pijl omhoog

Eeuwig duurt zijn trouw

Over Jesaja 41 vers 8 - 10


Hoofdstuk 40 en de volgende hoofdstukken van het profetenboek Jesaja brengen ons in een tijd van crisis voor het volk Israël. De deportatie naar Babel is al lange tijd en feit. De vraag dringt zich op of er ooit nog sprake zal zijn van terugkeer naar het beloofde land. De gedachte is: Het wordt nooit meer wat. God is ons vergeten. Maar dan klinkt de profetie: Hoe kom je erbij? Zou de HERE zijn volk vergeten? (slot hoofdstuk 40)

In het begin van hoofdstuk 41 wordt aangekondigd dat er iemand op het wereldtoneel zal verschijnen die alles anders zal maken. Dat blijkt Kores te zijn, de koning van Perzië. In hoofdstuk 44 komen we hem tegen en in hoofdstuk 45 krijgt hij zelfs de titel Gezalfde, Messias. De profetie zegt: het is de HÉRE die Kores verwekt heeft om de wereldorde te veranderen.

“Maar gij...”

De volken sidderen voor die grootmacht. “Maar gij”, zo klinkt het, “vrees niet, want Ik ben met u.”

Het adres aan wie deze woorden zijn gericht, wordt breed uitgewerkt. Er klinken drie namen die verwijzen naar de tijd van de aartsvaders. Het volk in ballingschap wordt niet los gezien van zijn wortels. Israël was de nieuwe naam die Jacob ont­vangen had bij de Jabbok. Met die naam mocht hij bestaan voor het aangezicht van de HERE. Die naam blijkt nog steeds van kracht te zijn, als een belofte. Hij wordt hier dan ook als eerste vermeld. De oorspronkelijke naam Jacob staat hier in het licht van die geschonken naam. En ‘Abraham’ herinnert aan het oerbegin van het verbond. Elk van die drie namen krijgt nog een nadere aanduiding.

Israël, mijn knecht

Het woord ‘knecht’ heeft hier niet allereerst het karakter van dienstbaarheid, maar is meer een aanduiding van de innige relatie die de HERE heeft met Israël, een soort troetelnaampje. Zoals in achttiende-eeuwse geboorteboeken een pasgeboren jongetje ook wel ‘knegje’ heette. Israël mag zich als vazal van de HERE beschermd weten door de HERE. God zorgt voor zijn knecht. Ook in de psalmen komen we de knecht tegen die met zijn klacht tot de HERE komt (zie bijv. Ps. 27:9; 31:17; 69:18; 143:12).

Hier neemt de HERE zelf die terminologie over: je bent mijn knecht; Ik ben je niet vergeten.

Verderop in het profetenboek Jesaja komen we de zogenaamde liederen van de Knecht van de HERE tegen. Daar wordt geen naam bij genoemd. Is hij Israël? Of een profeet? Of de Messias? In het Nieuwe Testament wordt duidelijk een link gelegd tussen Jezus en deze Knecht.

Jacob, mijn uitverkorene

Dat moet als muziek in de oren hebben geklonken. De ballingschap maakte het volk aan het twijfelen. Zou de HERE, die ons eerst heeft uitverkoren, ons nu verstoten hebben? Maar nog steeds klinkt hier het woord ‘uitverkorene’. Het wordt gedragen door de trouw van de HERE die maar niet ophoudt en elke morgen weer nieuw is.

Abraham, mijn vriend

Dat klinkt verrassend. Ezechiël wijst Israël terecht als het meent dat het rechten kan laten gelden omdat het nakroost van Abraham is (Ezech. 33:24-25). Jezus heeft ook kritiek op hen die zeggen: Wij hebben Abraham als Vader. Alsof het dan sowieso wel goed zit (zie o.a. Joh. 8:30-59).

Maar hier neemt de HERE zelf de naam Abraham in de mond om zijn volk ervan te verzekeren dat Hij met hen is, zoals Hij ook met zijn ‘vriend’ Abraham was.

Voor ‘vriend’ staat er letterlijk: hij die liefheeft. God zou dan het voorwerp van Abrahams liefde zijn. Maar binnen de context van de uitverkiezing is het net andersom: Abraham is voorwerp van Gods liefde.

Verkiezing concreet

In vers 9 wordt de verkiezing in vier daden van de HERE concreet. Hij heeft zijn volk gegrepen, geroepen, verkoren, niet versmaad. Van de uiteinden der aarde werd en wordt Abraham geroepen om in het land Kanaän te gaan wonen. Dat is ten diepste zijn thuisbasis.

De klacht van Israël was: de HERE heeft ons verstoten en is ons vergeten. Het antwoord van de HERE is: Ik heb je niet verstoten. En dat gebeurt met woorden die veelbelovend zijn.

“... vrees niet”

God wendt zich naar zijn volk en grijpt in de volkerenwereld in om zijn volk redding en heil te brengen.

Ik ben met u; Ik ben uw God. Het ‘met’ (u) tekent de innige sfeer van het verbond met de aartsvaders die als nomaden altijd onderweg waren. God ging beschermend met hen mee.

Uit alles spreekt de blijvende trouw van de HERE aan zijn volk. Hij zet zich voor hen in ten goede met zijn heilrijke rechterhand. Gods rechterhand is veelbelovend, scheppend, verlossend. Israël kan ervan meepraten toen het werd bevrijd uit Egypte. En opnieuw toont God zijn heilrijke rechterhand. Hij verwekt Kores om zijn volk te bevrijden.

Wat een verschil met de volken die met angst en beven Kores zien aankomen. De volken moeten elkaar moed inspreken (vs. 6). Israël hoeft zichzelf geen moed in te spreken. God zelf grijpt heilbrengend in voor zijn volk.



Gespreksvragen:

  1. De innige verbondswoorden en verkiezingswoorden uit deze profetie golden voor Israël toen. Kunnen ze ook worden toegepast op het huidige Israël, in of buiten de staat Israël?
  2. Op welke manier kan dit Schriftgedeelte worden toegepast op de kerk en de gelovige uit de heidenwereld?
  3. De profeet ziet God ingrijpen in het wereldgebeuren d.m.v. een heiden als Kores. Heeft dat ook iets te zeggen voor onze kijk op het wereldgebeuren van vandaag?

ds. Jan Groenleer
Verbonden jrg. 59 nr. 4 (dec. 2015)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden