Undefined variable $foto

Trying to access array offset on value of type null

Undefined variable $style

Kinderen van de duivel?
omhoog

Undefined variable $insert_section

Kinderen van de duivel?

Schriftstudie n.a.v.

Undefined variable $v

Johannes 8:12-59


De uitspraak van Jezus in Johannes 8 vers 44 ’U hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen’, wordt wel één van de meest anti-Joodse opmerkin­gen van het Nieuwe Testament genoemd. Jezus is in gesprek met Joden. Deze Joden hebben zich net beroepen op het feit dat zij nageslacht van Abraham zijn. Vervol­gens zegt Jezus tegen hen: ‘Jullie hebben de duivel tot vader.’ Niet Abraham, maar de duivel is hun vader.


Nu is het zo dat het behoren tot het nageslacht van Abraham bepalend is voor de identiteit van deze en alle andere Joden. Als Jezus volgens de evangelist Johannes zegt dat zij kinderen van de duivel zijn, lijkt Hij daarmee een uitspraak te doen over elke Jood. In plaats van kind van Abraham te zijn, zijn dan alle Joden kinderen van de duivel. Zo uitgelegd wordt het hele Joodse volk gedemoniseerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze uitleg leidt tot de conclusie dat dit één van de meest anti-Joodse opmerkingen in het Nieuwe Testament is.

Terecht is deze uitleg en conclusie in het verleden al door verschillende theo­logen aangevochten. Er is een andere uitleg en andere conclusie mogelijk. Om daar te komen, kijken we eerst naar de context waarin deze woorden gesproken zijn.

Jezus als Rabbi

In Johannes 8 komen we Jezus tegen zoals we Hem vaker tegen komen in het vierde evangelie: namelijk, terwijl Hij onderricht geeft. Jezus voert verschillende leer­gesprekken in de tempel (vs. 20, 59). Met wie voert Hij die gesprekken?

Gesprekspartners

In vers 13 worden als gesprekspartner ‘de Farizeeën’ genoemd en in vers 22 ‘de Joden’. Om Joden gaat het ook in vers 31, maar Johannes benadrukt dat het daar gaat om Joden ‘die in Hem geloofden’. Jezus heeft dus in Johannes 8 verschillende gesprekspartners. Dat brengt ons bij de vraag: wie zijn zijn gesprekspartners in vers 44?


De eerste gedachte gaat uit naar ‘de Joden die in Hem geloofden’ uit vers 31. Deze gedachte geeft echter wel een probleem. Hoe is het mogelijk dat zo’n grote vijand­schap ontstaat in een gesprek van Jezus met Joden waarvan gezegd wordt dat zij in Hem geloofden? Kijkend naar het gespreksverloop zou je namelijk zeggen dat het in vers 59 nog steeds om dezelfde gesprekspartners gaat. Dat zou betekenen dat bij de Joden die in Jezus geloofden tijdens het gesprek zo’n grote omwenteling plaatsvindt dat ze Hem zelfs willen doden. Is dat mogelijk? Ze geloven toch in Hem?

Dat het niet onmogelijk is dat zogenaamde gelovigen geen werkelijke volge­lingen van Jezus blijken te zijn, kunnen we opmaken uit