omhoog

Het is met ons gedaan

(Ezech. 37:11d)


Hoe vaak moeten deze woorden zijn opgekomen in de hoofden en de harten van hen die van Israël zijn. Woorden die leefden in de hoofden en harten van de Israëlieten ten tijde van de babylonische ballingschap, maar woorden die nadien veel vaker opgekomen moeten zijn.

Want veel vaker is het voorgekomen dat Israël maar niet alleen aan de rand van de afgrond was, maar er overheen hing. Veel vaker is het voorgekomen dat Israëls bestaan aan een zijden draad hing. Wie zich eniger­mate verdiept in de geschiedenis van Israël ontdekt dat het een geschiedenis is die vol is met holocausten.

En het dieptepunt van dat alles was wel wat in deze eeuw gebeurde onder het regime van de Nazi’s. Er is meer dan eens aanleiding geweest om dat te denken: het is met ons gedaan, het einde van ons voortbestaan staat voor de deur.


Ten tijde van de ballingschap heeft Israël het uitgesproken: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. En menselijkerwijs gesproken was er alle reden toe om dat te denken. Het beloofde land van melk en honing was gestroopt door de vijandelijke troepen, stad en tempel lagen in puin en een groot deel van het volk was weggevoerd in balling­schap. Van Israël was vrijwel niets meer over.

Maar dan roept God een profeet. En die profeet moet eerst goed zien wat er eigenlijk aan de hand is, hoe ernstig de situatie eigenlijk is. En die is ernstig: Israël is niet meer dan een dal vol dorre doodsbeenderen. Kunnen deze beenderen her­leven? Ezechiël durft er geen antwoord op te geven. En dan zegt God: Ja, dat kan. Want God zal spreken tot deze beenderen: Zie, lk breng geest in u, en gij zult herleven; lk zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid over­trekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft.

Die woorden mag de profeet Ezechiël verkondigen aan een Israël dat nergens meer is, een Israël waarvan de hoop vervlogen is. De HERE zal Israël doen opstaan uit het graf van de ballingschap, en het weer thuis brengen in het eigen land. God zelf zal een streep halen door die alleszins begrijpelijke woorden: het is met ons gedaan. Mensen kunnen denken dat het afgelopen is, maar bij de God van Israël is het niet zo gauw afgelopen.


Het zal bekend zijn dat de laatste tijd bij heel wat mensen de mening heeft post­gevat dat het visioen dat in Ezech. 37 beschreven is duidt op de terugkeer van de Joden naar Israël in de 20e eeuw: de doodsbeenderen worden bekleed met spieren en vlees, maar alles is nog zonder geest. De lichamen komen pas tot leven als de geest in hen komt, hetgeen zou moeten betekenen dat Israël pas helemaal tot leven komt als Israël de Messias aanvaardt en dan ook de Heilige Geest ontvangt.

Zo wordt Ezech. 37 één van de hoofdstukken die zouden moeten duiden op een totaalbekering van Israël vlak voor het aanbreken van de eindtijd. Het is zeer de vraag of die exegese juist is. De dorre doodsbeenderen uit het visioen van Ezechiël duiden in eerste instantie op het Israël van de babylonische ballingschap. En de belofte van de opstanding slaat zonder twijfel allereerst op de terugkeer van Israël uit de ballingschap.


Of daarmee alles gezegd is?

Verre van dat, want profetieën hebben vaak een méérwaarde, die boven de betekenis van de eigen tijd uitgaat. Waarom? Alleen maar hierom: omdat God Dezelfde is en blijft: gisteren en heden en tot in eeuwigheid. En die God blijft trouw aan Zijn verbond. Heeft God Zijn volk verstoten? Israël kan dat denken: De HERE heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten. Maar Paulus heeft op die vraag maar één antwoord: Volstrekt niet!

Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. En daarom zal Israël nimmer omkomen in welk graf dan ook, omdat er een God is die in Zijn genade er voor zorgt dat Zijn volk iedere keer weer opstaat uit welke dood dan ook. Omdat er een God is die Zijn genade en Zijn verbond en Zijn volk niet vergeet.


Israëls geschiedenis is een geschiedenis vol met holocausten, maar Israëls geschiedenis is ook een geschiedenis waarvan gezegd kan worden dat die vol is met opstanding, Uit hoeveel graven heeft God in het verleden Israël niet doen opstaan? Dankzij die God is het nooit met Israël gedaan. Daarom moeten we de woorden van Ezech. 37 niet fixeren op één bepaalde tijd. De hele geschiedenis van Israël is vol van de werkelijkheid van deze woorden, en zal er ook vol van blijven!


En vandaaruit mogen we geloven dat God Zijn volk ook verzamelt rondom de Messias. Want tot leven komt een mensenkind pas bij Hem die gezegd heeft: Ik ben hét leven. God was ook daarmee al bezig in het verleden, en Hij zal daarmee bezig blijven tot het einde der tijden. En aldus zal gang Israël behouden worden, En tot léven komen.

En ook daarom zal lot van Israël nooit of te nimmer waar zijn: Het is met ons gedaan...

Lof zij de God van Israël, de Heer die aan Zijn erfvolk dacht.

ds. Kees van Atten
Vrede over Israël jrg. 30 nr. 4 (aug. 1986)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel