pijl omhoog

Het Evangelie naar Mattheüs en de Joden

Het Evangelie in opspraak

Er is de laatste jaren een heftige discussie ontstaan over de ‘bijdrage’ van het Nieuwe Testament aan het anti-semitisme in Europa. De schakel tussen het NT en het anti-semitisme wordt gezocht in de anti-judaïstische tendens van het NT.

Op verschillende plaatsen in het NT is sprake van verzet tegen de opvatting, dat de gerechtigheid van God alleen kan worden ontvangen in de weg van het volbrengen van wetswerken. Een mens moet, aldus het judaïsme, om rechtvaardig voor God te zijn prestaties leveren. In het NT wordt deze opvatting vooral aan de Farizeeën toegeschreven. Ook in de oudste kerk heeft men met het judaïsme te maken gehad, met name vanuit Joods-christelijke kringen.

Het anti-judaïsme van het NT heeft, wordt er in de huidige discussie gezegd, heel gemakkelijk kunnen dienen als voedingsbodem voor het antisemitisme. Vooral toen niet-Joden zich achter de NT-ische uitspraken gingen scharen. Wat in het NT nog het afwijzen is van een bepaalde Joodse opvatting, is door niet-Joden opgevat als het afwijzen van de Joden zelf. Eén van de indringendste vragen is, of het NT daar zelf schuldig aan is. Hebben de schrijvers van het NT zich wel voldoende ingedekt tegen het misbruik dat er van hun woorden zou kunnen worden gemaakt? Voor degenen die vasthouden aan de inspiratie van het NT door de Heilige Geest staat er bij deze en dergelijke vragen heel wat op het spel. We kunnen daar nu niet op ingaan.

Het is niet verwonderlijk in het licht van het bovenstaande, dat sommigen menen, dat de kerk in Europa na een eeuwenlange geschiedenis van anti-semitisme, waaraan ook de kerk haar aandeel heeft geleverd, zich in deze tijd moet onthouden van anti-judaïstische uitspraken. Met andere woorden: de kerk zou het moeten opgeven bepaalde uitspraken uit het NT na te spreken. De vraag is of de kerk dat kan en mag doen? Is het mogelijk en geoorloofd om de boodschap van het NT door te geven zonder duidelijk te maken wat als een heilloze weg (het judaïsme) moet worden afgewezen?

Hoewel hierover nog veel te zeggen is, moeten we dat nu vanwege de omvang van dit artikel laten rusten. Duidelijk is wel dat het Evangelie in opspraak is. Aan de kerk de taak die opspraak serieus te nemen en te onderzoeken of ze op waarheid berust. Zoals de titel aangeeft willen we in dit artikel nagaan welke gedachten we bij de evangelist Mattheüs kunnen waarnemen tegenover de Joden.

Twee lijnen

Bij de bestudering van het Evangelie naar Mattheüs (Mt) is het velen opgevallen, dat in dit Evangelie uitspraken worden gedaan ten aanzien van de Joden die elkaar lijken uit te sluiten. Aan de ene kant lijkt het erop alsof Mt er alles aan doet om de Joden bij het Evangelie van Jezus Christus te betrekken, terwijl hij aan de andere kant in de richting lijkt te gaan van de verwerping van de Joden als volk van God. Men heeft wel gezegd: het is het meest Joodse en het meest anti-Joodse Evangelie in het NT.

Het meest Joodse Evangelie

Uiteraard kan alleen een nauwkeurige vergelijking tussen de vier Evangeliën uitsluitsel geven over de vraag welk Evangelie als het meest Joodse mag gelden. Hier zullen we ons tevreden stellen met enkele aanwijzingen waaruit blijkt dat Mt met recht aanspraak op die titel zou kunnen maken.


Mt heeft als Jood voor waarschijnlijk Joodse of Joods-christelijke lezers zijn Evangelie geschreven op een Joodse wijze met inachtneming van belangrijke Joodse thema’s.

Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de stijl waarin Mt schrijft. Hij gebruikt typisch Joodse uitdrukkingen ter omschrijving van de naam van God (Koninkrijk der hemelen); verder gebruikt hij Joodse termen zonder deze nader te verklaren, terwijl Markus en Lukas diezelfde termen voor hun lezers nader uitleggen. Vergelijk Mt 15:2 met Mk 7:2-4; en ook Mt 27:62 met Mk 15:42.

De belangrijke Joodse thema’s zijn: de plaats van de wet, de positie van de Messias (Christus), de rol van de heidenen, de houding tegenover de Romeinen. Het blijkt dat Mt op vele plaatsen dergelijke thema’s aan de orde stelt. We lezen vele twistgesprekken met de Farizeeën en anderen over de juiste interpretatie van de wet. Maar ook los van de twistgesprekken krijgt de wet aandacht. Op een onovertroffen wijze is dat het geval in de Bergrede, waarbij met name Mt 5:17-20 van zeer groot belang is. Over de Messias en de rol van de heidenen lezen we onder andere in het geslachtsregister belangrijke zaken. Vergelijk Mt 1:1-17 met Lk 3:23-38. Bij Mt vallen op: de aanhef (Jezus Christus), het noemen van de heidense vrouwen, de opbouw van het geheel.


Belangrijk zijn verder de veelvuldige aanhalingen uit ‘Mozes en de profeten’. Opvallend zijn die aanhalingen, die beginnen met de woorden: ‘... opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door... ’ of woorden van gelijke strekking. Deze zogenaamde vervullingscitaten komen bij Mt sterk naar voren, omdat hij hiermee zijn lezers wil overtuigen van de vervulling van ‘Mozes en de profeten’ in de persoon van Jezus Christus. Bij Mk lezen we twee keer van een vervulling; bij Lk vijf keer; bij Mt twaalf keer.


Tot slot is er ook nog op te wijzen, dat Mt in allerlei trekken laat uitkomen dat de Joden op de eerste plaats komen. Zo lezen we in Mt 1:21, dat Jezus zijn volk (= het volk Gods = Israël) zal redden van hun zonden. In Mt 2:2 komen heidense wijzen vragen naar de geboren koning der Joden. Diezelfde titel geldt nog voor Jezus als Hij aan het kruis hangt; Mt 27:37. Om een laatste voorbeeld te noemen: als Jezus zijn discipelen erop uit stuurt, moeten zij zich allereerst begeven tot de verloren schapen van het huis Israëls; Mt 10:6.


Concluderend is te zeggen, dat Mt in zijn getuigenis laat horen, dat God in zijn heilsdaden in Jezus Christus de Joden op het oog heeft. Zij moeten, zelfs in de eerste plaats, het Evangelie van het Koninkrijk horen en aannemen. Als een voorrecht en verantwoordelijkheid houdt Mt dit aan hen voor.

Het meest anti-Joodse Evangelie

Tegenover de grote aandacht voor de Joden staan bij Mt ook allerlei woorden die min of meer wijzen op de verwerping van de Joden. Om zicht op die uitspraken te krijgen is het nodig onderscheid te maken tussen de (Joodse) groeperingen, de (Joodse) scharen en de (Joodse) discipelen. Bij elke uitspraak in het Evangelie zullen we steeds moeten vragen: aan welk adres is deze uitspraak gericht?


Er waren ten tijde van Jezus’ omwandeling op aarde vele groeperingen binnen het Jodendom, die elk een eigen karakter en leer hadden. Te denken valt aan de Farizeeën, de Sadduceeën, de Herodianen, de Zeloten, de Schriftgeleerden, de (over-) priesters, de oudsten, de Essenen enz.


We beperken ons tot de groep van de Farizeeën, omdat zij bij Mt het meest in het oog springen. Overigens vormden de Farizeeën een rijk geschakeerde groep met de nodige onderlinge tegenstellingen. Over de verhouding tussen Jezus en de Farizeeën zou een aparte studie geschreven kunnen worden die zowel het onderscheid als de verwantschap belicht.

Opmerkelijk bij Mt zijn de felle conflicten tussen Jezus en de Farizeeën. Anders dan bij Mt en Lk gaat de strijd zelfs door tot en met de kruisiging; zie Mt 21:45 en 27:62. Bij de andere evangelisten zijn het vooral de (over-) priesters en de Sadduceeën die Jezus uit de weg willen ruimen. Het conflict speelt zich dan af rondom het punt van de tempel en de gehoorzaamheid aan de Romeinse overheid. Twee thema’s die voor de ‘tempel-kliek’ van groot belang zijn. Toch wekt Mt de indruk dat ook de Farizeeën een actieve rol gespeeld hebben in het proces van Jezus.

Hoe scherp de tegenstelling met de Farizeeën is geweest komt naar voren in uitdrukkingen als ‘dit verkeerd/boos en overspelig geslacht’ (Mt 12:39.45; 16:4; 23:36 en ‘huichelaars’ (Mt 6:2, 5, 16; 15:7; 23:13, 14, 15, 23, 25, 27, 29). Het zijn zeer negatieve termen, waarin Jezus niet in de eerste plaats de leer maar het leven van de Farizeeën hekelde. Zij deden zelf niet naar wat zij leerden. En wat ze wel deden, deden ze tot hun eigen profijt. We lezen dat bijvoorbeeld in de opmerkelijke woorden uit het begin van Mt 23. Om Jezus’ houding tegenover de Farizeeën te verstaan is vooral de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters instructief; Mt 21:33-46.


Zoals Jezus over de Farizeeën spreekt, zo spreekt Hij niet over de scharen. Van hen zegt Hij, dat ze als een kudde zonder herder zijn; Mt 9:36 en 14:14. Voortdurend zijn de scharen rondom Jezus te vinden; afwachtend, nieuwsgierig, belust op sensatie. De Joodse leiders moeten steeds rekening houden met de mening van de scharen over Jezus. Heel duidelijk is dat het geval in Mt 21:46.

Toch hekelt Jezus ook de scharen, omdat ze weigeren voor Jezus te kiezen en met Hem mee te doen; zie Mt 11:16-24. Door hun onbeslistheid verschillen de scharen van de discipelen. Zij kunnen nog alle kanten op, terwijl de discipelen de keuze hebben gedaan. Zij willen de roepstem van Jezus volgen. Mt laat zien dat de scharen hun tweeslachtige houding heel lang hebben volgehouden. Bij de intocht in Jeruzalem (Mt 21:1-11 roepen zij nog ‘Hosanna de Zoon van David’. Een paar dagen later echter - wellicht teleurgesteld in hun verwachtingen - roepen zij ‘Hij moet gekruisigd worden’ (Mt 27:23. Tenslotte heeft de vijandschap het bij de scharen gewonnen.

In dit kader staan de bekende woorden van Mt, dat ‘al het volk (Gods volk) antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’; Mt 27:25. Over deze tekst is heel veel te zeggen. We beperken ons tot enkele opmerkingen over de woorden ‘al het volk’. Het is opmerkelijk dat Mt het neutrale woord ‘schare(n)’, dat we lezen in 27:15, 20, 24, in vers 25 vervangt door het geladen woord ‘volk’. Moeten we daar een beschuldigende of een appellerende klank in horen, of beide misschien? In ieder geval is ook deze hysterische massa ‘volk’, dat wil zeggen: het volk van God. In dit verband heeft ook altijd het woordje ‘al’ de aandacht getrokken. Mt zou er mee aan willen geven dat deze schare voor Pilatus een vertegenwoordiging is van ‘heel Israël’. Het is het volk der Joden als verbondsvolk dat, evenals de leiders van dat volk, Jezus Christus verwerpt. Daarmee is overigens niet gezegd dat ‘al het volk’ ook door God verworpen is.


Concluderend stellen we vast, dat de typering ‘anti-Joods’ die voor het Evangelie naar Mt wordt gebruikt, enkel en alleen slaat op een beoordeling van de houding die Joodse groeperingen (zoals de Farizeeën) en de Joodse scharen tegenover Jezus hebben ingenomen. Niet het Jood-zijn als zodanig wordt door Mt aan de kaak gesteld, maar het ongeloof tegenover Jezus.

Slotopmerkingen

Om het Evangelie naar Mt in haar houding tegenover de Joden goed te verstaan is het volgende van belang.


We moeten voor ogen houden, dat Mt ook zelf een Jood was, evenals de overige discipelen. Het spreken over dé Joden, die Jezus verwerpen, is daardoor een feitelijke onmogelijkheid. Steeds zal gezegd moeten worden over welke Joden het gaat.


Het Evangelie naar Mt moet gelezen worden als een profetisch getuigenis. Mt staat als apostel van Jezus Christus in de lijn van de vroegere profeten. Van die profeten lezen we in het OT dat zij het volk striemden met de zwaarste beschuldigingen vanwege de zonden van het volk, zonder daarbij het volk als volk van God af te schrijven. Van een dergelijke houding is ook sprake bij Mt. Illustratief hiervoor zijn o.a. Mt 8:10-12, 21:43-46, 23:37-39. Nergens lezen we dat Mt uit Jezus’ mond of van Godswege moet berichten, dat God het verbond met het volk heeft opgezegd.


Wat Mt duidelijk maakt - en ook dat is in overeenstemming met de profeten van het OT - is, dat het Jood-zijn op zich niet voldoende is om gerechtvaardigd voor God te leven. Het heil van God wordt alleen ontvangen in de weg van het geloof in de heilsdaden van God en in de gehoorzaamheid die aan dat geloof beantwoordt. Voor Mt heeft de beslissende heilsdaad van God, die tegelijk de vervulling is van de belofte aan Abraham en de verwachting van de profeten, zich voltrokken in de komst en het werk van Jezus Christus. Om Gods Rijk binnen te gaan is geloofsverbondenheid met Jezus Christus noodzakelijk.


Het bijzondere van deze nieuwe en beslissende openbaring van God in zijn Zoon Jezus Christus is, dat de reikwijdte ervan de grenzen van Israël overschrijdt. Meer dan in vroeger tijden komen de heidenen in zicht. Zie Mt 8:5-13. De plaats die een mens inneemt voor God hangt niet (meer) af van iemands afkomst (Jood of heiden), maar daarvan of iemand gelooft in Jezus Christus. De roeping van Godswege blijft uitgaan tot de Joden, niet minder echter tot de heidenen (Mt 28:18-20). Wie deze roeping beantwoordt met geloof krijgt deel aan Jezus’ gemeente.


Het specifieke van het Joodse volk is en blijft dat uit haar midden de roeping is uitgegaan en dat de roeping allereerst tot haar komt. Maar de Joden zijn niet (meer) de enigen. Het OT-ische perspectief van heidenen die deel krijgen aan Gods volk is werkelijkheid geworden in dit laatste der dagen. Er ontstaat een gemeente van Joden en heidenen in de weg van het geloof in Jezus Christus. Die weg is tevens de weg van de genade. Alle andere wegen, waarbij de mens (Jood of heiden) zich in eigen kracht van het heil moet zien te verzekeren - en dat is de leer van het judaïsme - moeten worden afgewezen.


Wie zo Mt leest, leest zijn Evangelie als een hartstochtelijk appèl aan zijn mede-Joden, die zo dwaas en schandelijk de heilsdaad van Israëls God in Jezus Christus hebben miskend.

ds. Rien Vrijhof
Vrede over Israël jrg. 30 nr. 1 (jan. 1986)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel