Joodse datum

19 nisan 5779
pesach

Parasja van de week

27 april

PESACH

ֹBijbeltekst

Giften

U kunt ons op verschillende manieren financieel steunen.


Wij hebben een ANBI-status, waar­door giften fiscaal aftrek­baar zijn.

Info over het artikel


Wanneer komt Israëls herstel?

door
ds. H.D. Rietveld


kopje:


in
Vrede over Israël, jg.41 nr.1

Wanneer komt Israëls herstel?

Bijbelstudie over Handelingen 1:6-8


Op de vraag van de discipelen aan de Heere Jezus: Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het koninkrijk wederoprichten? is door Bijbelverklaarders wel kritiek geweest. Zelfs een nuchter en degelijk exegeet als Calvijn meent dat in deze vraag evenveel woorden als dwalingen zitten.


Toch was het een zeer te begrijpen vraag. Immers Jezus had juist de afgelopen veertig dagen na Zijn opstanding Zich met vele gewisse kentekenen aan de discipelen laten zien en met hen gesproken over de dingen betreffende het Koninkrijk Gods! (Zie vs.3). Hij had ze dus Zelf op het Koninkrijk gewezen, maar ook al vóór Zijn lijden en sterven. In de tweede plaats hadden de discipelen goed begrepen dat dit Koninkrijk er alleen zou zijn in en door Jezus. Nu Hij zelfs door de dood in Zijn macht niet kon worden tegengehouden, mochten zij grote dingen van Hem verwachten ten aanzien van Israël.


Het is opvallend dat Jezus in vs. 5 over Johannes de Doper spreekt; de man die ook van Godswege de opdracht had gekregen om de komst van het Koninkrijk aan te kondigen. Die doopte met water, maar de discipelen zullen met de Heilige Geest worden gedoopt, belooft Jezus. Dat was dus een meerdere, hogere zaak! De discipelen voelen terecht aan dat er bijzondere dingen staan te gebeuren en brengen dat in verband met Israël.


Het woord ‘wederoprichten, herstellen’ dat ze gebruiken, vinden we in de Griekse vertaling van de profeten terug in Jer. 16:15, Hos. 11:11 en Mal. 4:6, waar het gaat om het terugbrengen van de Joden in het land en om wat de wederkerende Elia zal doen. Het betekent: in de goede toestand brengen.


In het eerste boek van Lukas komt de vraag naar het aanbreken van het Koninkrijk meermalen aan de orde. In 17:20 vragen Farizeeën ernaar; in 19:11 menen de mensen dat het Koninkrijk terstond zal openbaar worden. En in 21:5 vragen de discipelen n.a.v. wat er met de tempel zal gebeuren: Meester, wanneer zullen deze dingen zijn? De moordenaar aan het kruis vraagt Jezus hem te gedenken wanneer Hij in Zijn koninkrijk zal gekomen zijn (23:42). De teleurgestelde Emmaüsgangers dachten dat Jezus het was, Die Israël verlossen zou. Dat de discipelen dus door Hem op grote dingen voor Israël wachtten, was hen niet kwalijk te nemen. De Heere Jezus wijst ze op dit punt dan ook niet terecht.


Waarin de Heere ze wél corrigeert is de tijdscategorie waarin ze denken: Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. In dat opzicht maken Zijn leerlingen eenzelfde fout als Johannes de Doper die ook meende dat het Koninkrijk direct zou aanbreken (Luk.7:19v).

Hoewel de woorden ‘tijden’ en ‘gelegenheden’ in het Grieks onderling weinig verschillen kan men wel het onderscheid maken in korte en langere perioden, oftewel ‘tijdstippen’ en ‘tijdperken’. Het zijn in elk geval gebeurtenissen in de tijd zoals God die in Zijn raad besloten heeft. En die wij mensen niet kunnen weten.

Dat had Jezus al eens eerder gezegd: Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader (Matt.24:36, Mark. 13:32). Dat sprak Hij in Zijn vernedering. Maar nu Hij letterlijk verhoogd zal worden en Hij laatste woorden tot Zijn discipelen spreekt wijst Hij er opnieuw op. Dat is echter in de loop der tijden door de kerk vaak vergeten, met alle misrekeningen en teleurstellingen van dien...

In plaats van berekenen zullen de discipelen moeten getuigen. Niet in eigen kracht, maar door de kracht van de Heilige Geest. Die zal nodig zijn om tegen alle weerstand in betrouwbare getuigen te zijn.


Jezus geeft aan dat dit getuigenis vanuit de hoofdstad van Israël zal beginnen en dan in steeds wijdere kringen zal worden voortgezet. Dat wordt in de eerste zeven hoofdstukken van Handelingen beschreven. De Koning van Israël begint in de stad waar Israël vanouds Zijn God ontmoette in de eredienst en waar Zijn wet werd uitgelegd, maar waar men Jezus niet als Koning wilde. De omringende streek Judea had dezelfde ongeloofshouding gehad. Dan zal Samaria aan de beurt komen (Hand. 8), de streek waar het Mozaïsche geloof met heidense elementen was vermengd. En vervolgens zal het getuigenis gaan tot aan het uiterste der aarde, waar het volledige heidendom heerst. Het boek Handelingen eindigt dan ook in Rome, de hoofdstad van de toenmaals bekende wereld, vanwaaruit het Evangelie weer een verdere uitstraling zou krijgen.

Het koninkrijk Gods en zijn Messias is dus van veel ruimere betekenis dan alleen voor Israël. Dat is in het Oude Testament al een gegeven. Aan Abraham beloofde God: In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden (Gen. 12:3). Ook volgens bijv. Jes. 42:6 en 49:6 zal de Messias een licht der heidenen zijn. Zoals de Heere Jezus ook al had gesproken over schapen die niet van de stal van Israël zijn, maar die Hij ook zou toebrengen (Joh. 10:16). De wijze waarop dit in de loop van de tijd zou gebeuren, het hoe en het wanneer, was en is ondanks alle menselijke bedenkselen daarover, een goddelijk geheimenis.


Eigenlijk was de hemelvaart van Jezus het feitelijke antwoord op de vraag van de discipelen. Hij aanvaardde het Koningschap over Israël op Zijn wijze; geheel anders dan Zijn discipelen ooit zelf hadden gedacht. Als Koning van Israël regeert Hij vanaf de hemeltroon over hemel en aarde. Nu nog onzichtbaar. Alleen wie Zijn Geest hebben ontvangen, zien Hem nu al met eer en heerlijkheid gekroond.


De opdracht tot getuigen werd aanvankelijk aan Joodse apostelen gegeven en aan hen die door hun woord in Jezus geloofden. Dat bleken na verloop van tijd ook heidenen te zijn (Hand. 8 - Samaritanen; Hand. 11 - Grieken te Antiochië). Die kwamen zelfs in de meerderheid, zodat de hoop op herstel van het Koninkrijk specifiek voor Israël vervluchtigde.

Het is opvallend dat slechts een minderheid in de wereldkerk deze hoop levend heeft gehouden. Nog vóór er sprake was van de oprichting van de staat Israël hebben sommige christenen aan de terugkeer van de Joden naar het beloofde land gedacht. Sinds 1948 zijn we er getuige van, maar we hebben het woord van Jezus te eerbiedigen dat de Vader de tijdstippen en tijdperken aan Zich gehouden heeft. Als kerk hebben we praktische liefde jegens Israël te betonen met de bede: Uw Koninkrijk kome!



Vragen

  1. Wat vindt u van de stelling: we moeten niet berekenen wanneer, maar wel ermee rekenen dat God Zijn beloften voor het Joodse volk zal waarmaken?
  2. Miskotte antwoordde op de Joodse vraag naar de verlossing, die volgens hen nog niet zichtbaar is geworden met de komst van Jezus Christus: ‘De verzoening is geschied; daarom leven we in de verwachting van de definitieve verlossing’. Wat vindt u daarvan?
  3. Hoe kan onze liefde voor ‘de beminden om der vaderen wil’ praktisch gestalte krijgen?