pijl omhoog

De profetie van Zacharias


In de tijd van Advent wordt Lukas 1 vaak gelezen. De personen die je in dit hoofdstuk tegenkomt, bereiden zich allemaal op hun eigen manier voor op de komst van de Messias en op de komst van de heraut die Hem aankondigt, Johannes de Doper. In dit artikel letten we op wat Zacharias zegt als hij weer mag spreken.


Wat moest de Messias op aarde doen? Lijden en sterven aan het kruis om vergeving van zonden en verzoening van schuld te bewerken. Opstaan uit het graf om over­winning op de dood en eeuwig leven te geven. Als je echter Zacharias’ woorden leest, ontdek je dat hij aanvankelijk over andere dingen spreekt, die ‘aards’ aandoen.

Lofzang? Profetie!

Lukas 1:67-79 wordt door ons vaak de ‘lofzang van Zacharias’ genoemd. We zingen de woorden van deze priester regelmatig in de kerk (o.a. Liedboek voor de Kerken 67). Maar is dit gedeelte wel een loflied? In strikte zin niet! Allereerst staat er nergens dat Zacharias zong. In Lukas 1:64 lees je dat hij sprak en God loofde. Vervolgens staat er in vers 67 dat hij met de Heilige Geest vervuld werd en profeteerde. We hebben in deze verzen dus niet met een lofzang, maar met een profetie te maken.

Als mensen door Gods Geest gedreven iets over Gods plan mogen zeggen, dan gaan hun woorden vaak op verschillende manieren én op verschillende momenten in vervulling. Bijbelse profetie heeft iets van een berglandschap. Je ziet een berg, maar daarachter zie je er nog een, en daarachter ontdek je er nog weer een, enz. Soms worden profetieën in een keer vervuld, maar meestal gaan zij ‘stap voor stap’ in vervulling.

Aardse vijanden

‘Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht.’ De lofprijzing waarmee Zacharias in vers 68 zijn profetie begint, krijgt normaliter in de tempelliturgie een weerwoord: ‘Amen, ja, amen’ (vgl. Ps. 41:14).

Met woorden en beelden uit het Oude Testament profeteert Zacharias over de komende Messias en over zijn ‘voorloper’. Zacharias’ profetie heeft in de eerste plaats betrekking op de verlossing van Israëls vijanden. Uit het geslacht van koning David heeft de Heere een ‘hoorn van zaligheid voor ons opgericht’, aldus Zacharias in vers 69. Een hoorn van een hert of een stier is een geducht wapen! De hoorn is een beeld van Gods kracht tegenover kwade machten, Gods macht tegenover de vijanden van zijn volk Israël (vgl. Ps. 132:17-18).

Dat Zacharias aan aardse vijanden denkt, wordt ook in het vervolg duidelijk. In vers 71 spreekt hij over ‘verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten’. En in vers 74-75 profeteert hij erover ‘dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerech­tig­heid voor Hem alle dagen van ons leven’. Zoiets lijkt alleen mogelijk als Israëls vijanden verslagen zijn. Volgens Zacharias’ profetie zal de Messias de vijanden van God en Gods volk verslaan. Hij zal vrede brengen.

Vergeving

Houdt het daarmee op? Nee, Zacharias verwacht meer. Vanaf vers 76 komt Zacharias’ zoon Johannes ter sprake. De heraut van de Messias zal ‘voor het aangezicht van de Heere uit gaan om Zijn wegen gereed te maken’. Met welk doel? Dat staat in vers 77: ‘om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden’. Vergeving van zonden en eeuwig leven komen dus wel degelijk in beeld, maar pas op de tweede plaats.

Wie de Bijbel kent, weet dat Johannes de Doper de mensen in de Jordaan doopte en ‘een doop van bekering tot vergeving van zonden’ predikte (Markus 1:4). Daarmee deed hij precies wat zijn vader had voorspeld. Hij maakte de weg vrij voor de Messias door de mensen op te roepen tot bekering, waardoor zij vergeving mochten ontvangen.

Nu?

Zowel in het Lukasevangelie als in Handelingen zien mensen uit naar het herstel van het koningschap van David. Een van de Emmaüsgangers vertelt aan de Vreemdeling die met hen meeloopt over Jezus ‘Die een Profeet was, machtig in werken en woorden voor God en heel het volk; en hoe onze overpriesters en leiders Hem over­geleverd hebben om Hem ter dood te veroordelen, en Hem gekruisigd hebben. En wij hoopten dat Hij het was Die Israël zou verlossen’ (Lukas 24:19-21). Als Joden hadden zij de hoop dat de Romeinen door Gods Gezalfde verslagen zouden worden!

Vlak voor Christus’ terugkeer naar de Vader stellen de discipelen een vraag die hiermee te maken heeft: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Jezus’ reactie hierop is inhoudelijk niet afwijzend. Hij zegt alleen dit: ‘Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft’ (Hand. 1:6-7).

Jezus wijst hun vraag omtrent de Messias op de troon van David in een rijk van vrede dus niet af vanwege de inhoud, maar omdat zij vragen naar dingen die aan God de Vader zijn voorbehouden. De vijanden van Gods volk zullen zeker verslagen worden, maar eerst moet de blijde boodschap de wereld over. Jezus’ leerlingen moeten tot aan de einden van de aarde van Hem getuigen (Hand. 1:8).

Ooit!

Gods Zoon heeft Zelf nooit afstand genomen van de Joodse verwachting omtrent de Messias. Hij heeft wel duidelijk gemaakt dat Gods dingen op Gods tijd plaatsvinden. De profetieën van het Oude Testament en de profetie van Zacharias zullen zeker in vervulling gaan. Maar eerst moest de Messias de weg van de lijdende Knecht uit Jesaja 53 gaan, en eerst moet Gods Woord de wereld doorgaan. Wat Zacharias in Lukas 1:68-75 profeteerde, wacht dus nog steeds op vervulling. Daarop hopen wij. Daarom bidden wij. Eens wordt alles nieuw – ook in sociaal en politiek opzicht!


Gespreksvragen

  1. Waarom is het volgens u wel/niet belangrijk om de woorden van Zacharias te lezen als een profetie?
  2. Welke rol speelt de overwinning op Israëls vijanden in uw toekomstverwachting?
  3. Wat is volgens u het gevaar van een interpretatie die de aardse vijanden van Israël vergeestelijkt?

drs. Lieuwejan van Dalen
Verbonden jrg. 61 nr. 4 (nov. 2017)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden