pijl omhoog

נְטילַת־יַדַיִים

Handen wassen


Netielát jadájiem (letterlijk: ‘de handen opheffen/uitstrekken’), het handen ‘wassen’, hoort bij de religieuze verplichtingen.

De rabbijnen noemen twaalf gelegenheden waarbij de handen gewassen moeten worden, bv. voor het eten en na het opstaan. Maar ook voor het bidden en het sjema (het reciteren van het ‘Hoor, Israël’); daarom vind je bv. bij de ‘Westelijke Muur’ (de zgn. ‘Klaagmuur’) ook een speciale gelegenheid voor het handen wassen - met daarbij de nodige kannetjes.


Het ‘handen wassen’ gebeurt door met behulp van een kan de handen te begieten, de rechterhand eerst.

Daarbij moet een kan of kom worden gebruikt met een wijde opening en een onbeschadigde rand. De kan heeft twee handvatten: één voor vóór en één voor ná de reiniging.

Op z’n minst moeten de vingers gewassen worden, met minstens 1/4 log (1 log is ± 0,3 liter).


Bij het ‘handen wassen’ na het opstaan en voor het eten wordt een beracha (= ‘zegenspreuk’) uitgesproken:

Gezegend Gij, Eeuwige onze God, Koning der wereld,
die ons geheiligd hebt door uw geboden
en ons bevolen hebt, de handen te wassen.


Is het ‘handen wassen’ door de Here bevolen? Met zoveel woorden vind je dat niet in de tora, zeker niet voor al die gelegenheden waarvoor het nu geldt. Maar het jodendom gaat er van uit dat er niet alleen een ‘schriftelijke’, maar ook een mondelinge tora gegeven is, door God aan Mozes gegeven op de Sinaï, en mondeling overgeleverd door Mozes aan Jozua, door Jozua aan de oudsten, enz. Ook de mondelinge tora komt dus van de Sinaï, en heeft daarom gezag. Zo zijn er meer geboden dan die welke vastgelegd zijn in de boeken van Mozes.


In het Nieuwe Testament horen we van een discussie daarover Matt. 15:1-20):

Uit Jeruzalem kwamen Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus, en vroegen: ‘Waarom overtreden uw discipelen de overlevering der ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten.’