Undefined variable $foto

Trying to access array offset on value of type null

Undefined variable $style

Schriftstudie Galaten 3:15-4:11
omhoog

Undefined variable $insert_section

Schriftstudie

Undefined variable $v

Galaten 3:15-4:11


Op twee manieren kan een mens iets in bezit krijgen. Door er iets voor te doen - dus krachtens verdienste. Of louter door te ontvangen, het kado te krijgen, bijvoorbeeld als erfgenaam - dus krachtens testament. Wat Paulus er in wil hameren is: dat het bij het delen in Gods heil alleen toegaat op die tweede manier!

Niet de wet maar de belofte

Inzet van deze brief was de vraag: Hoe krijgen niet-joden deel aan Gods verbond met Abraham? Door geloof (= ontvangen) alleen, of ook door joodse wetten te onderhouden? Nu betekent het Griekse woord voor verbond ook testament. Paulus grijpt dat menselijke voorbeeld (

Undefined variable $v

15) aan om zijn boodschap nader te ontvouwen. Gods verbond is noch voor Joden noch voor niet-joden ooit een overeenkomst waarin de ene partner, God, aan de andere partner, zijn volk, loon uitkeert op grond van prestaties (werken der wet). Het is een testamentaire beschikking van God. In de belofte zegt Hij zijn heil aan mensen toe - onvoorwaardelijk.

Maar je moet toch wel geloven? Ja - maar geloven is niet: iets doen, maar: jezelf alles laten geven, in lege handen. Dat is de heilsweg van de belofte! Dé heilsweg van ouds. En de wet? Ze is niet bedoeld als nieuwe, vervangende heilsweg. Zoals een testament niet ongedaan te maken is maar blijvende rechtskracht heeft, zo wordt ook de belofte niet ongedaan gemaakt of vervangen door de wet (

Undefined variable $v

17). De wet is toegevoegd, is in Gods verbond van de tweede orde - niet in strijd met de belofte (

Undefined variable $v

21), wel daaraan ondergeschikt. Alleen van de belofte hangt af of je deelt in Gods erfenis, niet van (het vervullen van) de wet (

Undefined variable $v

18). Die komt dan ook pas na de belofte. In Israëls geschiedenis zelfs 430 jaar na de belofte aan de aartsvaders (

Undefined variable $v

17, vgl. Ex.12:40).


Opvallend is daarbij dat Paulus, gebruik makend van een joodse traditie, de wet niet rechtstreeks door God aan mensen gegeven ziet, maar via dubbele bemiddeling: door engelen en door een middelaar, Mozes (

Undefined variable $v

19). Daarin verschilt ze van de belofte. Die komt rechtstreeks en eenzijdig van God tot de mens (testament!). God handelt daarin aan mensen, Hij alleen. Paulus drukt dat uit met de woorden God is één. Maar zodra er een middelaar optreedt is er geen sprake van één partij, dan zijn er twee: God die de wet geeft en de mens die haar moet houden (

Undefined variable $v

20). Dat geeft nog eens het ondergeschikte karakter van de wet t.o.v. de belofte aan. Maar ook het negatieve van de wet, of beter: van de mens die haar moet doen, maar dat niet blijkt te willen en te kunnen.


Daar ligt ook het antwoord op de vraag of Paulus, door zo scherp belofte en wet tegenover elkaar te stellen, wel blijft in de lijn van het Oude Testament. Zeker, ook daar is de wet ondergeschikt aan de belofte. Zie de Tien Woorden: eerst de belofte, "ik ben de HERE uw God, dan de geboden die zeggen blijf nu bij Mij. Toch zijn daar belofte en gebod veel harmonischer met elkaar verbonden!

Echter: het is de mens die die harmonie verstoort. Na zoveel eeuwen leven met de wet is in Israëls geschiedenis wel gebleken, en Paulus zag het in eigen leven bevestigd, hoezeer wij mensen (!) zondaars zijn. Dat was, achteraf gezien, zelfs het doel waarmee ze toegevoegd is (

Undefined variable $v

19).


Paulus vergelijkt de wet dan met een tuchtmeester, d.i. de slaaf die als oppasser fungeerde voor onmondige kinderen (

Undefined variable $v

24). Ze kon niet meer doen dan met haar regels mensen in bedwang houden. Maar mensen laten zich daardoor niet in bedwang houden, en dan wordt de wet een cipier: een macht die de mens gebonden houdt in zijn schuld door ’t overtreden van de wet (

Undefined variable $v

23). Hem daaruit bevrijden kan ze niet, want ze kan mensen niet levend maken (

Undefined variable $v

21). Ze brengt juist aan het licht hoe dood de mens is in zonde.

Wie daarom mensen (zichzelf en anderen) nader tot God wil brengen door ze te stellen onder regels en eisen zal merken dat zo’n regiem de macht van de zonde alleen bevestigt. Het opent niet de deur naar het leven uit Gods belofte maar vergrendelt die slechts. En de Schrift constateert op vele plaatsen (o.a. aangehaald in