pijl omhoog

Calvijn en Israël


Op welke manier verhoudt Calvijn zich ten opzichte van Israël en het Joodse volk? In deze vraag van het deputaatschap valt direct het onderscheid tussen Israël en het Joodse volk op. 500 jaar geleden zou Calvijn dat onderscheid niet gemaakt hebben.


Onlangs verzocht het deputaatschap Kerk en Israël van de Christelijke Gereformeerde Kerken mij tijdens één van hun bezinningsdagen in te gaan op de kijk van Calvijn op Israël en het Joodse volk.

Wij denken bij Israël niet alleen aan het Joodse volk, maar ook aan het land dat de Joden als hun land beschouwen en aan de staat Israël. Dat speelt bij Calvijn geen rol. Hij heeft het over Joden, het Joodse volk, Israël en het Israëlitische volk. Het zijn allemaal aanduidingen voor Joden uit de tijd van het Oude en het Nieuwe Testament, maar ook die uit Calvijns eigen tijd horen erbij, omdat ze allen van Abraham afstammen.

Grenzen verlegd

Calvijn kan nauwelijks Joden ontmoet hebben omdat ze al verscheidene jaren niet meer in Zwitserland en veel andere Europese landen leefden. Wellicht kwam hij in 1535 in Ferrara Joden tegen die uit Spanje en Portugal afkomstig waren of ontmoette hij Joden tijdens zijn verblijf in Straatsburg (1538-1541). De Joden hadden geen eigen land meer. Wolfgang Capito, predikant in Straatsburg, was destijds één van de weinigen die verwachtte dat zij terug zouden keren naar Palestina. Dat zou volgens hem gebeuren als ze zich tot God en zijn Messias bekeerd hadden. In het beloofde land zouden ze dan een periode van grote zegen beleven voordat Christus terug zou komen. Die verwachting speelt bij Calvijn geen rol. Hij heeft het wel over Kanaän als teken van Gods genade waar de Joden God zouden kunnen dienen. Maar als sinds de komst van Christus de grenzen verlegd zijn en God niet alleen de God van Israël, maar ook de God van de volken wil zijn, omvat het beloofde land heel de wereld die door Christus vernieuwd zal worden. Het dienen van God is sinds de komst van Christus niet meer aan een bepaald land of heiligdom gebonden.

Discussie met een Jood

Als het gaat over Calvijn en de Joden wordt vaak verwezen naar een discussie die hij met een Jood gevoerd zou hebben. We zouden daarvan een verslag vinden in een manuscript dat Beza na het overlijden van Calvijn in diens archief vond. Beza publiceerde dat in 1575, zonder te weten waarop de inhoud precies betrekking had. Calvijn had er geen toelichting bij geschreven. We weten nog maar sinds kort dat het manuscript 23 van de 53 vragen bevat die een middeleeuwse Joodse exegeet hier en daar stelde in de Hebreeuwse vertaling van het Mattheüsevangelie. De exegeet wilde Joodse volksgenoten toerusten voor een discussie met christenen.

Calvijn gaf op elk van die 23 bezwaren tegen het evangelie een kort antwoord en voegde er nog een korte toelichting aan toe. Calvijn dacht zelf op die manier christenen te kunnen toerusten voor een discussie met Joden. Maar hij heeft het manuscript niet gepubliceerd. Misschien was hij niet overtuigd van het nut daarvan. In ieder geval is het manuscript, anders dan menigeen denkt, van zeer geringe betekenis voor zijn visie op de Joden. Als we weten willen hoe hij over hen dacht, moeten we ons richten op heel zijn oeuvre. Uit allerlei opmerkingen, vooral bij de uitleg van de Bijbel, kunnen we proberen af te leiden wat voor visie hij op de relatie van Joden en christenen had.

Vervanging?

Calvijn merkt in zijn geschriften, vooral in zijn preken, nogal eens op dat we als christenen de plaats van de Joden hebben ingenomen. We doen er niet goed aan als we daaruit af willen leiden dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen. Dat is beslist niet het geval. Wij hebben het over Kerk en Israël. Maar dat komt niet overeen met de visie van Calvijn. Er is voor hem maar één volk van God. Dat is van oorsprong het Joodse volk als nageslacht van Abraham. Het is bijzonder dat wij (heidenen) dank zij Jezus Christus ook bij dat volk horen mogen. Dit is in overeenstemming met het Oude Testament waar God zegt dat Hij in Abraham alle geslachten van de aarde zal zegenen. En in het Oude Testament wordt voortdurend gesproken over de volken die zich bij Israël zullen voegen en samen de God van Israël als hun God en Vader zullen beschouwen.

Als Calvijn in een preek opmerkt dat we als christenen de plaats van de Joden ingenomen hebben, heeft dat te maken met het beeld dat Paulus in Romeinen 11 gebruikt als hij het over Joden en heidenen heeft. Takken zijn van de edele olijfboom afgebroken en takken van de wilde olijfboom zijn op de edele olijfboom geënt. Door de val van de Joden, schrijft Paulus, is het heil tot de heidenen gekomen. Het een heeft met het ander te maken. Daarom merkt Calvijn meer dan eens op dat christe­nen de plaats van de Joden hebben ingenomen. In zijn uitleg van Romeinen 11 stelt hij echter duidelijk dat er wel takken van de olijfboom zijn afgebroken, maar dat niet de hele boom is omgehouwen. Als christenen bestaan we niet op onszelf. We zijn in ons geloof met Jezus Christus verbonden en zo horen we bij dat ene volk van God dat uit Joden en tot geloof gekomen heidenen bestaat.

Als Calvijn in een preek opmerkt dat we als christenen de plaats van de Joden hebben ingenomen voegt hij er meer dan eens aan toe dat we daarvan moeten schrikken. Er is immers overeenkomstig wat Paulus in Romeinen 11 schrijft geen enkele reden voor hoogmoed, maar alle reden voor het vrezen van God. We moeten het van Gods genade hebben. Als we dat uit het oog verliezen kunnen ook wij ‘weg­gekapt worden’. Hij voegt er soms ook nog aan toe dat het belangrijk is te beseffen dat we het evangelie aan de Joden te danken hebben. In dat verband citeert hij Jezus die zei: Het heil is uit de Joden (Joh. 4:22) en noemt hij verder ook teksten uit het Oude Testament (bv. Jes. 2:3, Micha 4:2 en Ps. 110:2).

Toekomst van Israël

Meer dan eens wordt gezegd dat Calvijn geen oog zou hebben voor de toekomst van Israël. Als bewijs wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat hij Paulus’ uitspraak over het behoud van geheel Israël in Romeinen 11:26 vergeestelijkt. Hij betrekt namelijk ‘geheel Israël’ op het geestelijke Israël dat bestaat uit Joden en heidenen die in Jezus Christus geloven.

We menen dat Paulus met ‘geheel Israël’ hetzelfde bedoelt als de volheid van Israël (vs. 12). Desondanks doet Calvijn met zijn uitleg van ‘geheel Israël’ niets af van het behoud van Israël zoals de Here God dat voor ogen staat. Calvijn zegt namelijk dat die twee teksten, die Paulus uit Jesaja en Jeremia aanhaalt als bewijs voor het behoud van geheel Israël, betrekking hebben op de Joden en de verzoening van hun zonden door Jezus Christus. En wij, voegt hij eraan toe, mogen daar als ‘heidenen’ ook deel aan hebben.

Het is volgens Calvijn met de betrokkenheid van de heidenen bij de Joden anders gegaan dan beloofd wordt in Zacharia 8:23. In die tekst wordt gezegd dat heidenen zich bij de Joden zullen voegen met de woorden: ‘Wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met u is.’ De roeping van de heidenen is anders verlopen, zegt Calvijn. Namelijk zoals Paulus dat beschrijft in Romeinen 11. Takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en takken van de wilde olijfboom zijn geplant in de heilige wortel. Maar, zegt Calvijn, ten slotte zal God ook de afgevallen Joden weer tot leven brengen als Hij hen ent in de oorspronkelijke wortel, zodat het Israël van God uit alle hoeken van de wereld bijeengebracht en gered zal worden.

Voorgoed verbonden

Zijn we er als predikanten en gemeenteleden van doordrongen dat we het Oude en het Nieuwe Testament aan de Joden te danken hebben? Beseffen we dat het Nieuwe Testament ons naar het Oude Testament verwijst, niet alleen omdat het Oude Testament getuigt van Jezus Christus, maar ook omdat het Oude Testament ons onderricht geeft in een leven met de God van Israël die in Jezus Christus ook onze God en Vader zijn wil? Wordt in elke kerkdienst een gedeelte uit het Oude Testament gelezen?

dr. Wulfert de Greef
Verbonden jrg. 61 nr. 2 (mei 2017)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden