Joodse datum

19 adar 5779

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


In de eerste plaats voor Israël...

door
dr. G.C. den Hertog


kopjes:


in
Vrede over Israël, jg.41 nr.1

In de eerste plaats voor Israël....

Bijbelstudie over Handelingen 3:25-26

De zegen van Abraham

Als we het slot van Petrus’ toespraak in Handelingen 3:12-26 op ons in laten werken, valt op dat hij de ‘mannen van Israël’ (vers 12) aanspreekt als ‘zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft’.


Die aanspreektitel heeft Petrus niet zelf bedacht, maar die was min of meer gebruikelijk in Israël. Er komt in tot uitdrukking wat Israël onderscheidt van de andere volken. In feite wordt heel de geschiedenis van het Oude Testament in die woorden samengevat. Het is de geschiedenis, die in gang gezet is door Gods woord tot Abraham: ‘Met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.’ (Genesis 12:3)


Aan dat woord denkt Petrus hier ook. Alleen haalt hij hier niet de woorden aan, zoals die klonken bij Abrams roeping, maar citeert hij de bevestiging van deze belofte, zoals de HERE dat gedaan had na Abrahams beproeving (Genesis 22:18). Daar voegt de HERE er aan toe: ‘omdat gij naar mijn stem gehoord hebt...’

Kiest Petrus voor deze bevestiging van Abrahams roeping om daarmee aan te geven, dat roeping ook vraagt om het antwoord van het horen naar Gods stem?


Ten opzichte van de Griekse vertaling van het Oude Testament bevat vers 25 ook nog een - op het oog onopvallende en onbelangrijke - wijziging. Waar in Genesis 22 gesproken wordt van ‘volken der aarde’ staat in Handelingen 3:25: ‘stammen der aarde’. Waarom vermijdt Petrus hier te spreken van ‘de volken’?

Eigenlijk kan daarvoor maar één verklaring zijn. Het gaat hem er hier om duidelijk te laten uitkomen, dat de zegen die van Christus, het ‘zaad van Abraham’, uitgaat, niet voor de heidenen bestemd is onder voorbijgaan van Israël! Israël is niet buiten de lichtkring van Gods beloften komen te staan, zoals die in de komst en het werk van Christus vervuld zijn. Israël moet zich geenszins buitengesloten voelen! Anderzijds moet het evenmin menen een eigen relatie met God te hebben buiten Christus om...

Jezus, de Knecht

Dan volgen de woorden: ‘God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.’

Petrus noemt de naam van Jezus hier niet, maar het is duidelijk Wie hij met de Knecht op het oog heeft. In heel het Nieuwe Testament wordt het vierde lied van ‘lijdende Knecht des HEREN’ (Jesaja 52:13-53:12) op Christus betrokken; men heeft in het lijden van de man van smarten zijn weg herkend.


Nu kan men vandaag vaak de gedachte horen verdedigen, dat het in Jesaja 53 helemaal niet over de Messias zou gaan. Dat zou een aan het Oude Testament en aan Israël vreemde gedachte zijn.

Vondsten in Qumran en ook enigszins vrije, van commentaar voorziene vertalingen van Jesaja 53 uit de tijd van het Nieuwe Testament laten echter zien, dat men dit hoofdstuk wel degelijk op de Messias betrok.

In Qumran is de volgende - parafraserende - vertaling van Jes. 52:14 aangetroffen: ‘Zoals velen zich over u ontzet hebben, zalfde Ik zijn aangezicht meer dan dat van enig ander mens...’ Opvallend is dat men het woord ‘zalven’ heeft ingevoegd, dat precies omschrijft wat een Messias maakt tot wat hij is: gezalfde.

Men is het er wel over eens, dat juist het beroep dat christenen op Jesaja 53 gedaan hebben ertoe geleid heeft, dat de synagoge afstand heeft genomen van een messiaans verstaan van dit hoofdstuk.

Hoe dan ook - Petrus, en in navolging van hem de oudste christenheid, vereenzelvigen Jezus met de Knecht van Jesaja 53, die zijn leven geeft als schuldoffer en zo de ongerechtigheden van anderen draagt. Die boodschap mag nu verkondigd worden - in de eerste plaats aan Israël.


Waarom zou Israël die boodschap niet met beide handen aangrijpen?

Nu, we moeten bedenken, dat de woorden van Petrus niet bepaald vleiend voor hen waren. Ieder van hen moest worden afgebracht van zijn boosheden. Dat loog er niet om!

En wat is het probleem? Nu, dat in de boodschap van Petrus doorklinkt dat Israël als knecht van God heeft gefaald. De Messias zal bijvoorbeeld niet komen - ligt in de woorden van Petrus opgesloten - als bekroning van een Israël dat eenmaal de sabbat gehouden heeft. Het is een misvatting te menen, dat we als mensen in en door onze daden recht voor God kunnen staan en zo de weg banen voor de komst van de Messias.

Maar het Evangelie is daarom nu juist, dat Jezus Christus komt ‘om zijn volk te redden van hun zonden’ (Matth. 1:21). En het geslachtsregister, waarmee Mattheüs zijn Evangelie opent, bevat niet slechts vrome, wetsgetrouwe Joden, maar juist en met nadruk ook zondaars.


Welnu, God heeft Jezus ‘doen opstaan’, dat wil zeggen: uit de doden, en Hem tot Israël gezonden.

Houdt dat laatste niet in, dat Christus door de Vader na zijn opstanding weer tot Israël is gezonden? Inderdaad - als we de Evangeliën lezen, staat er nergens, dat een niet-jood de Opgestane ontmoet. De soldaten vluchten weg. Aan Pilatus verschijnt Jezus niet. Wel aan de twaalf apostelen, die allen uit Israël zijn. Na zijn opstanding legt Jezus Zelf aan Kleopas en zijn kameraad uit dat de Schriften van het Oude Testament van Hem getuigen. De Messias ‘moest’ lijden. Alleen zó kon er sprake zijn van verzoening, die niets anders is als leven uit de doden.


In Handelingen 4:1 lezen we de reactie van de priesters, en dan met name van de partij van de Sadduceeën. Zij zijn ‘zeer verontwaardigd’, dat de apostelen Petrus en Johannes in Jezus de opstanding der doden verkondigen. Maar vers 5 vertelt dat ‘velen van hen, die het woord gehoord hadden, gelovig werden’, en wel ongeveer vijfduizend mensen. Daaruit blijkt niet alleen dat de boodschap van Jezus in de eerste plaats voor Israël is, maar ook dat zij in de eerste plaats gehoor vindt in Israël!



Vragen

  1. Hoe zou het komen, dat velen in de kerk zijn gaan denken, dat de HERE Israël verworpen heeft?
  2. Als we de verontwaardiging van de Sadduceeën in Handelingen 4:1 lezen, is er dan reden om aan te nemen dat Parizeeën anders gereageerd zouden hebben?
  3. Hoe zouden we vandaag met Israël over de Schriften kunnen spreken? Waar zouden we mee kunnen en moeten beginnen?