Joodse datum

14 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Trefwoord

Nazoreeërs

De Nazoreeërs

Joodse christenen in de eerste eeuwen

‘Christenen’ en ‘Nazoreeërs’

Dat wij ‘christenen’ heten is voor ons een vanzelfsprekendheid. In Handelingen 11,26 gaat het over Antiochië, de bakermat van de zending (Paulus en Barnabas!), waar een gemeente van christenen van joodse en heidense afkomst is ontstaan, aan wie men daar voor het eerst de naam ‘christenen’ gaf.

Toch zit er misschien meer achter dan wij denken. Het is niet de enige benaming voor mensen die Jezus als Messias belijden in het bijbelboek Handelingen. In Handelingen 24,5 wordt tegen Paulus namens de joodse Raad de beschuldiging ingebracht dat hij behoort tot een ‘sekte’, de Nazoreeërs. Nu moeten we ons door die benaming ‘sekte’ niet op verkeerde gedachten laten brengen. Het woord duidt hier niet zozeer op hun afwijkende en zelfs verwerpelijke meningen, maar geeft slechts aan dat het een stroming was binnen het jodendom in het land Israël. Paulus wijst die benaming Nazoreeër niet af (24,14). In Handelingen 26,9 noemt hij zelf Jezus ‘de Nazoreeër’, en dat is bepaald niet de enige keer dat dat in Handelingen gebeurt (2,22; 3,6; 4,10; 6,14).

Door deze twee benamingen voor de volgelingen van Jezus van Nazareth te vermelden laat Lukas op een subtiele manier doorschemeren, dat binnen de kring van hen, die tot geloof in Jezus Christus zijn gekomen, van meet af aan stromingen te onderscheiden zijn. Het is niet toevallig dat de ‘gemengde’ gemeente in Antiochië, waar dus van origine joodse en niet-joodse gelovigen bijeenzijn, een andere benaming ontvangt dan de christen-joodse gemeente in Jeruzalem.

In Handelingen zijn het alleen nog de namen die verschillen, maar al spoedig in die eerste eeuwen zijn niet alleen kerk en synagoge, maar ook kerk-uit-de-heidenen en kerk-uit-Israël uiteengegaan.

De Nazoreeërs zijn zo rond de vijfde eeuw uit de geschiedenis verdwenen - afgewezen en bestreden door zowel kerk als synagoge. Over die Nazoreeërs gaat het in dit artikel, over wie zij waren in het jodendom ten tijde van het Nieuwe Testament en wat we verder weten van hun geschiedenis.

We beginnen in het Nieuwe Testament zelf, en kijken naar die eerste gemeente in Jeruzalem, waarvan de leden in Handelingen 24,5 ineens ‘Nazoreeërs’ blijken genoemd te worden.

De gemeente in Jeruzalem

De eerste gemeente in Jeruzalem is - zo kunnen we uit het bijbelboek Handelingen opmaken - binnen het stroomgebied van het veelkleurig jodendom van haar tijd gebleven. Ze onderscheidde zich van sommige andere stromingen binnen het jodendom door haar uitgesproken Messiaans karakter.

Nu kende die joods-christelijke gemeente in Jeruzalem zelf overigens ook weer verschillende stromingen, want in Handelingen 6 lezen we van een zekere breuklijn die er door de gemeente liep tussen Hebreeuws sprekenden en Grieks sprekenden. Daarin ging het om meer dan alleen de taal die men sprak. Wat in de eerste gemeente in Jeruzalem openbaar kwam speelde nog veel dieper in het geheel van de joodse gemeenschap. In Alexandrië, waar in de eerste eeuw een grote joodse gemeenschap van misschien wel een miljoen mensen leefde, verschilde men ingrijpend in denken van de diverse stromingen in het land Israël. In de rede van Stefanus in Handelingen 7 valt het nodige van die kritiek van het ‘diaspora-jodendom’ (= het jodendom, dat buiten het land Israël leeft) op het in Israël levende jodendom te herkennen. Dat werkte dus door in die eerste joods-christelijke gemeente in Jeruzalem!


In Handelingen 23,6 speelt Paulus de Farizeeën en de Sadduceeën binnen de joodse Raad tegen elkaar uit door openlijk de opstanding der doden te belijden (vgl. 24,21). Het gevolg is, dat de Farizeeën en de Sadduceeën met elkaar slaags raken, want de Sadduceeën ontkenden - in onderscheid van de Farizeeën - dat in Gods Koninkrijk de doden opstaan. Hoe moeten we Paulus’ optreden waarderen? Is het een handige zet - en niet meer dan dat? Wie het geheel van het boek Handelingen in ogenschouw neemt zal ontdekken, dat het Paulus inderdaad ging om ‘de hoop van Israël’ (Hand. 28,20). Met andere woorden: Paulus ziet zich zelf als deel van Israël, verbonden met het geheel van de joodse geloofsgemeenschap. De breuk tussen kerk en Israël is nog geen feit. Er kan een joods-christelijke gemeente bestaan, die Christus als Zoon van God belijdt en tevens zich houdt aan de Halacha, de joodse levenspraxis gebaseerd op de Tora.

Groeiende tegenstelling en uiteindelijke breuk

Voorzover we dat kunnen nagaan heeft de joods-christelijke gemeente van Jeruzalem in die eerste decennia na de kruisiging en opstanding van Christus betrekkelijk rustig kunnen bestaan. Zeker - er was de steniging van Stefanus, maar dat betrof een Grieks sprekende jood. En ook werden Jacobus, de broer van Johannes, gedood en Petrus gevangen genomen. Maar wie Handelingen leest krijgt de indruk, dat er ook periodes van betrekkelijke rust zijn geweest, waarin de gemeente ‘een stil en rustig leven’ kon leiden.

Wat in dit bijbelboek niet meer aan de orde komt is waardoor de verwijdering toeneemt en uiteindelijk tot een breuk leidt. In het jaar 62 wordt Jacobus, de ‘broeder des Heren’, die na het vertrek van Petrus uit Jeruzalem was uitgegroeid tot de leidende figuur in de gemeente, gestenigd. Het zijn de Sadduceeën die hier vooral de hand in hebben gehad. ‘De meest rechtvaardige inwoners’ van Jeruzalem - zo vertelt Flavius Josephus - waren hierover zo ontstemd, dat zij alles in het werk stelden om de hiervoor verantwoordelijke hogepriester Ananus afgezet te krijgen - wat inderdaad gelukte. Niettemin was het kwaad al geschied.

Twee jaar daarna kwamen berichten binnen, dat Nero in Rome de christenen op gruwelijke wijze vervolgde, en de joden ongemoeid liet. Het droeg niet bij tot herstel van vertrouwen en toename van besef van verbondenheid in Jeruzalem. Volgens sommige onderzoekers hebben deze gebeurtenissen de joodse christenen de vrijmoedigheid gegeven om in allerlei gebruiken afstand te nemen van het jodendom, en hebben zij bijvoorbeeld in hun handschriften voor Jezus afkortingen gebruikt zoals die in het jodendom uitsluitend voor God gebruikt werden.

Toen in 67 na Christus een opstand in het land Israël uitbrak en Romeinse legers uiteindelijk het beleg om Jeruzalem sloegen, werd de breuk een feit. De joodse christenen weigerden schouder aan schouder tegen de Romeinse legers te strijden, en namen de wijk uit Jeruzalem. Hun ‘burgerschap’ - en daarmee hun verwachting - was niet meer op wat menselijke krachten in deze geschiedenis zouden tot stand brengen. De Messias wàs gekomen, en Hij had in zijn kruis en opstanding verzoening gesticht en zo Gods nieuwe wereld doen aanbreken. Zijn wederkomst was wat zij verwachtten. Ze zagen letterlijk geen heil in een militaire strijd om de bevrijding van Israël - het draaide voor hen in de geschiedenis om de prediking van de gekruisigde Christus als de zwakheid en dwaasheid van God, die de enige hoop voor de mens belichaamt.

Na de val van Jeruzalem

Als Jeruzalem in 70 na Christus eenmaal door de Romeinen ingenomen en verwoest is mogen ook de joodse christenen niet in Jeruzalem terugkeren. Hier worden zij door de Romeinen opnieuw samen met de andere joden, de beginnende rabbijnse traditie, onder één noemer samengebracht. Toch keren zij naar Jeruzalem terug en bouwen buiten de muren van de stad een kerk, op de plek van de verwoeste zaal van het laatste Avondmaal. De toeristen die vandaag Jeruzalem bezoeken, gaan niet voorbij aan de ‘zaal van het laatste Avondmaal’, maar het is duidelijk dat dit gebouw in de huidige vorm dateert uit de Middeleeuwen. Interessant is nu, dat onder dit gebouw een fundament ligt van stenen die afkomstig zijn uit het verwoeste tempelcomplex.

Wat vertelt ons dit kerkgebouw, met deze hoekstenen? Onmiskenbaar drukt het uit dat zij Christus als de nieuwe tempel zagen en de verzoening in het Heilig Avondmaal ontvingen. Daarom hebben zij op de plaats van het laatste Avondmaal een kerk gebouwd, en door de hoeksteen voor deze kerk uit de ruïnes van de tempel te halen hebben zij op een symbolische manier uitgedrukt dat Christus de nieuwe tempel is. In die zaal van het laatste Avondmaal bevindt zich daarom ook een nis, die uitziet op de plaats waar nu de Grafkerk staat, en hadden zij uitzicht op de plaats waar Christus was gekruisigd en opgestaan: dáár was het offer gebracht, dat de zonden der wereld had verzoend!

Eusebius, de kerkhistoricus van de Oude Kerk die leefde in de vierde eeuw na Christus, vermeldt deze gegevens omtrent de bouw van de kerk op de plaats van het laatste avondmaal met verachting - en dat is veelzeggend. Als hij leeft is de breuk tussen kerk en synagoge een feit, en is er ook geen plaats meer voor joodse christenen in de Oude Kerk.

De Nazoreeërs na 70 na Christus

Wat is er in de tussentijd gebeurd met de Nazoreeërs? De kerkvader Epifanius (vierde eeuw) tekent hen als een ketterse stroming, die na het jaar 70 is ontstaan in het ‘Overjordaanse’ en Syrië. Maar hij is stellig niet onbevooroordeeld. Als christen kan hij de ‘Nazoreeërs’ uit Handelingen 24,5 niet als ketters aanmerken. Wanneer hij de latere joods-christelijke kerk van de Nazoreeërs wél als afwijking van het orthodoxe belijden aangaande Christus wil trakteren, moet hij zijn toevlucht nemen tot de ontkenning van enige continuïteit tussen de ‘Nazoreeërs’ uit Handelingen 24,5 en de latere joods-christelijke kerk van de Nazoreeërs. Zijn beweringen kunnen niet overtuigen. Eusebius vermeldt dat de Nazoreeërs uit Jeruzalem vóór de verwoesting van de heilige stad naar Pella in het ‘Overjordaanse’ zijn gevlucht. Een deel van hen keert - zoals we zagen - na de verwoesting van Jeruzalem terug, maar anderen hebben zich daar hebben gevestigd en verbreid over de streek. Daar zijn zij van een beweging binnen het jodendom tot een joods-christelijke kerk geworden, die naast de synagoge bestaat.

In die eerste tijd - we hebben het dan over eind eerste eeuw en begin tweede eeuw - is er evenwel nog contact en zelfs respect tussen Nazoreeërs en joden die Jezus niet als Messias erkennen. Er is bijvoorbeeld een joodse tekst, waarin gevraagd wordt waarom men niet alleen - uit respect voor de sabbat - op vrijdag en zaterdag niet vast, maar ook niet op zondag. Het antwoord luidt: dat is omwille van de Nazoreeërs. Later echter komt het toch tot een breuk. In het Achttiengebed - een belangrijk joods gebed - wordt gebeden: ‘Laten de ketters in een oogwenk vergaan. Laten zij uitgewist worden uit het boek des levens en niet met de rechtvaardigen worden opgeschreven.’ Opmerkelijk is dat in streken waar deze Nazoreeërs voorkwamen hun naam eraan wordt toegevoegd.

Maar niet alleen komt het tot een breuk in de richting van het jodendom, maar ook in de richting van de heiden-christelijke kerk. Hoe kan dat? Wat waren de bezwaren van de heiden-christelijke kerk tegen deze Nazoreeërs? In die eerste eeuwen is er in de christelijke kerk een felle strijd geweest over met name de belijdenis van de godheid van Christus. Binnen de heiden-christelijke kerk kwam het tot heftige botsingen op dit punt, maar ook binnen de joods-christelijke kerk werd hierover niet gelijk gedacht. Dat is overigens iets, wat vaak ontkend wordt. In de geschiedenisboeken worden de joodse christenen vaak ongeveer gelijkgesteld met de Ebionieten, die niet geloofden in de maagdelijke geboorte en in de goddelijkheid van Christus. Maar er was óók de joods-christelijke kerk van de Nazoreeërs, die in hun denken dicht bij de orthodoxe kerk stonden, en alleen van hen verschilden op het punt van het houden van de wet. Zij beleden dus wel degelijk de godheid van Christus en de maagdelijke geboorte, als ook de verlossing door Hem.

Tenslotte

De geschiedenis van de Nazoreeërs, waarvan in dit artikel alleen maar een korte impressie kon worden gegeven, is helaas kenmerkend geworden voor de geschiedenis van de joodse christenen. Binnen hun eigen volk, hun eigen geloofsgemeenschap, worden ze veroordeeld. Maar in de heiden-christelijke kerk is het niet veel beter. Als zij zich niet ‘aanpassen’ aan de kerkelijke - anti-joodse - levenspraktijk, maar de aan Israël gegeven wet inclusief sabbat en besnijdenis handhaven, worden ze als ketters en zelfs gevaarlijk afgewezen. Het is begrijpelijk, maar daarom niet minder verdrietig dat zij in de geschiedenis ten onder zijn gegaan. Maar - al bestaan de Nazoreeërs als joods-christelijke kerk niet meer - de vraag waarvoor zij ons stellen is er nog altijd.