omhoog

Een samenkomst op nieuwjaarsdag, Rosj hasjana

Nehemia 8:2-13


De meeste westerse volken vieren de overgang van oud jaar naar nieuw jaar in de winter. De joden vieren nieuwjaar in de herfst, wanneer de natuur op het punt staat te sterven. Dit jaar begint nieuwjaar voor hen op vrijdagavond drie oktober.


Het is bij hen een dag met vele namen:

Dag van het bazuingeschal.

Dag van de schepping.

Dag van het gericht.

Dag van inkeer.


In de bijbel staat een uitgebreide beschrijving te lezen van de viering van zo’n nieuwjaarsdag: het gehele volk kwam op de eerste dag van de zevende maand bijeen, zo vertelt ons Nehemia. Dat is nieuwjaarsdag.

Het jaartal doet er niet toe. Wel, de tijd. Het was in de tijd na de ballingschap. Een kleine groep joden was teruggekeerd en onder leiding van Ezra en Nehemia begonnen aan de wederopbouw van het land, een verschrikkelijk karwei.

Maar ondanks tegenstand zette men door. Gebouwen werden hersteld, het land weer ontgonnen en de cultus hersteld.

Vandaar die samenkomst op nieuwjaarsdag.

Dat was immers een instelling van God. In de zevende maand, op de eerste der maand, zal het voor u een rustdag zijn, een herinnering door bazuingeschal, een gewijde samenkomst (Lev. 23:24).

Daarom waren ze allemaal samengekomen, op het plein voor de waterpoort.


Het werd een lange dienst. De schriftgeleerde Ezra las de wet voor, zes uren lang, En al die tijd stonden ze te luisteren: mannen en vrouwen en die het konden begrijpen. Er werd ook gepreekt. Door meerderen zelfs. Verscheidene assistenten van Ezra, Levieten hielpen er aan mee.

En het gehele volk weende.

Het gaat er bij de joden op nieuwjaarsdag anders aan toe dan bij ons.

Gebed en inkeer, dat is typerend.

Ook toen.

Het verdriet zal die dag des te groter geweest zijn vanwege de achterliggende periode. Israël was immers van God afgeweken. Een groot gedeelte van Israël was nog in Babel. Verslagen was men onder het horen van wat God van hen eiste. Diep onder de indruk vanwege de afstand tussen God en zijn volk.

Zij hadden Gods oordeel verdiend.

Toch, zo zeggen de joden, is Rosj hasjana, nieuwjaarsdag, niet alleen een dag van gericht.

Ook een dag van vergeving. Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft. Hij zal zich weer over ons ontfermen. Gij zult werpen onze zonden in de diepten van de zee (Micha 7:18-20).

Ook daaraan herinnerden de voorgangers op die bewuste nieuwjaarsdag de mensen. Er was plaats voor boete, maar ook voor vergeving. Voor verdriet, maar ook voor blijdschap. Laat de blijdschap des Heren uw sterkte zijn (vers 11 S.V.), zo zeiden ze. Ondanks alles is er toch vreugde van God over ons. Toch heeft Hij zijn volk lief. Is zijn toorn niet eeuwig.

Is dat geen sterkte, geen bolwerk om in te schuilen naar toe te vluchten?


Op Rosj hasjana herinnert de mens zich het begin van de schepping en God de daden van zijn schepselen. Terecht een tijd van inkeer. Wie zijn wij? Maar het is ook een tijd van vertrouwen, dat God vergeeft, nieuw leven geeft.

Laat de blijdschap des Heren uw sterkte zijn.

Geen boodschap alleen voor de joden toen.

Zeker ook voor christenen nu.

Ook bij hen is zeker plaats voor boete.

Maar ook voor blijdschap.

Niet vanwege hún vreugde in God.

Maar om Gods vreugde om hen.

Ze weten het door Jezus Christus.

ds. Arie van der Veer
Vrede over Israël jrg. 30 nr. 5 (okt. 1986)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel