete invulling van deze profetie blijft bij Van Nes niets over.
  2. Er is ook een visie, die zegt, dat de kerk het Loofhuttenfeest, althans elementen eruit, in haar liturgische kalender heeft opgenomen. De meningen lopen uiteen bij de vraag waar de kerk in haar liturgische kalender het feest heeft opgenomen. Er zijn en worden verschillende standpunten verdedigd.
    Sommigen zeggen: het Loofhuttenfeest heeft een plaats gekregen in de viering van de Palmzondag, anderen in de viering van de 18e zondag na Pinksteren (de zog. boetetijd in september; ook wel aangeduid als de quatertemper van september, dat is de boete- en vastentijd bij de wisseling van de seizoenen; er zijn vier van die tijden), weer anderen noemen de Hemelvaart, of het Kerstfeest. Ook wordt de mening gehuldigd dat het Loofhuttenfeest op meerdere plaatsen in de liturgische kalender terecht is gekomen. Enkele standpunten zullen we de revue laten passeren.
    Om te beginnen nemen we de mening van Gregorius van Nyssa (gestorven in het jaar 394), die een verband legde tussen Loofhuttenfeest en Kerstfeest. Jean Daniëlou schrijft erover in zijn boek 'Bijbel er Liturgie', 1964, (pag. 486 - 491). Gregorius wijst met name op het woord 'verschijnen'. Op het Loofhuttenfeest gaat het om het komen, het verschijnen van de HERE (Ps. 118:26 'Gezegend hij, die komt in de naam des HEREN.'); zo is het ook op het Kerstfeest. Verder is het woord uit Joh. 1:14 een aanknopingspunt, waar staat, dat het Woord onder ons heeft 'gewoond', letterlijk 'getabernakeld'. In dat woord zit het woord 'tent/hut'. Jezus is gekomen om de door de zonde vernielde tenten weer op te richten. Daniëlou merkt op, dat de opvatting van Gregorius geen weerklank heeft gevonden in de kerk (pag. 491). Om een wezenlijke relatie tussen Loofhuttenfeest en Kerstfeest aan te tonen zijn de gedachten van Gregorius van Nyssa te los en te speculatief.
    Jill Klappe maakt zich in zijn boekje 'Sukkoth, Huttenfeest, Palmzondag' (1986) sterk voor een christelijk Loofhuttenfeest op Palmzondag. Hij zegt (pag. 6): 'We zullen ontdekken dat de intocht in Jeruzalem en de tempelreiniging alles met dat feest te maken hebben en dat onze viering van Palmzondag niet meer en niet minder behoort te zijn dan de evangelische versie van het Huttenfeest of: Jezus' beleving van het Huttenfeest.'
    Zijn argumenten zijn dat de intocht in Jeruzalem van koninklijk karakter was, dat er met palmtakken gezwaaid werd, dat er geroepen werd hosjana met aanhaling van Ps. 118. Dit wijst allemaal op het Loofhuttenfeest. Ook de tempelreiniging, vlak na de intocht (zie Markus 11), moet volgens Klappe in verband gebracht worden met het Loofhuttenfeest, want Jezus komt daar op voor de tempel als huis van gebed voor de volken. Dat is in de lijn van de profeet Zacharia.
    Hoewel er elementen zijn uit met name het verhaal van de intocht, die mogelijke verbanden bloot leggen met het Loofhuttenfeest, doet de verklaring van Klappe toch gekunsteld aan. Dat is temeer het geval als we bedenken, dat het Loofhuttenfeest op palmzondag los gemaakt is uit de herfsttijd en in het voorjaar (vlak voor Pasen) beland is. De duidelijke band, die Pasen met Pesach en Pinksteren met Sjavoeot (het Wekenfeest) verbindt is er niet tussen Palmzondag en het Loofhuttenfeest.
    Vinden we het Loofhuttenfeest dan terug in de 18e zondag na Pinksteren, in die zog. quatertemper van september? Het sterkste argument voor deze gedachte ligt in het feit, dat volgens het oude Romeinse bijbelleesrooster, dat gegrond is op zeer oude tradities (met mogelijk Joodse wortels), juist in dit tijd gelezen wordt over Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest.
    In zijn boek 'Gedachten over Gedenken' (1991) schrijft dr. H. Vreekamp (pag. 105): '... een viering zoals Soekot is niet als afzonderlijk feest op de kerkelijke kalender terug te vinden, maar ligt als het ware gespreid over de zondagen na Pinksteren. Het kenmerkende van het profetische visioen - de pelgrimage van de volken naar Jeruzalem - ligt reeds verscholen in de Pinksterdag... De zondagen na Pinksteren zijn dus gezet in het licht van Soekkot.' Vreekamp neigt ertoe de zondagen na Pinksteren in de geest van het Loofhuttenfeest te vieren (pag. 140 ev).
    Kritischer tegenover de verbinding van de quatertemper van september met het Loofhuttenfeest is drs. P. Wijbenga in zijn boekje 'De loofhut van uw vrede' (1984). Hij zegt op pag. 33: 'Er is niets te bewijzen over oude verbindingslijnen tussen de quatertemper van september en het Loofhuttenfeest.' Wel vindt hij de lezingen opvallend, maar of je daarmee kunt zeggen, dat de kerk door de lezingen het Loofhuttenfeest op een vervulde wijze heeft willen vieren, gaat hem te ver.
    Dr. D. Monshouwer wil in zijn boekje 'Vieren vol verwachting' (1992) slechts spreken van 'sporen van Soekkot' (pag. 36). Hoe merkwaardig het Loofhuttenfeest door de kerkelijke feestkalender kan schuiven, merken we als we horen dat er ook een verband is aan te wijzen tussen de Hemelvaart van Jezus en het Loofhuttenfeest. Monschouwer wijdt daar enkele woorden aan, wanneer hij in genoemd boekje zegt (pag. 69): 'Het gaat dus uiteindelijk om verwachting, om eschatologie. De Messias is gekomen, maar Hij zal komen in heerlijkheid om de aarde terecht te brengen... Dat is het centrale motief waarin Hemelvaart en Soekkot sprekend op elkaar lijken.' Ook legt hij een relatie met Advent (verwachting!).
    Zijn gedachte is dat Jezus' prediking dat het Koninkrijk nabij is nog altijd geldt. Het is nabij gekomen. Nabij, dat wil zeggen: het Koninkrijk is er nog niet (volledig). En dan zegt hij op pag. 70: 'Het gaat er in de liturgie om deze spanning vast te houden. In die zin is het terecht dat er geen afzonderlijk feest voor is. Deze spanning beheerst het ganse kerkelijke jaar, elk feest en elke zondag... Bijbels gesproken kan men deze verwachting een naam geven: de achtste dag. De achtste dag is de voltooiing van Loofhutten. Dan is het feest compleet.'
    Het is terecht, dat Monshouwer hier wijst op de spanning van de verwachting, die het gehele jaar door in de liturgie van de kerk stem behoort te krijgen. Maar daarmee is de vraag niet beantwoord waarom de kerk het Loofhuttenfeest niet viert.
    Van de nood is een deugd gemaakt. En teveel is uit het oog verloren dat het Loofhuttenfeest niet alleen het feest van de toekomst is (Gods tent bij de mensen), maar ook het feest onderweg naar de toekomst. Zie ook Wijbenga, pag. 34 en 35, die zegt: 'Tenslotte is het Loofhuttenfeest niet alleen een toekomstig gebeuren. Het is om heden gevierd te worden, uitdrukking van het besef dat je onderweg bent...'
  3. Er is nog een derde visie onder christenen en die gaat ervan uit, dat de kerk het Loofhuttenfeest moet vieren door daadwerkelijk op te gaan naar Jeruzalem en daar met Israël het feest te vieren. De oproep van Zacharia vraagt om antwoord. De advertentie uit het begin van dit artikel richt zich tot christenen met deze visie. Loofhuttenfeest krijgt als joods feest een plaats op de christelijke liturgische kalender. Niet om het overal in de kerk te vieren, maar om het als christenen in Israël te vieren.
    Deze opvatting lijkt voor de hand te liggen en een duidelijke grond in de Schrift te hebben. Toch zijn ook hier enkele zwaarwegende vragen te stellen.
    Allereerst de vraag waarom Pasen en Pinksteren wel in de kerk gevierd worden, vanuit de vervulling in Jezus Christus, en het Loofhuttenfeest niet? Is er bij dit feest geen sprake van vervulling? Waarom niet?
    Ten tweede: de christelijke deelnemers aan het Loofhuttenfeest in Israël gaan ervan uit dat 'die dag', zoals Zacharia zegt, in onze tijd gekomen is. Maar waar is dat op gebaseerd? Is er geen sprake van een vooruitgrijpen? Temeer daar Zacharia duidelijk spreekt van alle overgebleven uit alle volken. In dit verband is het ook noodzakelijk het geheel van de profetie uit Zacharia 14 voor ogen te houden. En dan klemt de vraag nog meer of de genoemde profetieën nu vervuld worden of dat die tijd nog uitstaat. Te denken is aan het Koningschap van God over de hele aarde, aan het wegteren van vijanden, aan het inbrengen van al het vermogen van de omringende volken in Jeruzalem enz. Doet Zacharia zelfs niet denken, dat de tempel (het huis des HEREN) in Jeruzalem staat (vs 20 en 21)?

Waarom vieren de volken geen Loofhuttenfeest?

  1. Al de pogingen om tot een aktuele verbinding te komen tussen het Loofhuttenfeest en de kerk (de volken) lijken vanuit de kerk gezien niet tot een bevredigend resultaat te leiden.
  2. Wellicht hangt dit samen met het feit dat het Loofhuttenfeest zelf geen duidelijk van Pesach en Sjavoeot onderscheiden karakter heeft. In Lev. 23 wordt het Loofhuttenfeest precies een halfjaar na Pesach gedateerd.
    Wijbenga (pag. 8) is van mening op grond van o.a. Neh. 8, dat het volk, dat na een lange ballingschap weer in het land komt, het Loofhuttenfeest viert 'als een paasfeest in de herfst'. Hij noemt het Loofhuttenfeest 'een tweede paasfeest' (pag. 11). Wel moet hier aan toegevoegd worden, dat het accent op het Loofhuttenfeest meer ligt op het onderweg-zijn onder Gods hoede dan op het bevrijd-zijn van de slavernij door Gods machtige arm (Pesach).
  3. Vanuit het Nieuwe Testament gezien is er niet te spreken van een ondubbelzinnige vervulling van het Loofhuttenfeest. Ongetwijfeld komt de evangelist Johannes het dichtst in de buurt van een vervulling door wat hij schrijft in zijn 7e en 8e hoofdstuk. Maar van een beslissend nieuw feit is geen sprake.
  4. Voorzover het om de profetieën aangaande het Loofhuttenfeest gaat (en dan noemen we met name Zacharia 14) moeten we zeggen, dat die nog uitstaan. Het is een vooruitgrijpen om nu het Loofhuttenfeest hetzij in de kerk hetzij als mensen uit de volken in Israël te vieren.
    Wel is op te merken, dat de profetie van Zacharia niet ziet op de toekomende eeuw. Immers dan zou de dreiging uit de profetie, nl. dat elk volk, dat niet jaar op jaar in Jeruzalem verschijnt, van regen verstoken zal blijven, geen zin hebben. De profetie heeft - nieuw-testamentisch gesproken - het oog op deze eeuw.
  5. In deze tijd komt de kerk uit de volken met het Loofhuttenfeest niet verder - maar dat mag al een heel eind genoemd worden - dan de opdracht tot het besef, dat alleen Gods beschutting ons veilig doet wonen. Liturgisch gezien komt het houden van de Dankdag of van een Dankzegging nog het dichtst bij de mogelijkheid om iets van datgene te bewaren wat in het Loofhuttenfeest ligt uitgedrukt. We zijn afhankelijk, onderweg en we leven een kwetsbaar leven. Maar de God van Israël gaat voor ons uit en trekt met ons mee.
    Zo hebben we Hem als onze God en Vader leren kennen door Jezus Christus die het licht der wereld en de bron van levend water is. En eens zal zijn tent bij de mensen zijn en zal Hij bij hen wonen en zullen zij zijn volken zijn en Hijzelf zal bij hen zijn. Dat is het perspektief van de Openbaring van Johannes (21:3). Dan is het Loofhuttenfeest voor Israël en de volken vervuld.