pijl omhoog

Calvijn als uitlegger van het Oude Testament

Onze afkomst

Onze kerken zijn geworteld in de Reformatie. Een van de toonaangevende Reformatoren, naast Maarten Luther, was Johannes Calvijn. In de Nederlanden heeft men vooral zijn spoor gevolgd. Wij staan dus in de Calvinistische traditie.


Nu weten we van Luther dat zijn houding tegenover de Joden bepaald werd door het hoofd-thema van zijn theologie: ‘de recht­vaardiging door het geloof alleen’. Aanvankelijk had hij hoop de Joden voor Christus te kunnen winnen. Hij zet in 1523 dan ook in met een zeer innemend geschrift waarin hij het Jood-zijn van Jezus benadrukt: ‘Dat Jezus een geboren Jood is’. Als de massabekering uitblijft, slaat zijn houding om. In niet mis te verstane woorden haalt hij dan ook in 1543 naar hen uit in het geschrift: ‘Over de Joden en hun leugens’.


Hoe zit dat u bij Calvijn? Hoe is zijn houding tegenover de Joden te typeren? Komen ze er bij hem beter vanaf? Voor een antwoord op die vraag beperk ik me in dit artikel tot de wijze waarop Calvijn met het Oude Testament omgaat. Dat is niet toevallig. Immers, Calvijn heeft zich in zijn leven intens met het Oude Testament beziggehouden. En uitgerekend in dit deel van de Bijbel wordt getuigd dat de Here ‘Jakob zijn woorden heeft bekendgemaakt...’, terwijl er aan toegevoegd wordt: ‘Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan’ (Ps. 147:19-20). Heeft Calvijn daar rekening mee gehouden?

Ad fontes

Calvijn gaat in geloofszaken ad fontes, terug naar de bronnen. De traditie van de kerk moet bij hem een fundamentele stap terug doen. Het sola Scriptura, alleen de Schrift, komt centraal te staan.

Als Calvijn de bron van het geloof, de Bijbel, gaat verklaren, sluit hij zich aan bij andere bewegingen in zijn tijd, nl. die van het Humanisme en de Renaissance. Deze bewegingen leggen bij de uitleg van antieke geschriften de nadruk op twee aspecten:

  • het taalkundige; wat staat er letterlijk?
  • het historische; in welke tijd speelt het?

Calvijn gaat op dezelfde manier te werk. Hij leest daarom het Oude Testament in het Hebreeuws en tracht ook het Hebreeuwse taaleigen te verstaan. Omdat het Oude Testament aan het Joodse volk geschonken was, raadpleegt hij herhaaldelijk Schrift­verklaringen van beroemde Joodse uitleggers. Zij zijn voor hem de authentieke taalgeleerden. Calvijn tracht dus te ontdekken hoe de Joden het O.T. gelezen en verstaan hebben. Voor hem is de boodschap van Mozes en de Profeten in de eerste plaats aan het historische Israël gericht. Zo zegt hij n.a.v. Jesaja 6:10 ‘Jesaja was niet naar een willekeurige persoon gezonden, maar tot het historische Israël.’ Calvijn doet zo recht aan het ‘zelfverstaan’ van de Joden. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit.

Het hart van het Oude Testament

Voor Calvijn vormt de ‘tora’ het hart van het Oude Testament. Daarin maakt hij dezelfde keuze als de Joden. Dat is opmerkelijk. In zijn tijd benadrukt men sterk een tegenstelling tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Het O.T. wordt als ‘wet’ gezien, het N.T. als ‘evangelie’. Ook Luther is aan die opvatting niet ontkomen. Calvijn wijst deze tegenstelling tussen de Testamenten af. Hij benadrukt dat door verkiezing en verbond Israël waardig is gekeurd Gods tora te ontvangen, te horen en op te volgen. Hij erkent daarbij: ‘Het leven onder de tora betekende voor Israël geen slavendienst, maar vreugde.’ Calvijn had dus begrip voor wat in Israël heet ‘vreugde der wet’. God heeft aan Israël zijn naam bekend gemaakt met inbegrip van zijn genade en macht. In Institutie II.11.11 beschrijft hij dit met de woorden:

‘Hij heeft dus alleen dat volk, alsof het alleen uit alle mensen betrekking had op Hem, de kennis van zijn naam waardig gekeurd; Hij heeft zijn verbond als het ware in zijn binnenste gelegd, de tegenwoordigheid hem geopenbaard en met allerlei voorrechten geëerd.’

Blijf bij uw Bevrijder, Israel!

Deze evangelische trek in het denken van Calvijn bij zijn uitleg van het Oude Testament komt heel duidelijk in beeld bij zijn verklaring van de Decaloog of de Tien Geboden. Hij legt de Tien Geboden uit vanuit het opschrift: ‘Ik ben de HERE, uw God, die U uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.’ In Institutie II.8.15 zegt hij daarover: ‘want de Here geeft te kennen, dat zij daarom uit de ellendige slavernij verlost zijn, opdat zij Hem, de Bewerker van hun vrijheid, door gehoorzaamheid en bereidwillige onderdanigheid zouden eren.’ In het boek Exodus wordt dus volgens Calvijn verlossingsgeschiedenis verteld en de geboden bij Sinaï gegeven staan zijns inziens onder dit voorteken.

Calvijn kan daarom bij zijn uitleg van het Oude Testament zeggen: ‘met zijn woord en zijn geboden voert de God van het Verbond in het ‘regnum libertatis’, het rijk der vrijheid.’ Calvijn heeft dus ‘de wet van de Geest des levens’ waarvan Paulus in Romeinen 8:2 spreekt, al in Israël werkzaam gezien. In Institutie II.11.8 kan hij in dit verband zeggen: ‘Verder moet dat onderscheid tussen letter en geest niet zo opgevat worden, alsof de Here zijn wet zonder vrucht aan de Joden gegeven had, namelijk zonder dat iemand zich tot Hem bekeerde.’


Overzien we het geheel dan kunnen we zeggen dat Calvijn bij zijn uitleg van het Oude Testament aan Israël een positieve plaats toekent. Of dat zo blijft als we het geheel van zijn theologisch denken onder de loep nemen zullen we in een volgend artikel bezien.




In dit artikel ontleen ik mijn gegevens in hoofdzaak aan een publicatie van de Duitse theoloog Hans Joachim Kraus uit 1988 getiteld Israel in der Theologie Calvins.

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 3 (mei 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel