pijl omhoog

Pesach, het begin van de Grote Feesten

Schriftstudie n.a.v. Deuteronomium 16:1

Neem de maand Abib in acht
en viert het Pascha ter ere van de HERE, uw God,
want in de maand Abib heeft de HERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.

Inleiding

De instelling van Pèsach1 vinden we op verschillende plaatsen in de bijbel, Ex. 12:1-28; Lev. 23:4-8; Deut. 16:1-8. Met Sjavoeot (Wekenfeest) en Soekot (Loofhuttenfeest) hoort het tot de drie grote feesten in Israël. Behalve in bovengenoemde schriftgedeelten vinden we in talloze andere gedeelten van de bijbel verwijzingen naar Pesach. Misschien moeten we wel zeggen dat de hele bijbel een pesach-document is. Het gaat immers van a tot z over de HERE, de God van Israël, die bevrijdt. Dat is ook het thema van dit specifieke feest.

In deze schriftstudie concentreren we ons vooral op Deuteronomium 16:1.

Niet de eerste en toch wel de eerste

We komen de naam van een maand tegen, Abib. Letterlijk betekent die naam ‘aren’. Na de ballingschap kreeg de maand de naam Nisan. Ze valt in onze kalender in maart/april.


De naam Abib doet vermoeden dat het feest iets te maken heeft met de oogst. Te denken valt hierbij aan de gersteoogst. De gerst werd gezaaid na de vroege regen (oktober) en was in het voorjaar als eerste van de wintergranen rijp.

De relatie met de oogst zou ook hieruit kunnen blijken dat naast het offeren van dieren in de ‘avondschemering’ ( Ex. 12:6) er ook ongezuurde, platte broden moeten worden gegeten, zeven dagen lang. Dat is het zogenaamde ‘feest der ongezuurde broden’, Matsot. Wat wij het oudtestamentische paasfeest noemen is eigenlijk een combinatie van Pesach en Matsot. De gerst werd geoogst en van de pas geoogste aren werden in allerijl koeken gebakken, zonder zuur deeg, want zuur deeg werkte als gist en liet het deeg rijzen tot bolle broden.


In de bijbel wordt dat feest ook betrokken op de uittocht uit Egypte, al blijft het verband houden met het jaargetijde waarin de gerst geoogst wordt. De broden worden ‘brood der verdrukking’ genoemd, als een herinnering aan de ellende in Egypte. Dat het deeg niet mocht rijzen wordt verklaard uit de haast waarmee de Israëlieten uit Egypte moesten vertrekken. Tegelijk geeft het aan dat bevrijding vernieuwing betekent. Er mocht nergens meer zuurdeeg worden aangetroffen, als een teken van reinheid. Het oude leven heeft afgedaan.


In Ex. 12:1 staat het voorschrift dat de maand waarin Pesach wordt gevierd, de eerste maand zal zijn. Dat veronderstelt dat dit niet altijd het geval is geweest. In de maand Tisri, de zevende maand gerekend vanaf Abib, valt o.a. het joodse nieuwjaar. Burgerlijk gezien is Tisri dus de eerste maand van het jaar, maar in religieus opzicht is dat de maand Abib, alleen al omdat dit zo voorgeschreven is.

Ook inhoudelijk staat deze maand aan het hoofd van alle maanden. Want in deze maand heeft de uittocht uit het slavenhuis Egypte plaatsgevonden. En in het hele leven gaat het erom dat de gegeven bevrijding gestalte krijgt. Die bevrijding wordt telkens weer bedreigd. Het is dan ook goed om telkens weer naar de oorsprong terug te keren en je door die oorsprong te laten gezeggen. Daarom: Abib, de maand van Pesach als het begin, het hoofd van de maanden.

Pesach en sjabbat

Voor het ‘onderhouden’ van de sabbatdag, Deut. 5:12, en het ‘in acht nemen’ van de maand Abib, Deut. 16:1, staat in het Hebreeuws hetzelfde werkwoord. In Deuteronomium wordt het sabbatsgebod gemotiveerd vanuit de bevrijding uit Egypte, Deut. 5:15, en niet, zoals in Exodus, vanuit de schepping. Zo is er een opvallende verbinding tussen Pesach en sjabbat, zowel in terminologie als inhoudelijk.

Ook het slot van het voorschrift aangaande Pesach in Deuteronomium 16:8 laat verband zien met sjabbat. Op de zevende dag van Matsot zal er een feestelijke samenkomst zijn, ter ere van de HERE. Voor die dag luidt het gebod, net als bij de sjabbat: ‘dan zult gij geen werk doen.’

In het licht van Deutoronomium is elke sabbat een herinnering aan de uittocht uit Egypte. Die herinnering, of liever gedachtenis, wordt nog eens extra levend gehouden door de jaarlijkse viering van Pesach in de maand Abib.

Het doel van de pesachviering en van sjabbat is volgens Deuteronomium eveneens hetzelfde. In Deut. 16:1 staat dat Pesach gehouden moet worden ‘voor’ of ‘ter ere van de HERE, uw God.’ Hij heeft Israël immers in de maand Abib uit Egypte geleid. Dat ‘voor’ of ‘ter ere van’ heeft een bepaalde functie. Zeker, God wordt geëerd om zijn daden van bevrijding. Het gaat om de glorie Gods. Maar daarnaast heeft het feest, net als alle andere gedenkdagen, ook een appellerende functie. Het begin van de tien geboden trekt als het ware door alles heen: ‘Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.’ De feesten worden gevierd om de daden van de HERE te gedenken en om daardoor de HERE zelf niet te vergeten en andere goden niet in het leven toe te laten. Uiteindelijk staat elke dag in het teken van de uittocht, Deut. 16:3. Sjabbat en Pesach willen behulpzaam zijn om de HERE en zijn bevrijdingsdaden niet te vergeten.

Uit nacht en ontij komen wij 2

De bevrijding uit Egypte vond in de nacht plaats. Dat is meer dan een tijdsaanduiding, zoals ook Egypte meer is geworden dan een land dat aan te wijzen is op de wereldkaart. Egypte is een etiket voor onderdrukking, slavernij, ellende zonder meer. Zo is ook ‘nacht’ het verzamelwoord geworden voor angst, chaos, dood en verderf.

Het is dan ook van groot gewicht dat de HERE zijn volk ‘in de nacht’ uit Egypte bevrijdde. Egypte en nacht blijken voor de HERE geen onoverkomelijke grootheden te zijn. Hij liet zijn kracht merken aan het machtige Egypte in nacht en ontij. En ziedaar: Hij leidde zijn volk uit nacht en ontij, de vrijheid tegemoet. In die bewuste nacht van toen kreeg Egypte zelf te ervaren wat dood en verderf is, toen de HERE de eerstgeborenen van Egypte sloeg. Maar Israël werd in die nacht uit Egypte geleid.

Sjabbat en Pesach, zondag en Pasen

Uit het voorgaande blijkt enige verwantschap tussen sjabbat en Pesach enerzijds en zondag en Pasen anderzijds. Niet dat het laatste paar het eerste vervangt, maar er zijn elementen die op elkaar lijken. De sabbat wordt in Deuteronomium gemotiveerd vanuit de bevrijding uit Egypte. Elke week is er een dag om die bevrijding te vieren. Met Pesach wordt die gebeurtenis jaarlijks nog eens extra en indrukwekkend onder de aandacht gebracht.

Zo is ook de viering van de zondag een getuigenis van de uittocht van Jezus uit de macht van de dood op de eerste dag van de week. Met Pasen wordt deze gebeurtenis jaarlijks extra en indrukwekkend onder de aandacht gebracht.

Zoals de nacht van Egypte Israël uit zijn greep moest loslaten door de kracht van de HERE krachtdadig, zo is de macht van de zonde gebroken en moest de nacht van dood en graf zich gewonnen geven aan het licht van Christus’ opstanding.

Dat vraagt om een bevrijd dagelijks leven in geloof, betrokken op Hem die ons bevrijd heeft. Zoals de apostel Paulus het zegt: ‘Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. Laten wij derhalve feest vieren, niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.’ (1 Kor. 5:7,8)

Deze zinnen laten veel overeenkomst zien met het joodse paasfeest. Het cruciale verschil zit hem in ‘ons paaslam’. Zo zijn we met Pesach als het begin van de grote feesten meteen beland bij de kern van het gesprek tussen Kerk en Israël. Ons paaslam, Christus, is voor joden veelal nog een struikelblok, terwijl het ons juist in verbinding brengt met de God van Pesach die zich als Verlosser heeft geopenbaard. We moeten de spanning die dat oplevert maar niet uit de weg gaan, maar het gesprek blijven zoeken.



  1. Ons woord Pasen komt van pascha dat in het NT een weergave is van een ongeveer zo klinkend Aramees woord. Het Hebreeuwse pèsach wordt in verband gebracht met het werkwoord pasach dat alleen in Ex. 12:13,23,27 ‘voorbijgaan’ betekent. Een andere betekenis is ‘hinken, hinkstap dansen’, 1 Kon. 18:21,26.
  2. Titel van een lied van Willem Barnard voor zondag septuagesima, de 9de zondag voor Pasen.

ds. Jan Groenleer
Vrede over Israël jrg. 49 nr. 2 (mrt 2005)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel