omhoog

Deze of een ander?

Zijt Gij Degene, Die komen zou
of verwachten wij een ander?

(Luk. 7:19a)


Het moet een geweldige beproeving voor Johannes geweest zijn dat hij in de gevangenis terecht is gekomen. Behandelt de Heere Zijn knechten zó? Een lichtpunt is nog dat zijn leerlingen hem in zijn cel mogen bezoeken. Zij brengen nieuws van buiten mee. Het gerucht van Jezus ging uit in geheel Judea en in al het omliggende land.


In het hart van Johannes komt dan een grote twijfel op, juist als hij zich op dood spoor gezet voelt. Levensgroot doemt voor hem de vraag op: Is deze Jezus wel de Messias? Klopt Zijn optreden en Zijn prediking wel met wat Johannes heeft moeten getuigen over het naderend oordeel, de zuivering voor de komst van het Koninkrijk? Is het Koninkrijk wel met deze Jezus gekomen of niet? Is er wel verlossing aangebroken?


We verwachten een dergelijke vraag eigenlijk niet van een man die toch zulke duidelijke dingen over Jezus gezegd heeft. Johannes wees Jezus toch aan als het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt? En zei hij niet: Hij moet wassen maar ik minder worden? En: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem?


Toch is de vraag van Johannes niet alleen een persoonlijk probleem van hemzelf. Velen herkennen zich in zijn vraag. In het gesprek met de Joden is het een steeds terugkerend thema: als Jezus de Messias is, waarom is de wereld dan nog niet verlost? Ook niet-gelovigen kunnen, zoals Friedrich Nietzsche deed, vragen hoe het dan komt dat Christenen er nog zo onverlost uitzien wanneer ze hun belijdenis over Jezus Christus serieus nemen. Ja, ook bij Christenen zelf komt de waarheidsvraag aangaande Hem op. Er gebeuren immers vele dingen in de wereld en in hun eigen leven die tot die vraag aanleiding geven. De machten van de zonde, de dood en de duivel zijn nog zo sterk!

Dagelijks moeten oprechte Christenen tegenover God schuld belijden over hun zonden. En ook zij hebben hun vragen bij het sterven van hun medemensen, of zien tegen hun eigen levenseinde op. Verder zijn er Christenen die om hun geloof verdrukt worden. De grote vraag van het waarom hangt samen met het Messias-zijn van Jezus. Aangevochten Christenen herkennen de vraag van de aangevochten dienstknecht van God daar in die cel.


Johannes móet het weten en stuurt er zijn discipelen op uit. Lukas vermeldt zijn vraag zelfs tweemaal; wel een bewijs van hoeveel gewicht zij is! De leerlingen komen bij Jezus wanneer Hij druk bezig is om Zijn evangelie met daden van genezing te onderstrepen. Op dát moment, met zoveel vertoon van de kracht Gods, lijkt hun vraag overbodig. Maar ze stellen haar tóch! En dan is het antwoord van Jezus duidelijk.

Gaat heen en boodschapt Johannes weder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden en de armen het Evangelie verkondigd wordt.


Wat zal Johannes bij dit antwoord - achteraf bezien het láátste wat Jezus hem op aarde gegeven heeft - gedacht hebben? Hij heeft in ieder geval bekende klanken gehoord. Want wat Jezus hem boodschapte was niet anders dan wat de profeet Jesaja eens gesproken had (Jes. 29:18; 35:5-6; 42:7 en 61:1). Jesaja, de evangelist onder de profeten! Jezus laat Johannes weten dat de heilstijd waarvan Jesaja sprak, nu aangebroken was. En als de discipelen van Johannes weer weggaan, voegt Hij hun nog toe: En zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd zal worden Daar moet Johannes het mee doen.


Tenminste drie dingen vallen ons in Jezus’ antwoord op.


Ten eerste dat in de prediking van Jesaja in de hoofdstukken 29 en 42 óók van gericht en oordeel gesproken wordt, zoals ook Johannes gedaan had.

Maar nu legt Jezus door de teksten die Hij aanhaalt er de nadruk op dat het nog genadetijd is. Het heden der genade gaat voor het oordeel uit! Dit oordeel wacht nog! Dat moet Johannes leren. Hij moet zich onderwerpen aan de wil van God in Christus Jezus. Zo leven ook wij nog steeds in het heden der genade. Zo leert Jezus ook ons om met ootmoedigheid en zonder vooringenomenheid de Schriften t.a.v. Gods heilshandelen te lezen en de duiden.


In de tweede plaats zal het Johannes pijnlijk getroffen hebben dat door Jesaja (42:7 en 61:1) óók aan de gevangenen vrijheid verkondigd werd. Hij krijgt een antwoord van Jezus dat zijn gevangenschap totaal lijkt te negeren. Ook dáár moest Johannes het mee eens leren worden, dat dit Gods wil over hem was in Christus Jezus. Het zal hem heel wat gebedsworsteling en zielestrijd gekost hebben. Zo hebben ook veel Christenen in het Evangelie van Christus en in Gods handelen in hun leven geen pasklaar antwoord op al hun vragen en wederwaardigheden.


In de derde plaats treft ons het laatste woord van Jezus: Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt, niet over Mij valt, niet geërgerd wordt. Jezus laat met deze woorden de keuze, de geloofsbeslissing aan Johannes. Hij hooft naar de profetie der Schriften verwezen, die op de met Hem aangebroken heilstijd betrekking heeft. Daar moet Johannes nu óók voor leren buigen, ondanks dat hij in de gevangenis blijft zitten en straks zelfs een ellendige dood zal sterven.


Ondanks de vragen die overblijven stelt Jezus Zichzelf als Degene Die komen zou, Zijn antwoord is duidelijk. Er is geen ander te verwachten. Hij is Zich Zijn ergernis gevend optreden bewust. Hij spreekt dan ook zalig die aan Hem géén aanstoot neemt! Dat kan immers zo gemakkelijk. Het evangelie van Jezus Christus is niet naar de mens. Niet naar de Joodse, niet naar de heidense en niet naar de christelijke. Het past in geen enkel menselijk verwachtingspatroon. Jezus Christus is de geheel Andere, buiten Wie tegelijk geen andere te verwachten is. Alle eeuwen door vraagt Hij ten aanzien van Zijn Persoon en werk en woord een duidelijke stellingname, een keuze van het hart van Zijn kerk en van alle mensen. Wie zeggen de mensen dat lk ben en Wie zegt gij dat lk ben?


En zalig de mens, Jood, heiden of Christen, die aan Hem dan niet geërgerd wordt. Zalig wie niet mét Hem verlegen is, maar óm Hem verlegen is.

Dat heeft Hij Zelf gezegd!

ds. Harry Rietveld
Vrede over Israël jrg. 30 nr. 6 (dec. 1986)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel