pijl omhoog

De naam Jezus

Schriftstudie n.a.v. Mattheüs 1:21

Geworteld in Israël

Echt joods begint Mattheüs zijn evangelie met ‘het boek der geboorten’ (‘geslachts­register’) van Jezus Christus. Zijn ‘roots’ worden daarmee aangegeven: Hij wortelt in Israël, Hij is ook in de eerste plaats bestemd voor Israël, in Hem vindt Gods geschiedenis met Israël het hoogtepunt en de vervulling.

Daarmee wil Mattheüs aantonen dat Jezus de Christus der Schriften is, de beloofde Messias. Hij is het door Wie Gods eigenlijke heilsplan gerealiseerd wordt; in Hem wordt Gods trouw aan de vaderen en aan het verbond zichtbaar; door Hem wordt Gods genadige en machtige verlossing nabij gebracht.

Een alleszeggende naam

Alleszeggend is de Naam. Die is niet door mensen bedacht, maar uitdrukkelijk uit de hemel gegeven, zowel aan Maria (Luk. 1:31) als aan Jozef (Mt. 1:21). Twee getuigen, zodat daarmee de waarheid van deze Naam vaststaat. Er mag wat van Hem verwacht worden!


In het O.T. hebben namen een betekenis. Ze geven iets weer van het wezen en van de taak van de persoon die die naam draagt. Noach moet ‘trooster’ zijn, Simson moet de zon van Gods verlossing doen schijnen, Salomo vorst van de vrede zijn. Kunnen mensen hun naam en de daarmee uitgesproken verwachting wáár maken?


De naam ‘Jezus’ is vergrieksing van de oudtestamentische naam ‘Jozua’: de HERE is/geeft heil, redding, ruimte.

Daarbij mag gedacht worden aan de man die Israël weliswaar in het beloofde land bracht, maar die niet bij machte was de definitieve ruimte en rust van de beloofde verlossing te realiseren (Deut. 31:7; Hebr. 4:11). Ook kan daarbij gedacht worden aan de ‘onvolmaakte’ hogepriester Jozua (Zach. 3:1vv).


Duidelijk is dat in deze hemelse naamgeving méér doorklinkt dan in de hedendaagse vervlakking van de naam tot ‘idool’, ‘leraar’, ‘beste vriend’, e.d.

Het gaat hier om het meest fundamentele: redding van zonden. De naam is realisering van Psalm 130:8.

Wat Israël, en ons, ten diepste kwelt en benauwt, ligt niet in bedreigende omstandigheden als oorlogsgevaar, ziekte, dood, e.d., maar zit in het feit dat we ‘zondaren’ zijn: mensen die het doel gemist hebben en daardoor vervreemd van God zijn en schuldig staan. Daar kom je niet in eigen kracht van af of mee klaar.

Daarom klinkt déze Naam als ‘muziek’. Die spelt ‘redding uit onze verlorenheid in de schuld’ (Van Ruler).

Een heilzame verdieping

Opmerkelijk is dat juist de Jood Mattheus hiermee een correctie en een verdieping aanbrengt in de toen gangbare verwachtingen van bevrijding door de Messias als een nationaal-politieke redding.

Joodse teksten zeggen dat de Messias een heerser uit het huis van David zal zijn, een strijder die de vijanden verslaat, de goddelozen oordeelt en wegdoet en de rechtvaardigen naar de vreugde van het paradijs brengt en zo Israël vrij en sterk maakt. Zelfs Zacharias heeft daar in die trant over gezongen (Luk. 1:71), zij het dat ook hij verderop de kern aangaf (Luk.1:77). En zó’n ‘held’ wilden de spotters bij het kruis ook nog wel (Matth. 27:39vv).


In deze Naam wordt vanuit de hemel gewezen op het kernprobleem van Israël en de hele wereld: de knechting door de zonde, de vervreemding van God, met alle desastreuze gevolgen daarvan. De hemel zélf zal hiervan redden; daarom is er hoop: door deze unieke Naam (zie ook Hand. 4:12).

Eerst voor Israël

Voor wie geldt die hoop?

Als Mattheus over ‘zijn volk’ spreekt, heeft hij ontegenzeggelijk daarmee Israël als volk-van-God op het oog. Het Griekse woord (laos) is in verreweg de meeste gevallen door de vertalers van de Septuaginta toegepast op Israël. Voor ‘heidenvolken’ wordt een ander woord gebruikt.


En dat ‘volk’ is niet een bijeenraapsel van losse individuen, maar een gemeenschap, gefundeerd in en bepaald door God die dit volk heeft ‘aangenomen’ en het verbond met de vaderen daarmee bevestigd heeft: eigendomsvolk door goddelijke verkiezing (Ex. 19:4-7; Deut. 4:20; 7:6 en 14:2); een volk dat geroepen is om deze genadedaad van God te beantwoorden met een leven in liefdevolle en trouwe gehoorzaamheid aan de geboden en in heiliging. Het heeft daar niet veel van terecht gebracht... De tora ketste af op de weerspannigheid van het menselijke hart.


Wat dan? Laat de HERE zijn volk vallen? Nee! Hij heeft zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt, hoe vaak en fel dat volk zich ook van Hem heeft afgekeerd. Hij is blijven denken aan zijn heilig verbond (Luk.1:71).

En nu geeft Hij, eerst aan Israël, zijn Zoon, de beloofde Messias.

Ook voor de volkeren

Alleen aan Israël?

Al in het O.T. wordt opening gegeven naar de volkenwereld, zie teksten als Jes. 25:6-7; 42:6; 45:22vv; 49:6; Zef. 3:9 en Zach. 2:10-11; 14:8vv. Verrassend is hoe dit ook door de (Joodse!) apostelen is uitgesproken, Hand. 15:14-21.


Trouwens, Mattheüs zelf geeft die opening ook al meteen aan het begin van zijn evangelie: niet voor niets zijn vier allochtone vrouwen opgenomen in het ‘boek der geboorten’ van Jezus Christus; en in hoofdstuk 2 zien we, tot beschaming van en als appèl op Israël, de volken komen, vertegenwoordigd in de ‘wijzen’. Jezus Zelf geeft dat perspectief ook in 8:11 en Hij neemt dat wereldwijde uitdrukkelijk op in het zendingsbevel (28:19). Door Hem overstijgt het ‘volk’ de nationale grenzen.

Zou Mattheüs daarom ook met Jezus Christus-als-Zoon-van-Abraham begonnen zijn? Calvijn wees daar al op:

Onder het volk van Christus verstaat de engel ongetwijfeld de Joden, aan wie Hij tot Hoofd en Vorst gegeven was. Daar echter de Heidenen eerlang in Abrahams geslacht zouden ingelijfd worden, wordt deze belofte des heils uitgestrekt tot allen die, door het geloof onderling verenigd, gezamenlijk het enig lichaam der Kerk uitmaken.

Verlossing gebracht

Dat is gerealiseerd door Jezus Christus. In zijn ‘tekenen van het Koninkrijk’ heeft Hij laten zien hoe de gebroken verhouding met God weer hersteld wordt (zie als duidelijk voorbeeld 9:1-8). En: ‘het bloed van zijn verbond’ (verwijzing naar Ex.24:8!) heeft méér dan persoonlijke en/of nationale kracht (zie 26:28).

Deze redding heeft ook meer dan alleen ‘geestelijke’ betekenis. Waar de zonde de oorzaak is van alle ellende, moeten we ook beseffen dat redding daaruit volkomen herstel betekent en vernieuwing, van de schepping, van heel de wereld...

Dienstbaar aan Israël

En wat óns betreft, als mensen uit de volken die ‘erbijgekomen’ zijn: wat is het een geweldige taak om zó dienstbaar aan Israël te zijn, dat het zijn eigen Messias erkent en aanvaardt.

ds. Hedde Biesma
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 5 (nov. 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel