omhoog

Een heilig volk in een beloofd land


Wie is de God van Israël? In Leviticus 19 geeft God Zelf het antwoord. Daar blijkt dat het wezen van God onlosmakelijk verbonden is met het wezen van Gods volk: ‘Heilig moet u zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig’ (Lev. 19:2). Wat betekenen die woorden voor het land waarin Gods volk mag leven? Hoe kunnen de nakomelingen van Abraham, Izak en Jakob ‘heilig zijn’ in het land dat God hen beloofd heeft?


Het woord ‘land’ (erets) komt zeven keer voor in Leviticus 19. Twee keer betreft dit het land Egypte (vers 34 en 36). Vijf keer gaat het over het beloofde land Kanaän (vers 9, 23, 29 (2x) en 33). De heiligheid van Gods volk in het beloofde land heeft iets te zeggen over de omgang met de armen die er wonen, de vreemdelingen die er verblijven, de dochters die er leven en zelfs de vruchten die er groeien.

Armen en vreemdelingen

Gods volk moet heilig omgaan met de oogst. In Lev. 19:9-10 staat dat de akkers en wijngaarden niet helemaal leeggehaald mogen worden: ‘Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen. U mag ook uw wijngaard niet nalopen en de afgevallen druiven van uw wijngaard niet oprapen. U moet ze voor de arme en voor de vreemdeling achterlaten. Ik ben de HEERE, uw God.’ Dit gebod wordt nog enkele keren herhaald in de Thora (Lev. 23:22, Deut. 24:19).

Gods heilige volk mag in het beloofde land wonen, maar het goede van het land is niet alleen voor het volk Israël. De opbrengst van het land moet gedeeld worden met de armen en de vreemdelingen. Enerzijds gaat het hier over één groep mensen: de kwetsbaren. Armen, vreemdelingen, weduwen en wezen worden vaker in één adem genoemd. Het zijn de mensen die het niet zelf kunnen rooien. Zij hebben alleen een menselijk bestaan als hun naastenliefde wordt betoond. Anderzijds is het ook een ‘gemengde groep’, want vreemdelingen komen van buiten. Zij stammen niet van de aartsvaders af. Toch mogen zij een bestaan opbouwen in het beloofde land.

Beschermde status

Sterker nog: vreemdelingen in het land moeten behandeld worden als mensen die bij Israël horen. In Lev. 19:33-34 staat: ‘Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.’ Ook dat gebod komt vaker in de Thora voor (Ex. 22:21, 23:9). In het beloofde land hebben vreemdelingen een beschermde status (Lev. 25:35, Deut. 27:19). Gods volk mag in het land en met het land niet doen wat het wil, want God zegt dat het land Hem toebehoort: ‘U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (Lev. 25:23). Het land dat beloofd is, is dus een land dat gedeeld moet worden met vreemdelingen omdat de Israëlieten zelf ‘bijwoners’ zijn bij de HEERE.

Vruchten

Leviticus 19 laat zien dat heiligheid zich ook uitstrekt tot de vruchten van het land: ‘Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar lang zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden. Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE. En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God’ (Lev. 19:23-25).

Wat een opmerkelijk gebod! Je zou verwachten dat de vruchten bij aankomst in Kanaän meteen gegeten mogen worden. Maar er moet gewacht worden met oogsten en eten. Waarom? Omdat het land ‘besneden’ moet worden. De term ‘verboden’ in vers 23-24 betekent letterlijk ‘zijn voorhuid besnijden’, oftewel: onbesneden. Er wordt dus een parallel getrokken tussen de besnijdenis en het land. Zoals de voorhuid niet voor de achtste dag besneden mag worden, zo mag de vruchtopbrengst van het land niet voor het vierde jaar genoten en vermeerderd worden. Pas in het vierde jaar zullen alle vruchten van het land heilig zijn.

Zo maakt God aan Zijn volk duidelijk dat zelfs de vijgen, druiven en dadels van het land heilig voor Hem moeten worden. Bij aankomst van Israël in Kanaän moeten de vruchten door een ‘tijd van onbesnedenheid’ heen voordat ze genuttigd mogen worden.

Dochters

In Lev. 19:29 komt het land nog twee keer ter sprake in verband met het gevaar van hoererij: ‘U mag uw dochter niet schenden door haar hoererij te laten bedrijven, zodat het land geen hoererij bedrijft en het land niet met schandelijk gedrag vervuld wordt.’ Interessant is de koppeling tussen de mens en het land. Als de dochters van Israël tot prostitutie worden aangezet, dan staat het land collectief schuldig tegenover God.

De begrippen ‘land’ en ‘volk’ vallen hier bijna samen. Het land wordt verontreinigd als Gods volk onheilig leeft. Natuurlijk is dit verbod op hoererij niet los te zien van de volken die al in Kanaän wonen en hun levensstijl. Het is bekend dat de Kanaänieten een vruchtbaarheidscultus hadden waarin seksuele excessen plaatsvonden. Bij de volken in Kanaän gingen hoererij en afgoderij hand in hand: ‘Omdat zij al die dingen hebben gedaan, heb Ik een afkeer van hen’ (Lev. 19:23). De HEERE wil dat Zijn volk zich daar verre van houdt - en het land heiligt voor Hem.


Wat God in Leviticus 19 over het beloofde land zegt, is onlosmakelijk verbonden met Zijn heiligheid en die van Zijn volk. De omgang van de Israëlieten met hun armen en dochters, de vreemdelingen en vruchten in het beloofde land moet heilig zijn. Een onheilige levenswandel maakt het land onrein in Gods ogen.



Gespreksvragen

  1. Wat heeft de Thora over Israëls omgang met de vreemdeling in het land ons nu nog te zeggen?
  2. God zegt tegen Zijn volk Israël met betrekking tot het land: ‘U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (Lev. 25:23). Wat zou voor de nieuw­testamentische gemeente en christen daarvan de betekenis kunnen zijn?


Ds. L. van Dalen is chr. geref. predikant te Hoogeveen

drs. Lieuwejan van Dalen
Verbonden jrg. 64 nr. 3 (sep. 2020)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden