Wet en Genade in het licht van Galaten 4
Inleiding voor de studiedag voor predikanten,
georganiseerd door Dep. ‘Kerk en Israël’,
gehouden op 12-2-2001 in de Ichtuskerk te Amersfoort
ter voorbereiding
(tevoren toegezonden aan alle deelnemers)
1) We gaan op zoek naar de relatie tussen wat ons verteld wordt in Handelingen 15, het Apostelconvent, en Galaten 2 waarin van een bezoek van Paulus aan Jeruzalem sprake is.
De vraag daarbij is of er een rechtstreeks verband bestaat.
Het antwoord op die vraag kan ons op weg helpen om de tegenstanders van Paulus op het spoor te komen. Wie zijn het? In welke kring moeten we de tegenstanders zoeken?
2) Een daarmee samenhangend probleem is de vraag hoe Paulus zich tegenover Jacobus en de apostelen in Jeruzalem opgesteld heeft.
Er wordt door exegeten nogal eens beweerd dat, hoewel Paulus zich volgens Lucas met de besluiten vermeld in Handelingen 15 heeft geconformeerd, hij op grond van wat we lezen in Galaten deze besluiten in werkelijkheid afgewezen heeft. In het laatste geval moet hij op voet van oorlog met Jacobus en de apostelen geleefd hebben. Is daar wat naders over te zeggen?
3) Van belang is tevens te weten wat het front tegenover Paulus in Galatië geweest is. Gaat het om christenen uit de Joden? Gaat het om christenen uit de heidenen?
Dat is onder meer daarom van belang, omdat het gaat om vragen rond drie typisch joodse onderwerpen en tevens om zaken die alles te maken hebben met de wet van Mozes, zoals:
- besnijdenis
- kasjroet
- sabbatsonderhouding
Anders gezegd, om vragen als:
- voor wie de besnijdenis verplicht gesteld wordt door de tegenstanders van Paulus;
- aan wie een nauwgezette wetsonderhouding wordt opgelegd;
- wie zich moeten houden aan de joodse feestkalender.
En met welk doel? Tot verkrijging van de zaligheid? Tot levensheiliging uit dankbaarheid?
4) Kernvraag is hoe Paulus zich tegenover de wet opstelt. Laat hij zijn joodse wortels achter zich, zo niet direct dan toch wellicht op termijn?
Hoe ziet hij de relatie tussen Jezus Christus en de wet? Kunnen we spreken van de wet versus Jezus Christus? En als dat zou kunnen, moeten we dan in het vervolg spreken van een wetsvrij evangelie?
Hoe werkt hij dat uit in het midrasj-achtige verhaal uit Galaten 4:21-31, waarin het begrippenpaar slavernij/vrijheid een overheersende rol speelt? Wie is vrij? Wie is slaaf?
5) Galaten is Paulus’ meest Israël-kritische brief. Wie de brief isoleert van de rest van het N.T. komt bijna uit bij Marcion. Heeft de brief wellicht in de loop van de kerkgeschiedenis als een raster over het geheel van het Nieuwe Testament gelegen, waardoor de vraag naar Israël als het volk van God werd weggedrukt en er zo ruimte gemaakt kon worden voor de gedachte dat de kerk in de plaats van Israël gekomen zou zijn?
Inleiding
1) Ik zet in bij punt 5 van ‘enkele aandachtspunten’.
- We moeten de literatuur van het N.T. lezen zoals deze zich aandient. Een brief moet dus als een brief gelezen worden. In een brief ga je in op actuele vragen. De exegese die je pleegt staat in dienst van de beantwoording van deze vragen.
Neem nu Galaten (Romeinen). In deze brief is de inzet de vraag naar de gerechtigheid: De rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder de werken der wet. Wie niet direct meeleest met Paulus, maar uitgaat van een reflectie in systematische zin op de brief, legt automatisch het hoofdaccent op de plaats waar ook Luther het gelegd heeft: - Hij legt het begrip ‘gerechtigheid Gods’ vooral in individualistische zin uit. Hij doet dat vanuit de persoonlijke worsteling naar een antwoord op de vraag ‘hoe krijg ik een genadig God’. Daardoor komt een ander aspect van Gods gerechtigheid in de schaduw te staan nl. de vraag naar de gerechtigheid van God voor Israël als volk. Hij had voor deze vraag wel oog, maar kon hem niet in positieve zin uitwerken vanwege zijn uitgangspunt.
- Daarnaast plaatste Luther de rechtvaardiging van de enkeling onder het beslag van de predestinatie. Gevolg: de nivellering van het onderscheid tussen Israël en de volken.
- Bovendien keek Luther, en hier raken we een belangrijk aspect van de brief aan de Galaten, naar het O.T. als wet en beoordeelde het Jodendom als een wetsreligie. Daarom bleef er voor Israël in onze bedeling slechts een negatieve plaats over, namelijk als spiegel van de aanklagende wet. Als zodanig valt het volk Israël onder het oordeel van God.
- Slechts twee brieven van Paulus hebben als hoofdthema ‘de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken der wet’: Romeinen en Galaten. Nu kan men dat theologisch-systematisch als het ene en beslissende thema voor heel het N.T. gaan hanteren. Doet men dat, dan gaan deze brieven al snel een raster vormen dat over het geheel van het N.T. wordt gelegd.
- Men ziet dan de specifieke spits en de context van de afzonderlijke geschriften over het hoofd.
- Men laat dan tevens het onderscheid dat er bestaat tussen Galaten en Romeinen vervluchtigen. De meeste theologen zijn dan geneigd Romeinen via Galaten te interpreteren.
Dat lijkt me niet verantwoord, want reeds de geadresseerden in de twee brieven verschillen. Het maakt namelijk groot verschil of men zich richt tot een gemeente met gelovigen uit de heidenen die gedwongen worden Jood te worden als voorwaarde tot het verkrijgen van het heil, zoals in Galatië, of dat men zich richt tot een gemeente waar de specifieke plaats van de joodse gelovigen onder druk komt te staan, zoals in Rome.
Kortom: Gebruikt men Galaten als een paradigma voor heel het N.T., dan zou Marcion wel eens gelijk kunnen krijgen. Israël als volk van God wordt dan weggedrukt; voor de wet in positieve zin is dan doorgaans geen plaats meer. Dat geeft voedsel te over om tot de vervangingsleer te besluiten ( de leer van ‘de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken der wet’ is dikwijls gebruikt om de opvatting dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen te verdedigen).
2) We gaan een stap verder. Paulus exegetiseert dus. Zijn exegese staat in dienst van het vraagstuk dat hij op te lossen heeft. Dus ook zijn omgang met het begrip ‘wet’ – in Galaten tamelijk negatief, hoewel hij in andere brieven veel positiever over de wet oordeelt, zo verontschuldigen hem veel exegeten – heeft te maken met, staat in dienst van, het vraagstuk waarvoor hij zich geplaatst weet en hij spreekt zoals hij spreekt mede vanwege de tegenstanders die hij bestrijden wil.
We gaan eerst de relatie tussen Handelingen 15 en Galaten 2 verkennen.
Paulus benadrukt een drietal dingen:
- Zijn rechtstreekse roeping door Jezus Christus (Gal. 1:13-24).
Dat maakt hem onafhankelijk van mensen en overleveringen. Hij hoeft daarom Jood noch heiden te behagen, naar de mond te zien.
De rechtstreekse roeping verklaart zijn kritische houding tegenover Jeruzalem. - Zijn blijvende gemeenschap met de kerk van Jeruzalem.
Hoofdstuk 2 vertelt daarover en staat, ondanks alle puzzels die zich hier voordoen, in relatie tot zijn bezoek waarvan we in Handelingen 15 lezen.
Het komt in Jeruzalem tot een boedelscheiding. Paulus wordt het brengen van het evangelie aan de heidenen toevertrouwd, terwijl de andere apostelen zich in hoofdzaak tot het joodse volk richten.
Dit feit laat zien dat men Paulus in Jeruzalem – lees Jacobus en Petrus en de directe kring daar omheen – vertrouwd heeft.
Dat te stellen heeft grote gevolgen: Paulus moet als wetgetrouw zijn beschouwd, want het is ondenkbaar dat zulke wetgetrouwe joodse christenen Paulus hun vertrouwen geschonken zouden hebben als hij van zijn kant niet loyaal geweest zou zijn aan het Jodendom en de Tora. (Overigens wordt hij op zijn wetgetrouwheid telkens beproefd in het boek Handelingen. Hij wordt daar ook getekend als een Toragetrouwe Jood zowel voor als na zijn bekering).
De blijvende verbondenheid met Jeruzalem loopt als een rode draad door het geheel van Paulus’ geschriften heen.
Slechts in actuele situaties waarop hij moet inspelen, komt deze verbondenheid onder druk te staan. Paulus kan dan echter uitermate kritisch zijn, zoals uit Galaten blijkt. S. Janse (Paulus en Jeruzalem, Zoetermeer 2000) typeert de houding van Paulus t. o. v. Jeruzalem als: kritisch/solidair. - Ieder moet blijven bij de roeping waarmee hij geroepen is.
Deze gedachte treffen we aan in Galaten 3: 26-28; 5:6; 6:15v. (1 Korinthe 7:17-20). Dat doet vermoeden dat Paulus na zijn omkeer trouw is gebleven aan de joodse leefwijze. (De wetgetrouwheid van Paulus wordt met name in het boek Handelingen op tal van plaatsen benadrukt)
De bekering, verwoord in Gal. 1:13-16, betekende voor hem dus niet dat hij het Jodendom de rug toekeerde, maar juist dat waar een bekering op duidt: een besnijdenis van het hart.
Mijns inziens heeft Paulus dan ook de besluiten genomen in Handelingen 15 geaccepteerd en heeft hij in een goede relatie gestaan met Jacobus en Petrus.
Zij waren niet de directe tegenstanders van Paulus en hen heeft hij dus in de brief aan de Galaten niet fundamenteel bestreden, maar slechts op een enkel punt wel bekritiseerd.
Het conflict met Petrus, beschreven in Galaten 2:11-14 getuigt van zijn kritische houding. Het gaat bij dit conflict om de vraag of de toepassing kasjroetwetten in een gemeente bestaande uit Jodenchristenen en heidenchristenen de eenheid van de gemeente in gevaar brengt.
Als Paulus niet Jacobus en Petrus als zijn directe tegenstanders heeft gezien, wie dan wel? Wie waren zijn tegenstanders?
Er wordt een verband gelegd tussen de ‘tegenstanders’en de ‘valse broeders’ (Gal. 2:4) die in Jeruzalem optreden (zie Hand. 15).
De tegenstanders zijn blijkbaar Jodenchristenen die een relatie hadden met Jeruzalem en/of daar vandaan kwamen. Het worden ‘valse broeders’ genoemd in die zin dat het oneigenlijke broeders zijn, broeders die niet in de waarheid van het evangelie staan.
Misschien behoorden ze dan tot ‘de kring van Jacobus’ (Gal. 2:12) of beschouwden zich tot die kring te behoren. Toch bestond er een fundamenteel verschil tussen hen en Jacobus zelf: Zíj predikten de verplichte besnijdenis voor gelovigen uit de heidenen als voorwaarde voor het heil.
3) We komen nu in de buurt van de thematiek van de brief.
Het front waartegen Paulus zich keert doemt op. Het heeft er alles van weg dat de gemeente van Galatië in hoofdzaak heeft bestaan uit gelovigen uit de heidenen.
Zij zijn door de prediking van het evangelie in Jezus Christus gaan geloven. Maar ze hebben zich niet laten besnijden. Ze houden zich ook niet aan de kasjroetwetten. Er is blijkbaar ook geen sprake van observantie van de sabbat en andere feesten.
Deze thema’s komen in de loop van de brief terug:
- besnijdenis in 5:1-2; 6:11-18
- kasjroet in 2:11-14
- sabbatsonderhouding in 4:l0
De tegenstanders zijn derhalve joodse predikers geweest, die aan de niet-joodse gelovigen de wet van Mozes in z’n geheel verplichtend wilden opleggen als voorwaarde voor het heil.
De gehele wet van Mozes, zowel naar z’n ceremoniële als naar z’n ethische aard staat op het spel; men mag niet een scheiding tussen beide onderscheiden delen van de wet teweeg brengen.
De klassieke gereformeerde exegeten doen dit telkens weer. De schaduwen, de ceremoniële wetten, moeten als vervallen worden beschouwd (zie bijv. Greijdanus bij 2:13 in de KV).
Dit is echter een verplaatsing van het probleem waarom het gaat. Betrekt men hetgeen Paulus doet bijvoorbeeld alleen op de tien woorden aan Israël gegeven, dan komt men voor dezelfde vragen te staan – dus: zijn de zedelijke geboden wel voorwaarden tot verkrijging van het heil?
4) We gaan nu naar de kernvraag, nl. de zaak die Paulus wil handhaven tegenover zijn tegenstanders.
In relatie tot Handelingen 15 kunnen we zeggen dat hij in de brief op zijn eigen manier verwoordt wat Jacobus in Handelingen 15:11 zegt: ‘Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wij ze als zij.’ Wij Joden worden behouden op dezelfde wijze als zij, heidenen: nl. door het geloof in Jezus Christus, niet uit werken der wet (Gal. 2:15,16). Wij geboren Joden... vs. 15
Met Peter J.Tomson (Als dit uit de hemel is..., Hilversum 1997) mag met recht gezegd worden dat Paulus hier de wet als heilsweg afwijst, en derhalve relativeert.
Relativeren betekent echter niet afschaffen. Relativeren zou je kunnen omschrijven als: aan de wet zijn eigenlijke functie toewijzen.
Nogmaals, de kern is: Wij allen, Jood en heiden, leven van wat God in Jezus Christus geeft.
Anders gezegd: Krijgen we het heil cadeau òf moeten we er van ons uit toch iets tegenover stellen? Bijvoorbeeld: ons laten besnijden; een prestatie leveren; ons het heil waard maken; aan bepaalde voorwaarden voldoen?
Welnu, tegen de achtergrond van deze vraagstelling heeft Paulus gezegd:
- dat de heidenen in Galatië zich niet hoefden te laten besnijden om in een goede relatie met God te komen
- dat Joden zich wel konden laten besnijden en zich toe konden leggen op het houden van heel de wet van Mozes, maar dat ze daardoor toch niet acceptabel waren voor God. (relativering van de wet)
Tegelijk stelt Paulus al een zeer gewichtige vraag aan de orde in Gal. 2:17: Is het heil in het O. T. voorwaardelijk? – is het verbond van Sinaï dus toch een soort werkverbond? Of bepaalt God ons in het O.T. bij zijn barmhartigheid?
Hij geeft het antwoord in vers 19: ‘want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven’ Dat betekent zoveel als: door het O.T. zoals God het bedoeld heeft besta ik niet meer voor wat ik zelf van het O.T. gemaakt had, nl. een middel om mee naar God toe te werken.
Hier komt de visie van Paulus op het O.T. naar voren.
Anders: Paulus pakt hier een van de lijnen op die in het O.T. terug te vinden zijn.
In het O.T. treffen we twee profetische reacties aan op de zonde van het volk:
- In de lijn van het boek Deuteronomium wordt opgeroepen tot bekering – al moet gezegd worden dat hier ook niet van een werkverbond situatie sprake is. De kracht van de menselijke mogelijkheden is hier nog niet ten volle in het geding gebracht.
- De andere reactie is door de diepte van de ballingschap getekend. Er zal iets kwalitatief anders moeten gebeuren: God Zelf zal zich opnieuw tot zijn volk moeten wenden. Een nieuw verbond is nodig om de beloften die aan de vaderen gedaan zijn waar te maken. Het O.T. kent dus de lijn van de fundamentele genade van Uittocht en Verkiezing die aan alle menselijke gehoorzaamheid voorafgaat.
De hierboven geschetste lijn wordt nu nader uitgewerkt in de hoofdstukken 3 en 4 via de persoon van Abraham.
Daarbij is het goed om nu reeds te zeggen dat Paulus een bepaalde methode toepast. Hij gaat de Tora/wet gebruiken om de Tora/wet te verklaren. Voor Paulus heeft de Tora namelijk twee kanten, de belofte kant en de eisende kant. Dat zijn twee zijden of aspecten van de ene Tora/wet.
De joodse tegenstanders zetten in bij het aspect van de eis der wet, maar dan op een voorwaardelijke manier: je moet je laten besnijden. Doe je dat dan behoor je tot het volk van God en ben je kind van Abraham – en daarna kun je in Jezus geloven. Dus de voorwaarde vooraf, de tegenprestatie stond bij hen centraal.
Paulus pakt het anders aan. Ook hij gebruikt de Tora/wet, maar schuift het belofte karakter van de Tora als principieel aan het eisende karakter ervan voorafgaande naar voren.
Hij doet dat met gebruikmaking van de persoon van Abraham. We lezen dat in Galaten 3 : 6-9. Dat is een prachtige passage. Abraham gelooft wat God hem belooft. God belooft dat in Abraham alle volken gezegend zullen worden: nl. door te geloven.
In vers 10-12 wordt iets van het eisende karakter van de wet aangegeven, althans zoals het voorwaardelijk gehanteerd wordt. Dus: wij richten ons op de belofte in vertrouwen – dat schenkt een vrij geweten. Wij voeren geen eigengerechtigheid aan, hetzij ceremonieel, hetzij ethisch – dat zou ons doen zuchten over de vraag of ik wel genoeg gedaan heb.
We kunnen hier reeds wijzen op het feit dat Paulus in geen enkel opzicht zijn joodse wortels verloochent. Ook niet op termijn. Zijn wijze van omgaan met de Schrift is typisch joods, rabbijns joods. De manier van exegese toont dit duidelijk aan, met name in hoofdstuk 3 en zeker ook later in de midrasj die hij ten beste geeft in hoofdstuk 4.
In Galaten 3 : 15-19 gaat hij nu de twee aspecten van de Tora nader uitwerken. Paulus gaat de geboden in een specifiek kader plaatsen.
- Hij lijst de geboden in, namelijk in het raamwerk van de beloften. Hij bevestigt eerst de beloften aan Abraham gegeven. Deze hebben het karakter van een testament. Ze hebben dus blijvende rechtskracht. Hiermee benadrukt hij het belofte/genade karakter van het verbond. Op rabbijnse wijze speelt hij dan met het begrip ‘zaden/zaad’. Hij zegt hiermee niets anders dan:
- dat de beloften aan Abraham gegeven ook aan Jezus geschonken zijn
- dat de beloften aan Abraham gegeven in Jezus tastbaar en concreet worden.
- Vervolgens zegt hij dat de wet niets verandert en niets toevoegt aan Gods beloften. Anders gezegd: Wij blijven ontvangend leven; de toegevoegde geboden voegen geen werken van onze kant toe; ze dragen niets bij om ons meer acceptabel te maken voor God.
Als Paulus het vervolgens over de eisende functie van de Tora gaat hebben, moeten we bedenken dat hij niet een systematisch bijbels/theologisch betoog opzet. Hij wil dus niet de wet negatief afschilderen alsof deze z’n tijd gehad heeft, hij wil niet het evangelie ontjoodsen.
In de lijn van zijn betoog geeft hij de eisende kant van de wet een bepaalde functie: nl. die van een pedagoog. De geboden zijn onze begeleiders naar de belofte toe. De geboden brengen ons bij Christus, omdat ze ons onze zonden laten zien, vers 22. (Luther gebruikt hier het beeld van water dat op ongebluste kalk gestort wordt. Het brengt de kalk tot koken.)
Wat Paulus in zijn radicaliteit en in zijn op het eerste gezicht negatieve uitspraken over de wet doet, is niet de wet declasseren, maar hij laat zien hoe mensen (en ook Israël, juist Israël, want dat volk heeft de wet) vast kunnen lopen in ongehoorzaamheid en ongeloof.
Zijn betoog scherpt de radicale manier van spreken aan die we ook reeds vinden bij ballingschapprofeten als Ezechiël: ‘Ik red alleen om mijns Naams wil!!’ Genade van het nulpunt noemt S. Janse dit.
De dieptedimensie van de rechtvaardigingsleer (Tomson) wordt hier door Paulus getekend. De wet wijst de mens aan als zondaar, wijst juist ook de Jood, die de wet ontvangen heeft, aan als zondaar.
(Paulus brengt in zijn betoog een joodse opvatting over de wet op Jezus over. De Joden hadden namelijk de wet gepersonifieerd. De aanzet hiertoe wordt gegeven in Spreuken 8:9, wordt door Jezus Sirach op de Wijsheid overgebracht, zo ook Wijsheid van Salomo. De wet is in deze leer preëxistent; door de wet heeft God de wereld geschapen; de wereld is geschapen omwille van de Tora. In Kolossenzen worden deze begrippen op Christus overgebracht, zie Coll. 1:15 en 16).
In hoofdstuk 4 rondt Paulus zijn betoog af aan de hand van een midrasj in de verzen 21-31.
Alles wordt hier op scherp gezet, waardoor de tegenstanders nauwkeurig worden aangewezen naar hun wezen, n.l. als ‘valse broeders’.
De midrasj borduurt verder op het onderscheid dat Paulus reeds gemaakt heeft tussen de wet als belofte en de wet als eis.
In vers 21 nodigt hij degenen die zich laten leiden door de wet (eis), dus onder de wet willen staan, uit om hun oor bij de wet (belofte) te luisteren te leggen.
Dan volgt de midrasj helemaal volgens een rabbijns patroon.
In de midrasj trekt hij twee lijnen;
- Abraham – Sara – Isaak – Moria – het Jeruzalem dat boven is als moeder van alle van wetswerken vrije gelovigen, Joden en heidenen.
- Abraham – Hagar – Ismaël – Sinaï – Arabië – het huidige Jeruzalem als moeder van Joden die leven onder de eisende wet.
Let wel: de crux voor de herinterpretatie ligt in het handelen van God in Jezus Christus. In zijn redenering is het Jeruzalem van Paulus’ tegenstanders een Arabische, dat is een heidense stad geworden. Voor de tegenstanders zal de verbinding van Sinaï met Hagar op verzet gerezen zijn!
Enkele concluderende opmerkingen:
- Galaten is een tendensgeschrift met een duidelijke spits.
- Het heil naar z’n onvoorwaardelijke karakter wordt getekend.
- Daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen Jood en heiden.
- Het belofte-karakter van het O.T. is primair en blijvend en krijgt z’n toespitsing in Jezus de Messias.
- De eisende kant van de wet heeft daarin ook een wezenlijke plek en sluit aan bij de twee zijden in het O.T., nl. Deuteronomium en de ballingschapsprofeten.
- Deze wijze van spreken over de wet doet niets af van andere typeringen van de wet in andere verbanden.
- Er is geen sprake van een vvetsvrij evangelie in algemene zin. De Jood mag bij zijn roeping blijven. De niet-jood mag bij zijn roeping blijven. Deze roeping kan in geen van beide gevallen wetsvrij zijn (geloof/gehoorzaamheid).
- Kasjroetwetten mogen geen belemmering vormen voor de eenheid van de gemeente bestaande uit Joden en heidenen.
- Het blijven bij de roeping waarmee ieder geroepen is bewaart voor assimilatie.
http://www.kerkenisrael.nl/div/studiedag2001inleiding.php
© 2001 Deputaten Kerk en Israël der Chr. Geref. Kerken
voor meer informatie: info@kerkenisrael.nl