Rapportage aan de generale synode van de Chr. Geref. Kerken 2001


De naam van ons deputaatschap


1. Historie

In 1875, toen de Vereniging nog moest plaatsvinden, luidde de naam van het deputaatschap ‘Zending onder Israël’. Na de Vereniging in 1892 tellen de Chr. Geref. Kerken aanvankelijk slechts een handvol gemeenten. Dat aantal neemt wel spoedig toe, maar voor landelijk kerkelijk werk met betrekking tot Israël is er nog geen gelegenheid. Pas in 1931 komt er weer een deputaatschap dat zich met Israël bezig houdt. Het krijgt de naam: ‘Zending onder de Joden’.


Op de Generale Synode van 1953 wordt door deputaten een naamswijziging voorgesteld. De naam zou moeten gaan luiden: ‘Contact met Israël’. De GS stemt in met een naamswijziging, maar kiest voor de naam ‘Evangelieverkondiging onder Israël’. Lange tijd blijft het dan naar buiten toe stil rondom de naam van het deputaatschap.


Intern komt de naam wel telkens ter sprake, omdat men met de nieuwe naam niet gelukkig is. In 1986 wordt in het deputatenrapport aan de GS melding gemaakt van een gesprek met het OJEC, waarin ook de naam van het deputaatschap onderwerp van gesprek is geweest. Met name van joodse zijde is gevraagd de naam van het deputaatschap te wijzigen. Deputaten melden de GS van 1989 dat zij zich op de naam zullen bezinnen. In het rapport voor de GS van 1992 vinden we een bezinningsstuk, waarvoor ter synode waardering bestaat. Maar het voorstel om de naam te wijzigen wordt door de synode niet overgenomen. Wel is toen vanuit de synodale vergadering een suggestie gedaan, waarover de synode verder geen uitspraak heeft gedaan, namelijk: de naam te wijzigen in ‘Deputaten voor ontmoeting, getuigenis en dienst.’


Als deputaten in hun rapport van 1995 melden dat zij het voornemen hebben zich toch nog eens op de naam te bezinnen wordt dit door de synodale commissie afgekeurd in het licht van de bespreking in 1992. In het rapport van 1998 wordt opnieuw gemeld dat in een gesprek met het OJEC, met name van de kant van de joodse partners in het overleg, gebleken is dat de naam van ons deputaatschap op bezwaren blijft stuiten. Daarop vraagt de synodale commissie aan deputaten wat zij zelf willen met betrekking tot de naam. In het commissie-rapport wordt er verder niets over vermeld. Wel in de bespreking ter synode, zoals blijkt uit art. 196 van de Acta. Een besluit over de naam wordt niet genomen.

2. Analyse van het historische verloop

Het is een opvallende zaak dat deputaten, die van de kerken de opdracht krijgen zich bezig te houden met de relatie Kerk - Israël, voor hun herhaalde verzoek om de naam van het deputaatschap te wijzigen bij de synode geen gehoor vinden. Dit gebeurde heel concreet in 1953 en in 1992. Men kan zich afvragen wat daarvan de oorzaak is.


Speelt hierbij wellicht het feit een rol dat het in de kerken ontbreekt aan contacten met Joden, waardoor er enig begrip zou kunnen ontstaan voor het joodse verwijt van superioriteitsgedrag bij de kerken uitkomend in de naam ‘Evangelieverkondiging onder Israël’? Het is ons als deputaten in onze contacten met Joden steeds gebleken dat Joden deze naam opvatten als een bedreiging. Kan het ontbreken van oog-in-oog ontmoetingen met Joden er niet toe geleid hebben dat deze vrees aan joodse zijde geen gehoor vindt? In dat licht staan we voor de vraag: gaan we als kerken niet te zeer uit van de eigen - goed bedoelde - overtuiging een naam te handhaven die voor ons aangeeft dat wij aan Israël de blijde boodschap van het heil in Jezus Christus willen brengen, terwijl Israël zelf de naam ervaart als een trotse houding van de kerk die aan Israël zal zeggen hoe zij Israëls God moet dienen.


Wellicht kan er ook weerstand tegen de verandering van de naam zijn vanuit de vrees dat met een verandering van de naam te kort wordt gedaan aan de unieke betekenis van Jezus Christus als Redder van Israël en de volken. Deputaten zijn van mening dat het contact met Israël vraagt om grote zorgvuldigheid. Niet alleen vanwege het problematische verleden van de kerk ten opzichte van de Joden, maar ook vanwege het feit dat de kerk uit de volken als takken van de wilde olijf geënt is op de edele olijf. Deze voorzichtigheid hoeft niets af te doen aan de beslistheid en de blijmoedigheid, waarmee de naam van Jezus in het contact met Israël wordt genoemd.

3. Waarom we opnieuw de verandering van de naam aan de orde stellen

We moeten vaststellen dat in de loop van de tijd bijna alle argumenten in de discussie een rol hebben gespeeld. We zetten er een aantal op een rij:

  • de naam ‘Evangelieverkondiging onder Israël’ is nooit onderbouwd; het was in 1953 een vergelegenheidsoplossing;
  • de naam dekt niet de totaliteit van het werk dat deputaten doen;
  • de naam heeft niet de notie in zich van tweerichtingsverkeer;
  • de naam suggereert superioriteit van de kerk boven Israël;
  • de naam roept bij Joden misverstand op;
  • de weerstand tegen de naam mag niet verward worden met de ergernis ten aanzien van het evangelie van het kruis;
  • door deze naam blokkeren we het contact met Israël dat wij nu juist zoeken;
  • in de praktijk van het werk in Israël is de naam onwerkbaar, omdat ze én te lang én niet adequaat te vertalen is.


Dat we toch de kwestie van de naam aan de orde stellen heeft te maken met de diepste intentie van ons werk. Wanneer we als kerken het contact met Israël zoeken, zoeken we contact met het volk waaraan het verbond niet is opgezegd, ook al heeft een deel zich verhard. In het contact willen we luisteren naar Israëls verstaan van de Schriften, naar Israëls pijnlijke ervaringen met de kerk in verleden en heden, en naar Israëls inzicht in de daden Gods. Tegelijk willen we in het contact getuigen van de ene Naam die onder de hemel tot zaligheid gegeven is aan Jood en heiden. Wij zien uit naar het ogenblik dat Israël in Jezus de Messias zal herkennen en erkennen. Als deputaatschap begrijpen wij de aarzelingen, die telkens weer ter synode zijn opgekomen. Maar het is onze overtuiging dat wanneer de naam van ons deputaatschap het contact met Israël in de weg staat een verandering van naam noodzakelijk is.

4. Deputaten Kerk en Israël

In de loop der tijd zijn verschillende suggesties voor een nieuwe naam gedaan. Het voorstel dat in 1992 ter synode is gedaan om de naam te wijzigen in ‘deputaten voor ontmoeting, getuigenis en dienst’ geeft wel de breedheid van onze taak aan, maar is in de praktijk niet hanteerbaar. Een naam moet kort en bondig zijn. Vele deputaatschappen in onze kerken hebben ook korte en bondige namen. Er zijn twee goede namen, die duidelijk het werkveld van ons deputaatschap aangeven: ‘deputaten Kerk en Israël’ en ‘deputaten voor Contact met Israël’. Het is ons voorstel om de naam van ons deputaatschap te wijzigen in ‘deputaten Kerk en Israël’.