omhoog

Verwarrende Israëltheologie


In 2019 verscheen het boek Het Israël van God van de hand van prof. W.J. Ouweneel. Ouweneel presenteert zijn werk als ‘een theologie aangaande Israël’. In dit artikel bespreek ik dit omvangrijke werk dat ruim 750 bladzijden telt. Mijn bespreking bevat na een weergave van de inhoud een beoordeling van de auteursintentie en besluit met een persoonlijke leesimpressie.


Ouweneel zet zijn visie op Israël in veertien hoofdstukken uiteen. Hij begint bij de roeping en bestemming van Israël (1), bespreekt verschillende afwijkende stand­punten (2), gaat in op de uitdrukking ‘oud en nieuw verbond’ (3), belicht Jezus’ verhouding tot de Joden (4), maakt duidelijk dat Israël niet de kerk is en om­gekeerd (5-6), exegetiseert nieuwtestamentische teksten over Israël (7), gaat in op de verhouding jodendom en christendom (8), wijst de vervangingsleer af (9) en doet dit later nog een keer dunnetjes over (13), tekent in hoofdlijnen het lijden van Israël de eeuwen door (10), wijdt een apart hoofdstuk aan de kerk­geschiedenis (11), analyseert het Joods-Palestijns conflict (12) en verwoordt tot slot zijn visie over Israëls plaats in het Messiaanse rijk (14).

Ouweneel stelt aan zijn werk hoge eisen. Allereerst wil hij zijn studie op wetenschappelijk niveau schrijven. Verder is zijn boek vooral ‘thetisch’ (89) en vormt het ‘een onderdeel van de systematische theologie’ (21). Omdat hij zijn standpunten op de Schrift baseert, moet zijn exegese ‘onbevooroordeeld’ (214) en ‘serieus’ zijn (415). En last but not least: Ouweneel schrijft een theologische studie. Aan de hand van deze door hem zelf geformuleerde criteria recenseer ik zijn werk.

Polemisch

Ouweneel discussieert veel met anderen. Wie over Israël schrijft, ontkomt daar bijna niet aan. Op wezenlijke punten neemt hij een eigen positie in. Zo wijst hij de tweewegenleer radicaal van de hand (12.5.2) en neemt hij duidelijk stelling tegenover de gedachte dat Israël met zijn lijden een plaatsvervangend offer voor de andere volkeren gebracht heeft (hfdst. 10).

Opvallend is de rustige en faire bespreking van deze afwijkende standpunten in vergelijking met het andere front waartegen Ouweneel ageert, dat van het supersessionisme. Onder supersessionisme verstaat Ouweneel de zgn. ‘vervangings­leer’. Deze opvatting stelt dat de kerk de plaats van Israël ingenomen heeft. O.a. Jochem Douma, Bram Maljaars en Steven Paas sr. (de vader van…) vertegenwoordigen deze visie. De opvattingen van de laatstgenoemde bestrijdt Ouweneel in dit boek te vuur en te zwaard. Daardoor blijft er van het voor­genomen thetisch karakter niets over, maar dat beseft Ouweneel zelf ook (23).


Ouweneel geeft de standpunten van Paas niet goed weer, zo verwijt Paas hem. Kort na het verschijnen van dit boek publiceerde Paas een ingezonden stuk in het Reformatorisch Dagblad (d.d. 28.02.2019). Hierin betichtte hij Ouweneel van het maken van een karikatuur. Dit verwijt val ik bij. (Laat duidelijk zijn dat ik Paas’ visie over Israël niet deel!)

Volgens Ouweneel vertegenwoordigt Paas het supersessionisme. Dat is een moeilijk woord voor ‘de vervangingsleer’ (2.2.1-3). Deze visie is volgens Ouweneel inherent aan de gereformeerde leer (41). Deze visie is primitief (611), staat dichter bij de vrijzinnigheid dan bij de orthodoxie (611), is antisemitisch (366), wortelt in het antisemitisme (387), gaat samen met antisemitisme (427) en is altijd de voedingsbodem voor antisemitisme (88 en 423). Verder dreigt deze leer op het punt van de christologie te dwalen (248). De gelijkstelling tussen super­sessionisme (‘vervangingsleer’) en de gereformeerde theologie is wetenschappelijk onverantwoord. Trouwens Ouweneel ondergraaft deze stelling elders in zijn werk (o.a. 9.9.3). Kortom: Ouweneel is niet consistent en onzorgvuldig in de weergave van de standpunten van andersdenkenden.

Eenduidig standpunt?

Maar wat vindt Ouweneel nu zélf? Als ik alles overzie, concludeer ik dat zijn standpunt onhelder blijft. Een aantal factoren veroorzaakt deze onduidelijkheid. In de eerste plaats mist zijn werk een consistente en gedegen Bijbelse onder­bouwing. De bespreking van voor zijn onderwerp belangrijke en minder belang­rijke Schriftplaatsen bestaat vaak uit een of twee openingszinnen gevolgd door een aantal uitgeschreven Bijbelcitaten. Zelden gaat hij in op de samenhang van de citaten. Wanneer hij dat wel doet, heeft zijn Schriftuitleg het karakter van ‘een houtje-touwtje exegese’ (bijvoorbeeld 1.10.3). Ouweneel wijst veel stand­punten met een paar pennenstreken af, maar onderbouwt zijn conclusies nauwelijks in een discussie met andersdenkenden.

De meest geciteerde auteur is Ouweneel zelf. Ouweneel is het roerend met zichzelf eens zonder zijn mening met die van anderen te confronteren. Ten slotte bevorderen de talrijke overlappingen en het hoge aantal overbodige paragrafen de helderheid van zijn werk niet. Om maar een voorbeeld te geven: wie zit in een theologische studie over Israël te wachten op een opsomming van alle joodse Nobelprijswinnaars, de namen van alle joodse auteurs, joodse componisten en joodse filosofen uit de moderne tijd?!

Misschien had dit boek beter niet geschreven kunnen worden. Daardoor was voorkomen dat mensen onnodig beschadigd waren geraakt, de verwarring en karikaturen niet nog groter zijn geworden dan ze vóór de verschijning van dit boek al waren en de moeizame interkerkelijke bezinning en discussie over de plaats van Israël onder de volkeren én in Gods toekomst niet nog meer gefrustreerd was dan vóór het verschijnen van dit boek.

Hoe dan wel?

Wat heeft het lezen van dit boek mij geleerd? In elk geval hoe het niet moet. Maar hoe dan wel? Kan men voor ‘Israël’ een zelfstandige plaats in de systematische theologie reserveren? En moet dat dan op de wijze van Ouweneel die zich vooral concentreert op de unieke plaats van Israël nu en in de toekomst van God? Wie hiervoor kiest, plaatst de theologische bezinning op ‘Israël’ in de eschatologie (‘de leer van de laatste dingen’). Of is het thema ‘Israël’ zó met alle andere grote theologische thema’s verweven dat het niet zelfstandig behandeld kan worden? Is het mogelijk om ons theologisch te bezinnen op God, Jezus Christus, de Schrift, de schepping, enz. en ondertussen Israël bij deze thema’s buiten beschouwing te laten?

Deze vraag combineer ik met een ander gegeven dat Ouweneel volstrekt negeert. De geschiedenis van de theologie leert ons dat tal van theologen over fundamentele onderwerpen zoals de triniteit, de verzoening, de christologie, etc. grotendeels hetzelfde denken, maar over Israël zeer van mening verschillen. Deels ligt dit aan alle verwarring over de Bijbels-theologische en actuele betekenis van het verbond dat God met Israël heeft opgericht. Deels ligt dit aan ons beperkt theologisch inzicht. Laat dit besef ons voorzichtig, ootmoedig en leergierig houden, zo zeg ik tegen mezelf en tegen Ouweneel!

Vrijmachtige vervulling

Maar deels is onze verwarring naar mijn overtuiging ook inherent aan het karakter van Gods eeuwig verbond met Israël. Het begin van dit verbond ligt in Gods soevereiniteit. Israëls geschiedenis vanaf Genesis 12 tot in de moderne tijd toe illustreert Gods vrijmachtig handelen met Zijn volk, het joodse volk. Wie kan Gods weg met dit volk volgen, laat staan theologisch sluitend krijgen of het toekomstig verloop daarvan exact voorspellen?! Moet dit gegeven ons niet des te meer ootmoedig, voorzichtig en bescheiden maken? Dit geeft aan mijn theologisch denken over Israël een open einde naar de toekomst toe. Voor mij is deze attitude onmisbaar om in verbondenheid met Israël de drie-enige God te bidden om de spoedige vervulling van Zijn beloften die Hij specifiek aan het joodse volk en in dit volk aan de andere volkeren heeft toegezegd (vgl. Rom 9:1-5 en Rom 10,1-4).




Drs. De Boer is chr. geref. predikant te Sliedrecht-Bethel en deputaat Kerk en Israël.

dr. Pieter de Boer
Verbonden jrg. 64 nr. 1 (jan. 2020)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden