pijl omhoog

Gedachten rondom Psalm 22

Indeling in vijf boeken

In de Tora, de Bijbel is het G’d die ons aanspreekt; Hij neemt het initiatief. In Psalmen, in het Hebreeuws Tehilliem genoemd, is het de mens die spreekt, die zich tot G’d richt. De taal is menselijk en laat daarmee ook alle facetten van het menselijke karakter zien. In de Talmoedische periode (200-500 van de gewone jaartelling) las men na elke Tora-lezing die in de synagoge plaats had, een psalm. Men deed er in die tijd drie jaar over om de Tora uit te lezen en dan komt men al gauw in de buurt van de 150.

Tora en Tehilliem, zoals psalmen in het Hebreeuws genoemd worden, hebben meer met elkaar gemeen, namelijk hun verdeling in vijf verschillende delen. Midrasj Tehilliem 1:2 zegt hierover:

Mosje gaf de vijf boeken van de Tora aan Israël
David gaf vijf boeken met psalmen aan Israël


De midrasj ‘Sjoger Tow’ zegt: Zoals Mosje’s laatste woorden tot het volk luidden ‘Hoe gelukzalig jij, Israël’ (Deut. 33:29), zo begint David het psalmboek met ‘Gelukzalig de man’.

Het lied van de kikvors

De midrasj, de verhalende verklarende uitleg van de bijbeltekst vertelt dat toen koning David het boek der psalmen had afgesloten, hij vol tevredenheid op zijn werk terugkeek. Hij voelde dat hij zijn doel op aarde bereikt had. Daarom zei hij tegen de Heilige geloofd is Zijn naam: ‘Is er één schepsel dat U geschapen heeft in het hele universum dat liederen zingt en lofprijst die mijn liederen en lofprijzingen te boven gaan?’

Hij was nog niet uitgesproken toen er een kikvors langs kwam springen en tegen hem zei: ‘David, verhef jezelf niet zo vol trots, want ik zing liederen en lofprijs op een manier die het jouwe te boven gaat. En hoe luidt het lied van de kikvors?

Baroeg sjeem kewod malgoeto le’olam wa’èd
Geprezen is de Naam van Zijn koninklijke Majesteit voor alle eeuwigheid

Tehilliem-tabel

Door de Levieten in de Tempel werd voor elke dag van de week een speciale psalm gereciteerd. Voor zondag psalm 24, maandag psalm 48, dinsdag psalm 82, woensdag psalm 94, donderdag psalm 81, vrijdag psalm 93, sjabbat psalm 92.

In de Talmoed staat dat psalm 81 geschikt is voor de vijfde dag. Op de vijfde dag van de schepping werden de vogels en de vissen geschapen die vrolijkheid naar de wereld brengen. Wanneer de mensen het grote aantal bontgekleurde vissen en vogels aanschouwen, zijn ze onder de indruk van de enorme scheppende kracht van G’d. Om uiting te geven aan hun gevoelens willen zij met lofzang G’d prijzen (Rasji in Rosj Hasjana 31a). Verder lezen we daar (sjabbat 156a) ‘Een ieder die geboren is op de vijfde dag van de week zal een vriendelijk mens zijn, die geluk en goedheid deelt met anderen, omdat de vissen en vogels op deze dag geschapen zijn’. De 11e eeuwse geleerde Rasji verklaart daarbij dat vissen en vogels een zorgeloos leven leiden, omdat G’d hen overvloedig en gemakkelijk te verkrijgen voedsel heeft gegeven. De aanwezigheid van voldoende voedsel heeft tot gevolg dat de neiging tot egoïsme vanwege het gevecht tot overleven, verdwijnt.


Er zijn mensen die verdeeld over de week het gehele ‘Sefer Tehilliem’ - het boek der psalmen uitlezen. Elke vrije minuut gebruiken ze voor de recitatie. Het duidelijkst is dat te merken aan de jonge chassidische bruid, die psalmen reciteert tot aan het ogenblik dat haar bruidegom haar komt halen voor de huwelijksplechtigheid. Ze besteedt veel minder tijd aan wereldse zaken dan een doorsnee bruid.

Ook zijn er mensen die over de 150 psalmen een maand doen volgens een vast patroon. De Chassidische richting leest elke Rosj Chodesj (Nieuwemaansdag) het gehele psalmboek uit.

Je kunt ook een extra psalm zeggen van het jaar waarin je leeft. Ben je bijvoorbeeld 27 jaar, dan zeg je het gehele jaar na je verjaardag psalm 28.

Bij de briet miela (besnijdenis) kun je het kind als extra psalm 12 meegeven. Een speciale psalm, waarin sprake is van een baby is psalm 8:

Door het gestamel van pasgeborenen en zuigelingen hebt U de grondslag van macht gelegd om ondanks tegenstanders vijand en wreker tot zwijgen te brengen


Er zijn handzame psalmboeken te koop, waarin een tabel is bijgevoegd zodat je kunt zien welke psalm er voor welke gelegenheid wordt gelezen. Deze boekjes zijn in het Hebreeuws met Engelse vertaling.

Psalm 22

In dit artikel gaat het over psalm 22. Deze psalm wordt gelezen op de vastendag van Esther, de dag voor het Poeriemfeest. Deze psalm is in het jodendom niet zo populair als bijvoorbeeld psalm 23: ‘De Eeuwige is mijn herder; ik kom niet tekort’. In veel joodse gemeenten wordt dit aan het einde van de dienst gezegd.

Ook kan psalm 22 niet vergeleken worden met de razend populaire psalm 145 die o.a. te vinden is in het ochtendgebed en middaggebed. Het wordt voorafgegaan door de drie kleine zinnetjes:

Asjree josjewee weetèga, od jehallaloega sèla
- Gelukkig die in Uw Huis verblijvend, steeds weer Uw lof verkondigen (psalm 84, 5).
Asjree ha’am sjèkaga lo
- gelukkig het volk dat het gaat zoals dit
Asjree ha’am sjè-adosjeem èlohav
- gelukkig het volk, waarvan de Eeuwige de G’d is (ps. 144, 15)


Het kan eveneens niet tippen aan de bijzondere psalmen 113 t/m 118, waarmee de synagogediensten van de feestdagen worden opgevrolijkt. Samen met de voorzanger zingt de gemeenschap deze psalmen in de dienst op hele speciale melodieën.


Wel maakt psalm 22 deel uit van de psalmen die rondom het ziekbed worden gezegd om troost en bemoediging in momenten van grote smart en zielepijn te brengen. Het lijkt er op dat G’d deze persoon in de steek heeft gelaten en dan roept hij of zij uit:

Eli, eli, lama azawtani in het Hebreeuws of
Eli, eli, lama sabagtani in het Aramees.


De geleerde David Kimchi zegt dat er in deze psalm geen sprake is van persoonlijk lijden, doch van het lijden van het gehele volk Israël.

Waarom wordt psalm 22 speciaal op de vastendag van Esther gezegd?

De psalm loopt vooruit op de gebeurtenissen die honderden jaren na koning David, die de auteur ervan is, plaats zouden vinden. Toen hij op de vlucht was voor zijn zoon Absalom die de troon wilde veroveren, werd hij onderweg vervloekt door een zekere Sjimi ben Gera. Davids mannen wilden daarop deze Sjimi te lijf gaan, maar David hield hen tegen, want in een visioen zag hij dat Sjimi’s nakomelingen Esther en Mordechaj waren, zoals er staat in de rol van Esther, de megillat Esther: Mordechaj, zoon van Jaïr, zoon van Sjimi. Hij zag de bedreiging van zijn volk door de Amalekiet Haman, maar ook de redding die G’d bracht door middel van Esther en Mordechaj.

David, die op dat moment vervuld was van de Heilige Geest voorzag de Babylonische Ballingschap die begon in 586 voor de gewone jaartelling en 70 jaar duurde. David voorzag eveneens de andere ballingschappen. Hij spreekt in deze psalm het joodse volk van de toekomst in het enkelvoud toe. Eigenlijk zou ieder individu deze psalm iedere dag moeten reciteren, want het volk Israël is ver verwijderd van zijn vroegere glorie. Met het reciteren van deze psalm zou ieder individu de vurige bede tot G’d moeten richten om een definitief einde te maken aan deze pijnlijk lange ballingschap.

De betekenis van ‘Ajèlèt Hasjagar’

Sommige geleerden zeggen dat het eerste vers van psalm 22 een verwijzing is naar het joodse volk, die vergeleken wordt met een liefhebbende hinde, die zeer is toegewijd aan zijn speciale kameraad.

Andere geleerden zeggen dat de belofte van de dageraad van G’ds redding het volk Israël sterk maakt, zelfs in de donkerste nacht van de bittere ballingschap.

Met de ‘Ajèlèt Hasjagar’ wordt volgens sommige geleerden een bijzonder muziekinstrument bedoeld.

Het eerste vers verwijst ook symbolisch naar Esther, want het begint met de woorden: Voor de koorleider, op de ‘Ajèlèt Hasjagar’. Dat is volgens sommigen een verwijzing naar Esther. Zoals de ochtendster het einde van de nacht aankondigt, zo kondigde het wonder van Esther het laatste wonder uit de bijbel aan.


‘Ajèlèt Hasjagar’ kan ook vertaald worden als ‘op de wijs van Hinde van de dageraad’. Vooruitlopend op het inhoudelijke van deze psalm legt de bekende rabbijn Samson Raphael Hirsch uit: ‘Ajèlèt Hasjagar’ verwijst naar de ochtendster, naar het heldere licht van de dageraad. Want juist voor het aanbreken van de dag is het op z’n donkerst, maar men weet dat dit donker spoedig verdreven zal worden door het licht van de dageraad, licht dat steeds sterker wordt.’ Volgens deze rabbijn is het openingsvers daarmee al een voorbode voor vers 23. Want dit vers is een keerpunt in de jammerklacht van de psalm.

Is deze psalm dan wel bedoeld als jammerklacht?

Dezelfde rabbijn Hirsch ontleedt het woord ‘lama’ dat betekent ‘waarom, waartoe’ en zegt dat er staat ‘le-ma’ hetgeen betekent: ‘Om welke reden laat u mij in de steek’. Als een zieke een zware operatie moet ondergaan, zo legt de hedendaags orthodoxe rabbijn Abraham Twerski uit, ziet hij daar natuurlijk wel tegenop, maar als hij of zij weet dat het naar genezing zal leiden, wordt het al minder belastend. Als je deze psalm zo bekijkt, is het geen klacht over het verlaten worden, maar een van vertrouwen in G’d en de wens al deze ellende te begrijpen. Want al heel snel na het zware begin, kijkt de psalmdichter in vers 4 t/m 6 naar de voorouders, die op G’d vertrouwden. Weer wordt er even geklaagd in vers 7 t/m 9, om dan in vers 10 weer te vertellen hoe nabij G’d was vanaf de geboorte.

Hoewel psalm 22 volgens deze uitleg eerder als een psalm van hoop dan een van wanhoop moet worden gezien, spreekt er tevens uit dat het geen zonde is om te klagen. Ook de Talmoed zegt dat de mens in zijn wanhoop niet schuldig is als hij zich diep beklaagt. Door te zeggen: ‘U hielp wel mijn voorouders, waarom helpt U mij dan niet’, laat de psalmist zien dat hij in G’d gelooft en dat G’d almachtig is. Rabbi Levi Jitschak van Berditchev zei: ‘Je kunt tegen G’d zijn of voor G’d, maar nooit zonder G’d’.


Zelfs in zijn grootste nood wankelde koning David niet en bleef hij op G’d vertrouwen, want na alle uitdrukkingen van angst en zielepijn kon hij zeggen in vers 23:

Ik zal Uw naam verkondigen bij mijn broeders;
temidden van de gemeenschap zal ik U prijzen.


Het jodendom gebruikt bij de mondelinge verwijzing naar een psalm geen nummers, maar noemt een psalm bij zijn beginwoorden. Zoals ik in het begin al vertelde over psalm 145 die wordt aangekondigd als Asjree, zo wordt psalm 22 aangekondigd als Mijn G’d, mijn G’d, waarom hebt U mij verlaten. Pinchas Lapide legde uit dat het beroemde tweede vers in de mond van Jezus niet bedoeld was als klacht tegen zijn Schepper, want dat paste helemaal niet in zijn karakter of zijn godsvertrouwen. Nee, Jezus gaf aan zijn leerlingen, die naar zijn executie kwamen om hem te steunen, nog een laatste les. ‘Vertrouw op G’d. Hij laat niemand in de steek’. Het zou zelfs kunnen zijn dat hijzelf vanwege alle pijn niet verder kon praten, maar dat het volk de gehele psalm gezamenlijk heeft gereciteerd.

Vers 17

Dit vers geeft heel specifiek de kloof aan die er kan zijn tussen de bijbeluitleg in het jodendom en in het christendom.

Bij mijn verzameling psalmboeken was ook de vertaling van Dr. Ida G.M. Gerhardt en Dr. Marie van der Zeijde. Zij geven aan dat ze vertaalden uit de Hebreeuwse grondtekst, waarbij ze het eind van vers 17 vertaalden met:

Een troep honden is om mij heen;
rond mij hokt de wreedaardige bende
die mijn handen doorstak en mijn voeten.

Dr. F.M.Th. Böhl vertaalt het vers met: ‘zij doorboren mijn handen en voeten.’


Gaan we naar de joodse vertaling van Dr. S.I. Mulder dan lezen we:

Want honden omgeven mij;
een rot van booswichten omringt mij,
als een leeuw (verbrijzelende) mijn handen en voeten.


Het Hebreeuwse woord dat vertaald is als ‘doorsteken/doorboren’ is ka’arie. Maar dat woord kent het Hebreeuws helemaal niet. Het woord dat er het dichtst bijkomt, is kara hetgeen betekent ‘opgraven, van de grond omhoog brengen, opdelven’. In modern Ivriet is ‘het hart doorboren’: dakar et libbo.

Maar in het Hebreeuws staat er: ke-arie, hetgeen betekent ‘als een leeuw’. Wat hier bedoeld wordt is, in telegramstijl: Als de leeuw (zijn zij aan) mijn handen en voeten. Koning David spreekt over een leeuw en niet over het doorboren van handen en voeten. Dezelfde leeuw, de kleine Palestijnse leeuw die veel in het Midden-Oosten voorkwam, noemt hij ook in vers 13 en vers 22.


Volgens een schrijver op Internet kon deze maar één christelijke bijbelvertaling vinden die correct, dat wil zeggen naar de Hebreeuwse grondtekst was vertaald en dat was de Nieuwe Wereld Vertaling van de Jehovah-getuigen. Daar luidt de vertaling van vers 17: als leeuwen (hebben zij het gemunt op) mijn handen en voeten.

Vers 32

Psalm 22 eindigt met vers 32:

Dat zij komen en Zijn gerechtigheid verkondigen,
die Hij verricht heeft aan het volk, dat nog geboren zal worden.

Met ‘zij’ worden hier bedoeld degenen die G’ds verlossing mee zullen maken en die het dan weer vertellen aan de generaties die na deze verlossing uit de ballingschap geboren zullen worden. Zoals G’d David heeft verlost van zijn vijanden, zo zal G’d zeker het joodse volk van diens vijanden verlossen.


Tot mijn verbijstering eindigt psalm 22 in alle christelijke vertalingen die ik heb geraadpleegd met: ‘dat hij het was die het volbracht heeft’. Een toevoeging die in de Hebreeuwse grondtekst nergens te vinden is. Ida Gerhardt en Marie van der Zeijde maken van vers 31 en 32:

hun nakomelingenschap zal hem dienen
en zegt zíjn nageslacht wie de Heer is.
en dit komt zijn gerechtigheid melden
aan het volk dat geboren gaat worden.
Omdat het door hèm is volbracht.

Volgens mij is dat geen vertaling uit de Hebreeuwse grondtekst, maar inlegkunde...

mevr. Nechamah Mayer-Hirsch
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 2 (mrt 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel