Verslag van de studiedag voor predikanten
gehouden op 12 februari 2001 in de Ichthuskerk te Amersfoort
Deelnemers aan deze dag zijn: ds. J.P. Boiten, ds. C.J. v.d. Boogert, ds. A. Brons, ds. M. Oppenhuizen, F.W. v.d. Rhee, K. van Smeden, C. v.d. Spek, ds. M.W. Vrijhof, B. Wallet, ds. A.K. Wallet, en ds. A.C. v.d. Wekken.
De voorzitter ds. J.P. Boiten heet ieder welkom en opent de vergadering. Na het lezen van Psalm 119:49-64 gaat hij voor in gebed.
Hij geeft het woord aan drs. C.J. v.d. Boogert die op deze studiedag het onderwerp zal inleiden, getiteld: wet en genade in het licht van Galaten 4.
De brief van Paulus aan de Galaten is de meest Israëlkritische brief. Wie er een dogmatisch uitgangspunt van maakt loopt het gevaar heel het Nieuwe Testament van daaruit te lezen.
Luther ging uit van de rechtvaardiging door het geloof. Hij vatte dit heel individualistisch op. Daardoor is er dan geen ruimte meer voor de vraag naar de gerechtigheid van Israël als volk. Daarmee hangt samen zijn moeite met Romeinen 11. Hij plaatste de individuele gerechtigheid onder het beslag van de predestinatie. Hij beoordeelde het jodendom als wetsreligie. Voor Israël bleef er een negatieve plaats over: het volk valt onder het oordeel van God.
Slechts twee brieven hebben als hoofdthema de rechtvaardiging door het geloof: Romeinen en Galaten. Deze twee brieven zijn gebruikt als een raster dat over het hele Nieuwe Testament wordt gelegd. Men is vanuit Galaten gaan lezen en heeft zo ook de brief aan de Romeinen beoordeeld.
Maar de verschillende achtergronden van beide brieven moet gehonoreerd worden. Bij de brief aan de Galaten is dat: het jood worden als voorwaarde voor het verkrijgen van het heil. Bij de brief aan de Romeinen: de specifieke plaats van de joodse gelovigen komt onder druk te staan.
Als Paulus het fundamenteel niet eens was met Petrus en Jacobus, was er een schisma ontstaan.
In Galaten l:13-23 benadrukt Paulus zijn directe roeping door Jezus Christus. Dat maakt hem onafhankelijk van mensen en menselijke overlevering: hij hoeft Jood noch heiden te behagen.
Die rechtstreekse roeping verklaart waarom hij kritisch staat tegenover Jeruzalem. Tegelijk is er sprake van blijvende gemeenschap met de kerk van Jeruzalem.
Er bestaat een rechtstreeks verband tussen Handelingen 15 en Galaten 2. In Jeruzalem heeft men Paulus vertrouwd. In het boek Handelingen wordt hij telkens als wetsgetrouw gezien. Er is een blijvende verbondenheid met Jeruzalem. Slechts door actuele situaties komt het onder druk te staan: Gal. 2:11-14. De eenheid die er in de kerk was tussen gelovigen uit joden en die uit de heidenen wil Paulus niet verbreken. Ieder moet echter blijven bij de roeping waarmee hij geroepen is. Ook na zijn bekering is hij trouw gebleven aan de joodse leefwijze; Gal. 1:13-16. De besluiten van Hand. 15 heeft hij geaccepteerd en zo staat Paulus in goede relatie met Jacobus en Petrus.
Het conflict in Gal. 2:11-14 getuigt van een kritische houding, als het gaat over de toepassing van de kasjroet-wetten. Hier zou hij met Jacobus van mening kunnen verschillen. Brengt dit de eenheid in gevaar?
Als Paulus niet Jacobus en Petrus als de tegenstanders heeft gezien, wie dan wel? De tegenstanders zijn jodenchristenen geweest die in relatie stonden met Jeruzalem. Misschien hoorden ze bij de kring van Jacobus. Toch is er met hen een fundamenteel verschil: de tegenstanders preken de verplichte besnijdenis voor gelovigen uit de heidenen als voorwaarde voor het deel hebben aan het heil. Die mening was Jacobus niet toegedaan (Hand. 15). De tegenstanders moeten joodse predikers geweest zijn die de besnijdenis e.d. als voorwaarde voor het heil van de heidenen stelden.
De hele wet van Mozes naar z’n ceremoniële en ethische kant staat op het spel. De klassiek gereformeerde opvatting is: het ceremoniële heeft afgedaan. Dat is echter een verplaatsing van het probleem. Zijn de zedelijke wetten voorwaarde voor het heil? De vraag is: hoe lees je het Oude Testament?
Paulus verwoordt hetzelfde wat Jacobus zegt in Hand. 15: wij joden geloven zalig te worden op dezelfde manier als zij; nl. niet uit de werken der wet, maar door het geloof in Christus, Gal.2; 15. Paulus wijst de wet als heilsweg af, waarmee hij de wet als zodanig niet afschaft. Hij wijst aan de wet haar eigenlijke functie toe. Heidenen hoefden zich niet te laten besnijden. Joden konden het wel doen maar zijn daardoor niet meer acceptabel bij God.
Is het verbond van de Sinaï toch een soort werkverbond? Of bepaalt God ons daar bij Zijn barmhartigheid? In Gal. 2:19 zegt Paulus dat hij niet meer bestaat voor wat hij zelf van het Oude Testament heeft gemaakt: een middel om naar God toe te werken.
In het boek Deuteronomium komt de oproep tot bekering naar voren. Dan kom je voor de vraag te staan: kan een mens de wet volbrengen?
Door de diepte van de ballingschap wordt een andere lijn in het Oude Testament zichtbaar: God Zelf moet Zich tot zijn volk wenden. De fundamentele genade is er al in de verkiezing en uittocht van het volk Israël. Dit gaat aan alle menselijke gehoorzaamheid vooraf. Zo leest Paulus het Oude Testament. Daarmee bestrijdt hij de opvatting waarbij de wet wordt verzelfstandigd.
In hoofdstuk drie en vier werkt hij het nader uit in de persoon van Abraham. Paulus past daar een bepaalde methode toe: hij verklaart tora met tora. Voor Paulus heeft de tora twee kanten: belofte en eis. Bij de tegenstanders staan de voorwaarden en tegenprestaties centraal. In Gal. 3:6-8 schuift Paulus het belofte-karakter naar voren; er komt geen eigengerechtigheid aan te pas. Verloochent hij dan zijn joodse wortels? Neen; zoals Paulus over Abraham schrijft is typisch rabbijns-joods.
In Gal. 3: 15-19 werkt hij twee aspecten van de wet nader uit. Hij plaatst de geboden in het raamwerk van de beloften; ze hebben blijvende rechtskracht.
Met het woord ‘zaden’ werken de rabbijnen associatief. Paulus bedoelt: de beloften aan Abraham gegeven zijn ook aan Jezus geschonken en worden in Jezus concreet. De wet verandert niets en voegt niets toe aan Gods beloften.
Wat betreft de eisende functie van de wet: hij wil het evangelie niet ontjoodsen. De geboden zijn onze begeleiders naar de beloften toe. Vs 22: de geboden brengen bij Christus omdat ze de zonden laten zien.
De profeet Ezechiël verkondigt: Ik red alleen om Mijns Naams wil. Dat is de diepte-dimensie van het genadeleven.
In hoofdstuk 4 rondt hij het betoog af aan de hand van de midrasj. De tegenstanders worden als valse broeders aangewezen. In 4:21vv komt de crux: wat God in Christus heeft gedaan is doorslaggevend. Dan wijkt hij af van de joodse methode. Er zijn dan twee lijnen: De ene lijn: Abraham, Sara, Izak, Moria en het Jeruzalem dat boven is: de wetswerkenvrije gelovigen. De andere lijn: Abraham, Hagar, Ismaël, Sinaï, Arabië en het huidige Jeruzalem: het leven onder de eisende wet.
Het Jeruzalem van Paulus’ tegenstanders is een Arabische, heidense stad geworden. Bij de profeten zien we de verbinding tussen Sion en Sinaï. Paulus legt een verbinding tussen Hagar en Sinaï. Buiten Christus om is Jeruzalem een heidense stad.
Ds. v.d. Boogert sluit af met een aantal concluderende opmerkingen:
- De brief aan de Galaten is een tendens-geschrift met een duidelijke spits.
- Paulus tekent het heil naar z’n onvoorwaardelijk karakter.
- Daarin maakt hij geen onderscheid tussen joden en heidenen.
- Het beloftekarakter van het Oude Testament is primair en blijvend en krijgt een toespitsing in de Messias.
- De eisende kant van de wet heeft een wezenlijke plaats en sluit aan bij de twee lijnen van bekering en de noodzaak van een radicaal nieuw verbond.
- Deze wijze van spreken over de wet doet niets af van andere typeringen van de wet in andere verbanden.
- Er is geen sprake van een wetsvrij evangelie in algemene zin; bij geloof hoort gehoorzaamheid.
- Kasjroet-wetten mogen geen belemmering vormen voor de eenheid van de gemeente.
- Ieder moet blijven bij de roeping waarmee hij geroepen is; dit bewaart voor assimilatie en geeft wel mogelijkheden voor een goed samenwerkingsverband.
Na deze inleiding wordt er op een goede en opbouwende wijze met elkaar van gedachten gewisseld over vele zaken die met dit onderwerp samenhangen. Deze gesprekken verlopen zo goed dat we zelfs tijdens de maaltijd blijven doorpraten.
Omstreeks 14.00 uur wordt de bijeenkomst afgesloten.
De voorzitter zegt de inleider hartelijk dank voor wat hij heeft geboden en de aanwezigen wordt dank gezegd voor hun aandacht en inbreng. Met dankgebed wordt deze bijeenkomst besloten.
http://www.kerkenisrael.nl/div/studiedag2001verslag.php
© 2001 Deputaten Kerk en Israël der Chr. Geref. Kerken
voor meer informatie: info@kerkenisrael.nl